Categorieën
Fictie

Nadia

Zonder zin in koffie stapte ik een koffiebar binnen. Het was de achterwand die men aandacht trok. Hij werd over de volledige breedte ingenomen door een bibliotheek. Wat leuk vond ik, een koffiebar met een bibliotheek. Nieuwsgierig naar wat er zoal te lezen viel liep ik de zaak verder binnen en merkte iets merkwaardig aan de boekruggen. Vanuit elk oogpunt reliëf ontbeerden ze reliëf. De bibliotheek miste een dimensie. Ik keek naar een behangmotief.
Het lijkt misschien ongepast om een zaak te betreden, niks te bestellen en de achterwand aan te gapen. Bovendien droeg ik afgetrapte sportschoenen van een verkeerd merk en mijn beduimelde bril was aan vervanging toe. Ik was sjofel gekleed, ongeschoren en had al maanden de kapper geskipt. Ik voelde me duf en zag er zonder twijfel ook zo uit. Toch verwachtte ik niet dat iemand mij zou hinderen.
Want mijn blik was weliswaar vermoeid, het was niet de vermoeidheid van iemand die ooit had gehoopt op een beter leven en ondertussen begrepen had dat dat nooit ging gebeuren. Wat ik met het leven moest aanvangen wist ik niet, maar ik moest geen moeite doen om niet dood te gaan. Daarom hoefde ik er niet netjes geschoren, geknipt en geschoeid bij te lopen om miserie, trauma’s en desillusies te verbergen. Gewend aan een comfortabel bestaan moest ik niet bewijzen dat ik meetelde. Bovendien had ik mogelijkheden zat. Ik had het recht om een woning te betrekken, mijn gebit te laten verzorgen en in het openbaar zwembad te plonsen. Ik kon iemand huwen, een auto huren en ermee over de snelweg scheuren. Ik was zo zorgeloos dat ik me kon verwonderen over een stylist die met een faux boekenkast en nep boekenruggen behaaglijkheid wou oproepen.
Bovendien kon ik twijfelen over de mediocre uitwerking. Van dichtbij was de boekenkast nog minder echt. Eigenlijk werd er alleen een boekenkast gesuggereerd. De boeken herhaalden zich om de halve meter met Madame Bovary, De gebroeders Karamazov, Het portret van Dorian Gray, een Larousse muziekencyclopedie, Anna Karenina, Huckleberry Finn, Alice in wonderland, Catch-22, Ulysses, The Great Gatsby, Kafka’s Slot en een biografie over Napoleon Bonaparte. Steeds in dezelfde volgorde. Zelfs voor de ogen van een analfabeet was het een slordige klus.
Verwonderd draaide ik me van de magere imitatie weg, maar de vragen op mijn gezicht waren niet de vragen van iemand die iets te kort had. Of van iemand die wanhopig zijn waardigheid trachtte terug te vinden. Of op zoek was naar een bed om na maanden omzwervingen een fatsoenlijke nacht door te brengen. Want iedereen kon zien dat ik niet behoeftig was.
‘Het toilet is er alleen voor onze klanten,’ zei een strenge vrouwenstem achter me.
Ik vroeg me af wie het in zijn hoofd haalde mij de les te lezen. Wie begreep niet dat zo iemand als ik niet op de do’s-and-don’ts moest gewezen worden? Wie was zo wereldvreemd om mij met een havenot te verwarren? Ik stond aan de andere kant, waar de spelregels niet gelden omdat ze daar niet voor gemaakt zijn. Ik draaide me om.
Een jonge vrouw keek me vastberaden aan. In tegenstelling tot het boekendecor leek ze echt. Ze deed in elk geval haar best om er professioneel voor te komen. Haar dienstkledij paste haar op een manier waaraan je kon zien dat ze er trots op was. Ze droeg een blauw hemd, een denim sloof over een strakke pantalon en korte laarsjes met een pantermotief. Nadia, las ik op haar badge.
‘Ik hoef niet naar het toilet, lachte ik haar vergissing weg. Ze keek me nog achterdochtiger aan.
‘Wat wilt u dan?’
‘Niets hoor,’ antwoordde ik. Ik keek naar het plafond en bestudeerde de luchtverversingskanalen en elektriciteitsbekabelingen die zich een weg ergens naartoe zochten. Ze moest maar denken dat ik iemand belangrijk was die iets belangrijks te doen had. Ze was niet in het minst onder de indruk van mijn theater en bleef me aankijken.
‘De boeken,’ zei ik tenslotte en ik wees naar het behang. ‘Ze zijn niet echt.’
Ze staarde me aan alsof ik uit het dolhuis was ontsnapt. Ik had haar evengoed kunnen vertellen dat haar laarsjes niet uit echte luipaardhuid gesneden waren.
‘Ik bedoel,’ probeerde ik. ‘Om de twaalf boeken komen dezelfde terug. En dat steeds in dezelfde volgorde.’
‘Mijnheer,’ zuchtte ze. ‘Dat zijn geen echte boeken.’
‘Precies,’ zei ik. Blij dat we het toch over iets eens waren.
‘Dan speelt het toch geen rol dat het om de twaalf dezelfde zijn,’ legde Nadia me uit. ‘Je kan ze immers niet lezen. Je kan de boeken zelfs niet uit de kast halen.’
Ik vroeg me af hoe ik mijn punt kon uitleggen.
‘Luister,’ begon ik. ‘Het is toch eigenaardig dat men een boekenkast imiteert. Wat is daar de bedoeling van? Wat wordt hier mee gesuggereerd? Een soort behaaglijkheid? Alsof lezen iets is dat je doet voor de gezelligheid?’
‘Gezellig?’ vroeg ze ongelovig? ‘Ik ken niemand die lezen gezellig vindt. Op school heb ik genoeg moeten lezen. Blij dat ik daarvan af ben.’
‘Waarom kijk ik hier dan naar een boekenkast?’ gaf ik terug.
‘Maar mijnheer, het zijn geen échte boeken’, herhaalde ze ongeduldig. ‘Het is gewoon behangpapier. Het kon evengoed behangpapier met palmbladeren zijn of met zeilscheepjes of met bloemen. Voor mijn part mochten het bloemen zijn. Liever dan echte bloemen, want ik ben allergisch aan stuifmeel.’ Ze haalde haar smartphone boven en scrolde ergens naartoe.
‘Wat jammer,’ antwoordde ik, opgelucht dat ze van onderwerp veranderde. Maar ik was ook op mijn hoede. Ik wou het helemaal niet over bloemen hebben. Voor ik het wist zou ze over namaakbloemen beginnen. Dat ze net echt waren. Dat je het verschil niet zag en dat je ze nooit water moest geven. Ik was dan verplicht haar te overtuigen dat dat toch niet hetzelfde was. Dat namaakbloemen geen geur hadden en nooit uitbloeiden en groeiden zoals in de natuur. Precies, dat was er net zo handig aan, zou ze antwoorden. We zouden verder borduren op de natuur en het gesprek zou bij de klimaatopwarming belanden en ik zou me rot ergeren om haar onbegrip. Want ze zou schokschouderen dat ze daar niet zo mee bezig was, met biodiversiteit en ijskappen en ecologische voetafdrukken en dat ze andere hobby’s had.
‘Om boeken te drukken worden wereldwijd jaarlijks honderddertig miljoen bomen gekapt,’ las Nadia voor van haar smartphone. ‘Dan is een paar vierkante meter behang een stuk milieuvriendelijker, denkt u ook niet?’
Ik hapte naar adem. Ze bleef me aanstaren.
‘Denkt u ook niet?’ drong ze aan en borg haar smartphone op in haar sloof.
‘Maar waarom dan behang met in hemelsnaam boeken?’ probeerde ik tenslotte.
‘U houdt misschien meer van behang met vogeltjes, of jonge hondenkopjes of Delfts blauw’, antwoordde ze. ‘Misschien hebt u een hekel aan boeken. Dat is uw goed recht. Zelf hou ik ook niet van boeken. Maar ik begrijp dat ik niet alleen ben en dat iemand anders van boeken kan houden. De interieurarchitect hield er in elk geval van, anders had hij wat anders verzonnen.’
‘Eerst en vooral, ik hou van boeken,’ lachte ik haar inschattingsfout meewarig weg.
‘Wat is dan in godsnaam je probleem?’ Nadia keek me hopeloos aan.
Ik besloot mijn redenering uiteen te zetten, voor ze ervan overtuigd was dat ze het met een idioot te doen had.
‘De interieurarchitect koos voor een boekenmotief omdat hij dacht dat iedereen dat gezellig vond. Dat dat associaties opriep met een bibliotheek waar hij misschien nooit een voet had binnengezet.
‘Precies,’ onderstreepte ze. ‘Een interieurarchitect die voelt wat er onder de mensen leeft, zonder overal binnen te stappen. Dat kan niet van velen gezegd worden.’
‘Dat is waar,’ moest ik toegeven alhoewel ik vond dat we de kwestie niet op dezelfde manier aankaartten. Ik zocht naar een treffend voorbeeld om mijn mening te illustreren maar ze was me voor.
‘Wilt u nog steeds niets bestellen?’ vroeg ze. ‘Er wachten andere klanten.’
‘Breng maar een espresso,’ zuchtte ik, al met al blij dat ik even van haar spijkerredeneringen verlost was.’
‘Waar zit u?’
Ik antwoordde bijna dat ik niet zat maar rechtstond, om haar op een kinderachtige manier te laten zien hoe spitsvondig ik wel uit de hoek kon komen. Gelukkig hield ik me in en koos willekeurig een tafeltje uit.
Ze tikte iets op een tablet en keek me aan. Haar niet begrijpend staarde ik terug.
‘Is dat alles?’
‘Dat is alles,’ antwoordde ik. Ze wachtte tot ik op m’n stoel zat, draaide zich om en liet me achter.
‘Espresso,’ riep ze naar een dromerige jongen achter de tapkast.
Ik haalde mijn telefoon boven. Voor de vorm las ik mijn junkmail. Een klopboormachine stond in de aanbieding en mijn schoonzus had haar Instagramprofiel aangepast. Een nieuwsflash vertelde iets over een ovenschotelrecept. Mijn maag gromde omdat zaken die eten aangaan mij altijd een hongergevoel geven. Ik hoopte dat Nadia mijn espresso met een biscuitje serveerde.