Categorieën
Fictie

Naar huis

Het is drie uur en de school is uit.
Vandaag mag Tim alleen naar huis. Hij trekt zijn jas aan en pakt zijn tas. Even controleert hij of de sleutel nog in zijn zak zit. “Ja, hebbes.” “Tot morgen!”, roept Tim en hij rent de school uit, de poort door en daar verdwijnt hij om de hoek.

Tim steekt de weg over en volgt het voetpad met aan de ene kant de weg en aan de andere kant het bos. Hij hijgt een beetje en denkt aan hoe de dag was. Even kijkt hij op. “Wat is dat bos toch donker en die bomen…” De bomen zijn donkergrijs tot bijna zwart, er zitten geen blaadjes aan de bomen en als je goed kijkt is het net of de bomen leven. De takken lijken op armen met handen die je willen grijpen en de knoesten van de bomen vormen ogen en monden. En door de kraaien en de wind is het alsof de bomen krijsen. “Brrr…alleen nog deze weg Tim, alleen nog deze lange lange weg en dan ben je weer thuis. Gewoon niet af laten leiden en doorlopen.”

Dan ziet Tim een hond op de weg zitten. De hond is zwart en heeft vijf witte vlekjes op zijn kop. Het lijkt wel een ster. “Ah, wat ben jij leuk.” Tim kijkt rond, maar ziet niemand. “Waar kom jij vandaan? Heb je geen baasje?” De hond blijft roerloos zitten. Langzaam komt Tim dichterbij. “Kom, we kunnen je hier niet laten zitten, dadelijk kom je onder een auto. Kom maar.” Maar de hond beweegt niet.
Tot Tim nog maar één stap verwijderd is van de hond. Dan springt de hond op en loopt richting het bos. Tim denkt maar aan één ding en loopt achter de hond aan. “Kom nou, je kan toch niet op straat blijven zitten. Dadelijk gebeurd er iets met je.” Nietsvermoedend blijft Tim de hond volgen.

Ineens rent de hond weg en Tim ziet hem nergens meer. Hij kijkt op en ziet dat hij midden in het donkere enge bos staat. De bomen piepen en kraken en de takken lijken Tim te willen grijpen. Tim kijkt om zich heen. “Waar kom ik vandaan? Waar moet ik naartoe? Hoe kom ik terug bij de weg?” De wind fluit door de bomen en het lijkt wel of de bomen vol hangen met zwarte blaadjes, maar als je heel goed kijkt zie je ogen glinsteren. Het zijn geen blaadjes, het zijn kraaien. Tim voelt de rillingen over zijn rug lopen. “Ik moet hier weg.” Een traan rolt over zijn wang.
“Nee” en Tim recht zijn rug. “Ik ga naar huis. Eens goed kijken…” Hij staat op een soort kruising. Achter hem is een weg, voor hem is een weg, linksvoor en rechtsvoor. Hij zal een keuze moeten maken. “Oké, uhm…kom op Tim…uhm…ja, ik pak de weg achter mij, daar moet ik wel vandaan zijn gekomen.” Hij draait om en loopt het pad af. Na even lopen lijkt er meer licht door de bomen te schijnen en Tim gaat steeds sneller lopen. “Daar is de weg, bijna.” Maar voordat hij bij de weg is draait het pad naar links en loopt verder het donkere bos weer in. Tim geeft niet op. “Het komt goed, ja, het komt goed.”
Dan komt Tim weer bij een kruising en als hij goed kijkt ziet hij dat het dezelfde kruising is als waar hij vertrok, maar nu komt hij niet van het pad dat achter hem lag, maar van het pad rechtsvoor. “Arggh, ik heb een rondje gelopen.” Nog steeds laat Tim zich niet uit het veld slaan, nee, hij moet gewoon een ander pad kiezen. “Dan nu maar het pad linksvoor, misschien draait dat pad wel af naar de weg.” Tim begint weer te lopen en te lopen. Eerst lijkt het steeds dieper het bos in te gaan, want het wordt donkerder en donkerder. Maar dan draait de weg naar rechts. En langzaam maar zeker wordt het lichter en Tim kan de auto’s horen rijden. “Jaaa, ik ben er bijna!” Weer begint Tim sneller te lopen. Het geluid van de auto’s komt steeds dichterbij. Maar dan draait het pad weer af. En weer loopt het pad terug het donkere bos in. En weer komt Tim terug op dezelfde kruising. En nu op het pad voor hem, dus alle paden heeft hij gehad. Tim valt op zijn knieën en zijn handen op de grond. Zachtjes begint hij te snikken.
Als Tim opkijkt komen de bomen steeds dichterbij, de armen, nee takken, nee armen proberen hem te pakken. Tim krimpt helemaal ineen en huilt. “Ik wil naar huis,” snikt hij, “ik wil gewoon naar huis.” Hij durft niet meer te kijken.

Dan hoort Tim een stem. Een zachte, vriendelijke stem. Maar wat zegt de stem? Tim is doodstil en probeert te luisteren naar de stem. “Tim”, zegt de stem, “wees niet bang en volg mij.” Dan verschijnt er een wit licht. Een fel wit licht. Het licht wordt steeds groter en feller. Tim knijpt zijn ogen dicht. “Kom Tim, kom.” De stem is zo vriendelijk, zo mooi. Tim wil de stem volgen, maar hij kan niet meer bewegen. Tim kijkt om zich heen. Dan dringt tot hem door dat hij op zijn rug op de grond ligt. Wat hij ook probeert het enige dat hij kan bewegen is zijn hoofd. Boven hem ziet hij nu alleen maar een dichte mist, een hele dikke zware mist waar het witte felle licht doorheen probeert te komen. Maar die stem, Tim wil naar die stem. Hij maakt zich zo kwaad dat zijn hele lichaam begint te trillen, hij bijt met zijn tanden op elkaar en loopt rood aan. Kort daarna is zijn hoofd zo rood als een tomaat en komt er nog net geen rook uit zijn oren. Maar dan, “AAAAHHHHHHHHH”, begint Tim te schreeuwen. Zo hard als hij kan. Aan een stuk door blijft hij schreeuwen. “AAAAAAAAAAAHHHHHHHHHHHH!!!” En ineens is het stil. Tim verliest alle spanning in zijn lijf en zakt weg. Zijn ogen draaien naar achter en Tim verliest zijn bewustzijn.

Even later wordt Tim wakker. Hij doet zijn ogen open en ziet een geel of wit licht. Na een paar keer knipperen ziet hij dat het een lamp is. Voorzichtig kijkt hij in het rond en ziet een witte kamer. De muren zijn wit, de deur is wit en aan de andere kant ziet hij grote ramen waar het felle zonlicht door naar binnen komt. Er hangen wel donkerblauwe gordijnen. Tim ligt in een bed en probeert zijn lijf te bewegen. Eerst zijn tenen en voeten. Dat lukt. Dan zijn benen, handen en armen. Hij kan alles bewegen, maar het doet pijn. Heel veel pijn. Het lijkt wel of iemand, bij iedere beweging die hij maakt, met een mes in hem snijdt. Rustig blijft Tim liggen. Hij wil wel gaan zitten, maar dat lukt niet. Tim probeert verder om zich heen te kijken of hij iets te drinken ziet als de deur open gaat. Tim schrikt op en kijkt gespannen naar de deur. Er komt een lange man met een witte lange jas binnen lopen. De man draagt een bril en kijkt vriendelijk naar Tim. “Dag Tim”, spreekt de man. “Wat goed om te zien dat je wakker bent. Je zal je wel afvragen waar je bent. Je bent in het ziekenhuis en ik ben dokter Paul de Jong. Je hebt een ongeluk gehad toen je van school op weg naar huis was. Alles komt goed, maar probeer je nog niet teveel te bewegen. Je hebt een flinke klap gehad.” Langzaam komt het terug bij Tim. Hij herinnert zich weer dat hij naar huis liep en de straat over wilde steken. Hij dacht dat er niets aan kwam, maar ineens stond hij oog in oog met twee grote koplampen die op hem afkwamen. “Maar,” ging de dokter verder, “ik denk dat je nu wel graag je moeder wil zien.” De dokter loopt de kamer uit en als de deur net dicht is gaat deze alweer open. En ja hoor, daar komt zijn moeder de kamer binnen lopen. Tim is zo blij en de tranen rollen over zijn wangen. Alle spanning komt er uit. Zijn moeder gaat naast het bed zitten en hangt over hem heen. Ze geeft hem een heerlijk warme en zachte knuffel. Tim pakt haar vast en is niet van plan haar los te laten. En dan op dat moment denkt Tim nog even aan die stem, die zachte vriendelijke stem. Zijn moeder…