Categorieën
Fictie

Moeder

Moeder

Het alarmklokje wees 05:00u aan. Slapen ging niet meer. Zijn hoofd barstte bijna uit elkaar. Met een zucht gooide Louis zijn benen over de bedrand. In het donker kon hij zijn vrouw zien. Haar ademhaling was rustig en gestaag. Louis reikte naar zijn bril en stapte in zijn pantoffels. Hij liep op zijn tenen naar beneden. De hond begroette hem vrolijk. Louis liep hem voorbij en pakte een glas uit de kast. Hij bukte zich en greep naar een fles achter de gebloemde fauteuil. Hij schonk zichzelf een royale hoeveelheid in en nam de eerste slok. De amberkleurige vloeistof gleed met gemak zijn keel in. Louis sloot zijn ogen en genoot van de nasmaak.

Het was donker in huis. De vage omtrekken van de meubels speelden met zijn verbeelding. De buitenwereld prikte door de gordijnen heen en zorgde voor een schaduwspel op de wand. Het reflecteerde zijn gevoel. De kloppende hoofdpijn en de oneindige knoop in zijn maag versterkte. Louis schonk zijn glas weer vol en bleef voor zich uitstaren terwijl hij af en toe een slok nam. Nog een paar uur en dan was het zover. De herinneringenstroom wilde maar niet stoppen. Ze trokken aan hem; hard en dwongen hem beelden te zien die hij niet wilde. Die beelden zette hem aan tot denken, terwijl hij nog zo had besloten dat zij géén enkele gedachte meer waard was.

De verjaardag van zijn zusje. Ze was drie geworden. Hij was twaalf. Enkele ooms en tantes waren op visite. Iedereen zat keurig in een kringetje en nipte van zijn koffie. Zijn stiefvader was druk in de weer en deelde gebak uit. Moeder zat op haar krent. Ze droeg een groen gebloemde jurk met een riem om haar middel, die haar mollige figuur alleen maar benadrukte. Ze streelde afwezig door het haar van haar dochter en praatte ondertussen met tante To. Over hoe gezegend ze was geweest met een meisje. De toon van het gesprek veranderde. Hij zat onderuitgezakt op een stoel, armen over elkaar. Hij wist wat er zou komen.

‘Louis daarentegen, was een klein scharminkel toen hij werd geboren. Ik moest niet van hem hebben. Ik weet nog goed hoe het voelde toen ze zeiden dat het een jongen was.’ Hij zag haar zijdelings naar hem kijken. Door het ronde brilletje zag hij haar blik. Ze daagde hem uit, wilde een reactie ontlokken. Met één haal van zijn voet veegde hij het bordje met gebak van tafel. Een uitbrander volgde, woorden die hem vertelden waarom hij niet deugde. Zijn hart klopte als een bezetene, zijn oren suisden en hij schreeuwde. Hij schreeuwde zo hard dat zijn keel zeer begon te doen.

Iedere verjaardag of familiebijeenkomst herhaalde ze die woorden. Familieleden waren het gewend, knikten wat en wierpen hem een medelijdende blik toe. Hij bouwde een muur, zodat haar woorden zich niet meer in zijn hoofd en zijn hart boorden, maar verdwenen in de leegte. Het rotjong wat hij was, had zij gecreëerd. Vermoeid nam Louis nog een slok en schudde zijn hoofd om de herinnering van zijn netvlies te bannen. Moeder maakte hem altijd tot de zondebok. Van het breken tot het ontbreken van dingen. Wanneer zijn zusje huilde, wanneer de melk uit het pannetje overkookte of wanneer hij zijn eigen keuzes maakte. Of toen die ene keer dat ze ruzie had gemaakt in zijn eerste huis en bijna twee jaar niet tegen hem had gepraat.

‘Kijk dan toch, dat kun je mooi gebruiken! Dan hoef je niets nieuws te kopen.’

‘Nou moeder, die rotzooi hoef ik niet in mijn huis. Het gaat eruit.’

Haar borst zwol op, maar ze hield zich nog in. ‘Dat is zonde. Je moet het gebruiken.’

‘Ik gebruik die rotzooi niet. Ik koop wel iets nieuws van mijn eigen zuurverdiende centen.’

‘Van dat geld kun je andere dingen kopen.’ Haar ogen schoten vuur. Ze maakte zich groot en stond recht voor hem met haar handen in haar zij. Zijn stiefvader bleef achter haar staan, handen achter zijn rug gevouwen en deed alsof hij de muren van het huis bestudeerde. Louis bukte zich voorover en haalde het oude tapijtje met één ruk van de keukenvloer. Demonstratief rolde hij het op en mikte het in de vuilnisbak. Hij daagde haar uit om er iets van te zeggen.

‘Hoe kun je? Hoe durf je het zomaar weg te gooien?’

‘Het is mijn huis en ik maak hier de beslissingen.’‘Ik praat nooit meer met je verwend rotjoch. Je komt je excuses maar aanbieden.’ Haar gezicht was vuurrood. Weer die blik van minachting, afkeer. Ze draaide zich resoluut om, greep haar jas en liep zonder iets te zeggen de deur uit. Zijn stiefvader ging op een holletje achter haar aan.

‘Op dat excuus kun je lang wachten!’ Met een klap werd de deur dichtgesmeten. Louis voelde de razernij door zijn lijf gieren. Met een brul trapte hij de vuilnisbak naar de andere kant van de kamer.

Louis hikte van het lachen. Een tapijtje. Ze was boos geworden om een tapijtje. Eenmaal uit huis was hij beter af zonder moeder en deed haar mening hem steeds minder. Voor een derde keer vulde hij zijn glas bij. Hij voelde zich warm van binnen en zakte onderuit op zijn stoel. Die vrouw zou honderden geheimen meenemen in haar graf en hij had er geen ontrafeld. Het pijnlijkste geheim was zijn vader. Zijn dappere vader, overleden tijdens de oorlog. Moeder had een klein wit doosje met spullen van zijn vader die ze jarenlang onder haar bed hield. Hij mocht er niet in kijken. Hij mocht geen vragen stellen. Het lag allemaal in het verleden en daarmee was de kous af. Het op een ander moment proberen had geen effect. Louis pakte het witte envelopje van het bijzettafeltje. Foto’s van zijn vader. Een lange man met donker krullend haar en een grote lach op zijn gezicht. Op één foto hield hij zijn lachende moeder vast. Hij kon zich niet heugen dat hij moeder ooit had zien lachen. Met een hol gevoel in zijn maag bleef hij naar de foto kijken. Twee vreemdelingen. Mensen die hij nooit zou kennen en ook niet meer kon leren kennen. Ze waren verloren gegaan, net als hij. Hij klokte nog een glas achterover en staarde wazig naar de foto totdat hij zich in een toestand tussen waken en slapen bevond. Beelden schoten razendsnel aan hem voorbij. Moeder die met een pannetje soep achter vader aanrende toen hij werd meegenomen, de foto’s, de kwellingen..

Met een schok werd hij wakker. Zijn vrouw stond voor hem en praatte tegen hem. Louis wreef in zijn ogen. Het kostte moeite om te focussen. Vaag was hij zich ervan bewust dat zijn fles drank en glas weg waren.

‘Hoor je me wel?’

‘Ja, sorry. Ik was in slaap gevallen.’

‘We moeten zo gaan. Je zus is al onderweg.’Moeizaam stond Louis op. Hij had de foto nog steeds in zijn linkerhand. Hij gooide het op tafel en liep naar de keuken.

‘Gaat het? Je mag best je verdriet uiten. Ze was tenslotte je moeder.’

Louis draaide zich om.

  ‘Ik kan er geen traan om laten. Zijn de kinderen zich al aan het klaarmaken?’

Zijn vrouw knikte en liep hem voorbij, de trap op. Het was tijd om afscheid te nemen. Het verleden moest hij laten rusten, zoals moeder altijd zei.