Categorieën
Fictie

Moerbeiboom

Een late middagzon prikt door het raam van de witte achterdeur op haar kruin. Over haar hoofdhuid stromen zweetdruppels in vaste routes naar haar slapen. Ze vallen langs haar oren op haar schouders om via de gootjes boven haar sleutelbenen in het ribbelige randje van haar roze hemd te verdwijnen. Naast haar rechterduim zit een minuscuul rood streepje op de klink. Merel houdt haar hoofd een beetje schuin om scherp te stellen. Het streepje is een halve centimeter lang en niet breder dan haar nagel dik is. Als ze niet zo dicht op de deur zou staan, had ze het vast niet opgemerkt. 

Aan de andere kant staat Katja, spierwit en een kop groter dan zij, tegen de deur te duwen. Boven op haar hoofd trekt een elastiekje haar witblonde strengen strak over haar schedel. Ze gebruikt haar rechterschouder om druk uit te oefenen op het glas, terwijl ze de lange nagels van haar vrije hand om een sleutel klemt. Donkerrode lijntjes steken woest af tegen haar bleke knokkels. De deur staat gespannen op een kiertje. Merel kijkt ernaar en zet zich met haar duimen en handpalmen af tegen het kozijn, dat haaks op het raam staat. ‘Als het raam kapotgaat,’ brult Katja door het glas, ‘dan is het jouw schuld!’ Vlug drukt Merel haar linkerwang tegen het glas in de hoop Katja’s geplette bovenarm, die ze wel ziet, maar niet voelt, van voldoende tegendruk te voorzien. De bovenarm loopt uit in puntige vingers, die de deurklink als een prooi in hun greep houden. Als het nu breekt, denkt Merel, zullen de scherven mijn gezicht in één haal openritsen. 

Merel probeert zich schrap te zetten, maar de zolen van haar bruine gymschoenen glijden telkens weg over het vaalwitte zeil in de bijkeuken. Het kleine kiertje verdwijnt. Er klinkt een klik, een draai en nog een klik. Met haar wang nog tegen het raam gedrukt, ziet ze hoe de geplette bovenarm terugveert van het glas, naar de grond reikt en zich weer bij de rest van Katja voegt. Met een zwiepende staart loopt Katja de tuin in. Merel wendt haar blik af. Ze kijkt naar de bruine stippen die haar spartelende voeten op het zeil hebben achtergelaten en zakt met haar rug tegen de deur naar de grond.

Een paar minuten daarvoor streek haar moeder nog met de vingertoppen van haar linkerhand langs de buitenkant van de deur, terwijl ze tante Keet een compliment gaf over het schilderwerk. Ze hield daarbij haar rechterarm om Merel heen geslagen. Merel liet zich dankbaar met twee wangen tussen de stof van haar moeders bruine jurk inklemmen. Haar tante vertelde dat het verven hoognodig was geweest en ook dat de schilder de kleur ‘eierschaalwit’ had genoemd. Haar moeder lachte om de naam, hoog en een beetje hikkend. Haar huid deinde achter de stof lekker zacht tegen Merels wangen. Op wat haastig getjilp van een vogel na, was het heel even doodstil in de tuin. Tante Keet lachte niet, want ze lachte nooit. Ze maakte een streepje van haar mond en keek met samengeknepen ogen in de richting van de moerbeiboom. Merel volgde haar blik en zag dat Katja hen vanaf een laken onder de boom in de gaten hield.

Toen tante Keet na de korte stilte voorstelde om nog even naar de voortuin te kijken, was Katja opgeveerd. Terwijl haar moeder met haar tante door de poort verdween, sloop Katja naar Merel toe. Ze fluisterde in haar oor dat ze onder het laken een geheim bewaarde. Merel keek niet meer naar haar moeder om en hupte nieuwsgierig achter Katja aan de tuin in. Onder het laken lag een wit eitje met bruine spikkeltjes erop. Merel zag dat er een piepklein barstje in het eitje zat. ‘Ach, wat lief, is het uit het nest gevallen?’ vroeg ze. Katja schudde grijnzend haar hoofd en zei: ‘Ik denk dat het nog leeft. Ik ga een mes pakken en kijken wat erin zit.’ Geschrokken vloog Merel achter Katja aan naar binnen en gilde: ‘Niet doen!’ Katja griste iets uit een la, sprong behendig langs Merel naar buiten, sloeg de deur dicht en greep met een snelle beweging de sleutel vast. Merel stortte zich op de klink en hoorde iets op de grond kletteren.