Categorieën
Fictie

Moederdag

Moederdag

Ze hebben me opgesloten. Toen de lange man in zijn lichtblauwe windjack naar buiten stapte, zo de zwarte schaduw in, had hij zich nog een keer omgedraaid. Hij deed met een soort vrolijke grijns zijn linker elleboog omhoog en zei iets dat ik niet meer kon verstaan. ‘Dag mevrouw’ waarschijnlijk. De slanke blonde dame stond even verder op hem te wachten. Lief gezichtje heeft ze hoor. Ze boog haar bovenlichaam wat opzij zodat ze langs hem heen kon kijken en glimlachte naar me. Ik heb ook gelachen en mijn handen omhoog gedaan, geloof ik. Daar gingen ze weer. Mijn bezoek. Toen heeft hij mijn deur in het slot gedraaid. Dat dacht ik toch. Ik hoorde daarna hun voetstappen op het tuinpad. Eerst duidelijk en later steeds zachter. Tenslotte alleen nog wat slepend gebonk in mijn borst. Weer in de woonkamer zag ik door het raam hoe mijn lange zoon zich midden op het trottoir nog een keer naar me toe wendde. Hij zwaaide. Nu realiseer ik me opeens dat hij dat altijd doet. Een beetje gênant vind ik dat; zo’n grote vent die in het openbaar staat te wuiven. Met mijn hand maakte ik een paar keer zo’n gebaar dat hij door moest lopen. Dat deed hij en toen keek ik hen beiden nog na, zo ver als ik kon. Ze hebben niet meer omgekeken. Nu merk ik pas hoe dof mijn hoofd voelt. Van het praten zeker. Dat denk ik. Het liefst zou ik even de uitgebloeide bloemen van de geranium die vermiljoenrood tegen het tuinhek bloeit, uitdraaien. En de graspolletjes, die tussen de tegels van het tuinpad tevoorschijn komen, met een oud mes wegsnijden. Even ruiken aan de kamperfoelie. Voorzichtig hang ik de vitrage weer in de plooi en loop de hal in. Aan de staande kapstok hangt alleen mijn winterjas. Het is een donkerblauwe mantel die ik al jaren heb. Mijn lichtbruine juchtleren tasje hangt over de jas en mijn suède schoenen staan er, op de mat, netjes onder. Ik knik maar eens naar die bekende vrouw. We lachen wat. ‘Zeker erg warm nu met die dikke jas? Mag ik misschien even in uw jaszak voelen?’, vraag ik. Met mijn handen zoek ik beide jaszakken af. De voering van de rechterjaszak is gescheurd. ‘Waarschijnlijk hebben ze ook mijn sleutel meegenomen’, deel ik de vrouw zonder hoofd mee. In de zakken vind ik geen sleutel en in het tasje tref ik alleen een pakje papieren zakdoekjes, een rode, kleine portefeuille en een tube handcrème. De tube draai ik open, ik vet mijn handen in en snuit met een zakdoekje mijn droge neus. Dan verfrommel ik het zakdoekje tot een prop die ik in de palm van mijn hand bewaar. Als ik me omdraai zie ik in de hal de zwarte canvastas met boodschappen. Die lange man heeft hem daar neergezet en is achteruit gelopen. Zelf heb ik ook wat stappen teruggedaan. De tas was tussen ons in. Ja, die twee komen wel vaker weet ik weer. De tas staat dan altijd op deze plek. Hier midden in de hal op de bruine, versleten Jabo vloerbedekking. De blonde vrouw blijft buiten op het tuinpad staan. Door de open deur kan ik haar dan zien. Lief gezichtje heeft ze,
Ik weet niet of ik de tas al mag aanraken. Deze dagen moet je de dingen eerst laten versterven. Nog even niet aankomen dan maar. Altijd het zekere voor het onzekere. Ze hebben ook bloemen voor me meegenomen. Het is elke dag Moederdag denken ze zeker. Daar bof ik dan toch maar mee. Lange rozen. Die heb ik op het aanrecht gelegd. Met een rieten koffertje stond ik in de kamer van de grote boerderij in Drenthe. De donkere kamer waar het altijd schoon was en stil, op het heien van de staartklok na. ‘Dan ga ik maar’, zoiets heb ik gezegd. Precies weet ik het natuurlijk niet meer. Vader keek niet op van de krant en mijn moeder keek stil naar het bosje rozen dat ik haar had gegeven. ‘Het is elke dag Moederdag’, zei ik altijd als ik bloemen voor haar meenam. ‘Zonde van je geld’, zei vader dan. Er werd niet gezwaaid. Met de trein reisde ik naar Den Haag. De lucht was blauw en weids. Het genot om met volle teugen te ademen. Voor het eerst weg van huis. De oudere dame die de hele reis tegenover me zat had me opgenomen met verbaasde blik. Ze moet gevoeld hebben dat ik bijna uit elkaar spatte van leven. Van lust. Op het Hollands Spoor werd ik opgewacht door de drie blonde kleintjes met hun grote nieuwsgierige ogen en hun jonge trotse ouders. Lieve mensen waren het. Mijn meneer en mevrouw. Toen ik na vier jaar terugkeerde op de boerderij zat vader de krant te lezen. Hij keek niet op en zei alleen ‘Die vuile smeerlap. En jij ook.’ Mijn moeder keek me niet aan, nam het koffertje van me over en vroeg heel zacht hoever ik was. Daarna wees ze met haar hoofd naar de valies, of daar soms nog wasgoed in zat. De staartklok sloeg elk half uur een uitroepteken gedurende de maandenlange stilte die volgde. In mijn kamer heeft nooit meer een klok gestaan. Lang kon ik de tijd raden. Bijna altijd tot op de minuut nauwkeurig. ‘Jij hebt geen horloge nodig’, zeiden de mensen, jij weet altijd hoe laat het is.’ Nu is dat anders en dwaal ik er doorheen. Ook door de taal die meer en meer enkel uit kleur en vorm bestaat. Laatste at ik van die bruine, ronde dingetjes. Uit een blik. in de keuken liggen van die gele zachte vierkantjes voor de pannen en ik was me met dat geurige roze spul. Soms komen de woorden zomaar, zonder moeite. Als we zingen bijvoorbeeld. De blonde vrouw, die even geleden hier buiten stond, heeft een mooie stem. De mijne is zachter geworden maar nog wel zuiver. Soms zingen we samen Winterreisse en het is wonderlijk dat de woorden zo glanzend en onbeschadigd mijn mond verlaten. ‘Wenn mein Herz im Busen spricht, Sing’ ich hell und munter.’
Terug in de kamer zie ik op de bank een zalmkleurige jas. Dat lijkt mijn zomerjas wel. Wonderlijk hoe die hier zo slordig is neergeworpen. Ik ben juist zuinig op mijn spullen. Wat een prachtige jas is dat zeg. Ik ben dol op die kleur. Vanaf het punt waar ik sta zie ik mijn sleutelbos door de zachte stof van de jaszak heen. Hoe kon ik nu toch denken dat ze me zouden hebben opgesloten? Laat ze het maar niet horen De witte prop uit mijn hand stop ik in de jaszak en de sleutelbos haal ik eruit. Voor wat hoort wat. Dan pak ik een emmer uit het keukenkastje en open de buitendeur. Op het tuinpad draai ik me om en wuif naar de blauwe wintervrouw in de hal. Zoals mijn zoon dat eerder naar mij deed. Met een paar stappen ben ik bij het hek. De uitgebloeide bloemen van de geraniums lijken wel zwart en verpulveren knisperend tussen mijn vingers.