Categorieën
Fictie

morgen verandert alles

1

De weg tussen Oscars huis en hotel is al eenenveertig jaar dezelfde; de ene dag te kort, de andere te lang. Tal van huizen, appartementen, straten en een klein stadspark later, zijn het nog steeds deze stenen die alsmaar trager onder hem doorschuiven. Hoewel de tijd zijn tred licht aantastte, artrose zegt een dokter, wijken voorbijgangers al eenenveertig jaar lang voor zijn verschijning. Ze knikken nooit als eerste, alsof ze een goedkeurende knik nodig hebben die hen de toestemming geeft een begroeting in te zetten. Oscar richt zijn vastberaden blik steevast op het punt het dichtst bij zijn hotel. Twee grijsblauwe, kille ogen staren door alles en iedereen heen tot zijn trots voor hem opduikt en imposante, op de gevel gedresseerde blauweregens steeds weer een grijns weten op te hijsen uit het diepste van zijn ziel.

Iedere ochtend is het Leo die Oscars knik afwacht maar nooit een kan bespeuren, hoe stevig hij zijn blik ook op de bewegingen van zijn baas kleeft. Al drie jaar opent hij de eikenhouten deur voor zijn hotelhouder en al drie jaar nestelt in hem een angst die hij niet kan thuisbrengen.

Eenmaal binnen is Oscars grijns spoorloos. Hij stormt op zijn bureau af alsof er een brand woedt, stuntelt de baard van een geelkoperen sleutel diep de deur in en draait er vervolgens – elke dag opnieuw – haast de greep af. Door de brutaliteit van deze handeling weet iedereen die dan passeert, en spoedig ook het hele hotel: hij is er.

2

Morgen verandert alles. Het was de repliek van zijn vrouw die ochtend, toen hij bulderde dat hij zijn schoenen niet vond. Ze overhandigde hem de pas opgeblonken zwarte veterschoenen en nam het hem niet kwalijk; meer dan dat ze iedere ochtend opnieuw proper waren weet hij niet. Morgen verandert alles. Achter zijn bureau gezeten keert hij de woorden van zijn vrouw om en om maar kan de nevel die errond hangt niet verdrijven. Ook op zijn laatste werkdag steekt hij stipt om elf uur een sigaar op. Hij herinnert zich nog als de dag van gisteren wanneer hij deze gewoonte begon. Hij was zevenentwintig, zijn vader was net van de derde verdieping gesprongen en Oscar doorzocht het bureau van zijn ouwe. In de middelste bureaulade stootten zijn rimpelloze, verzorgde vingers tegen een houten sigarendoosje. Oscar brak. Adrenaline maakte plaats voor tastbare herinneringen, hij omarmde de tristesse; voor schoonheid was het nog te vroeg. Wel vijftien minuten lang huilde hij als een hulpeloos kind dat gedwongen werd afscheid te nemen van beide ouders, want met de dood van zijn vader verdampte ook de nagedachtenis aan zijn vier jaar eerder overleden moeder. Zelfs twee uur na zijn dood wist zijn vader te overheersen. De klok sloeg elf keer en Oscar stak een sigaar op.

De grote lijnen van het hotel werden bepaald door de sporen van zijn vuist op tafel. Hij was het die de andere aandeelhouders op ellenlange vergaderingen trakteerde en hen lamgeslagen door retoriek en cijfers tot stemming beval. Hij was het die de zilveren letters op de gevel liet vervangen door gouden, kolossale exemplaren. Hij was de man van de afschaffing van de fooien, het nimmer gewijzigde menu en personeel dat even snel weer ging als het gekomen was. Hij kreeg een bijnaam: het beest. Een bijnaam die langer zou overleven dan Oscars ambitie en daadkracht. Met de tijd trad ook de moedeloosheid in en in opwellingen zich te herpakken ging hij zich steeds meer verliezen in details. Discussies over bestellingen of bekwaamheid van personeel liet hij vaker aan zich voorbijgaan, anderen namen deze taken noodgedwongen over. De laatste jaren waren het steeds weer die anderen die hem almaar dieper door de knieën dwongen. Niet uiterlijk, nooit uiterlijk, immer in een tanend onderbewustzijn.

3

Nog voor hij de deur kan openen is Marlène hem voor. Ze weet maar al te goed wanneer haar man thuiskomt en wil koste wat kost zinloos gekibbel vermijden. Niet vandaag. Gedienstig aanvaardt ze, een halve stap achteruitzettend, haar rol als meid en neemt ze zijn zwarte overjas en dito wandelstok aan. Ze is niet zoals Leo, of beter, niet meer; ze is opgehouden te verlangen naar een mogelijke vorm van erkenning. Evenmin staart ze Oscar na, terwijl hij, hemdsmouwen reeds opgestroopt, zijn voeten pas veegt op de donkerrode mat voor zijn werkkamer. Daar zal hij nog een uur of twee de tijd nemen om deze laatste werkdag bovenop alle andere te stapelen.

Wanneer Marlène naar de kapstok reikt stokt haar beweging. Het is niet de geur van haar man of zijn parfum, noch haar naar lavendel geurende en door het poetsen getekende handen die haar opvallen. Het is iets vreemds. Ze drukt Oscars jas tegen haar neus en laat de geur haar hele lichaam vullen. Marlènes handen beginnen te trillen. Met alle moeite van de wereld hangt ze de jas slechts half over een oude bidstoel. Haar grijze, bestofte ogen glijden langs de gewitte lambrisering naar de deur die ze net nog goedwillend opende.

Ze merkt niet dat ze de deur opent, vier treden afdaalt en plots op de stoep staat. Ze merkt niet dat het de kou is die haar uitlacht en dat het weinige gras al naar de herfst buigt. Ze merkt niet dat het de wind is dat zingt en haar lied aan haar donzige oorharen hangt: morgen verandert alles.