Categorieën
Fictie

Moeder en ik

Moeder en ik.

Het keukenraam staat wijdopen, de vanillegeur sliert naar buiten, fleurt de buren op, de wijk, de hemel. Ze snijdt een klontje boter met een koffielepel, ploft het in de zware pan, amper gesmolten en een pollepel deeg erbij terwijl ze het geschut in rondjes zwiert. Ik bekijk haar rechte rug. Sterke schouders. Zilverlijnen door een ravenzwarte knot. ,,Kijk,” herhaalt ze. Ik wacht. Geduld is mijn voornaam. De pannenkoek tuimelt metershoog en belandt in de pan, terug op de blauwe vlam. Het deeg in de glazen kom slinkt, en de stapel vergroot in de lengte. Een lepelschep boter, deeg, pirouette, klap van de pan. Eindelijk draait ze zich om en zoekt mijn ogen.
,,In de buik van iedere vrouw heb je van die eitjes… En bij de mannen ook trouwens. Zoiets… Alleen noemen ze anders. Zaadcellen…” Ik knik alsof ik het begrijp. Ergens diep in die platte buik van mijn zus zijn de eieren aan het werk gegaan. Mijn maag gromt verlegen. Een gemuilkorfd monster. Op tafel wacht de fles appelstroop met het deksel open. Ze gooit op, spatelt de rand van de kom schoon, schuift Zijne Zalige Deegheid op de stapel. Het aroma prikt me in de neus en het water loopt me in de mond. Ik schraap mijn keel : ,,En nu ?” Ze herhaalt het proces en even later floept het blauwe vuur uit. Ze neemt plaats tegenover mij, tussen ons in; de afgedekte schaal. Het deksel wordt gelicht ; ze rolt behendig een lapje tot een worst, ontrolt het vlug op mijn bord, plaatst het deksel op de hoop. Een zacht, warm tapijt, donkerbruine wirwarstrepen, zoet in mijn mond.
,,Wel, eh, dat eitje dus en de zaadcel komen dan samen en dat wordt dan een baby. Eerst een klonter natuurlijk. Dan een klompje vlees. En zo rond de vierde maand blaast God er de geest in…”. Ik knik. Staar naar mijn bijna leeg bord. Snijd en prik de pannenkoek aan mijn vork. ,,…dan kan de moeder het kindje ook voelen…” Ze kijkt me doordringend aan. ,,Begrijp je ?” ,,Hmm…” Praten met volle mond is ten strengste verboden. Ik slik een genotsbom weg en blijf half verzadigd achter mijn bord. Mijn handen knijpen in het bestek. Mijn moeder maakt geen aanstalten om mijn leeg bord aan te vullen en dus vraag ik : ,,En dan?” Mijn ogen priemen het deksel open. Ze fronst even, belegt me dan eindelijk een pannenkoek, in zigzaglijntjes deze keer en vervolgt: ,,Ja dan wordt het babytje geboren, na negen volle maanden. Zo worden wij dus geboren. “ Ze slaat haar handen ineen en gaapt me aan. Ik geniet, sidder, smelt. Mijn mond is leeg en mijn bord gauw ook. ,,Maar hoe komen ze dan samen?” Mijn moeder verzet zich, kucht en trekt een wenkbrauw op die haar voorhoofd verandert in een poel van ravijnen. Ze staart in de verte . Elke hap, doordrenkt van zoet en kleverigheid is een genot. Goddelijkheid op mijn tong. ,,Kijk”, herhaalt ze maar ik ben afgeleid door het feestje in mijn mond en wil nog niet naar huis. Na een eeuwigheid zegt ze weer;”kijk.” Ze verschuift het zout – en peperstel. Veert recht en neemt een glas van het druiprek. ,,Als een meisje en een jongen verliefd zijn, slapen ze samen en zo … komen de cellen bijeen…” Ik knik nogmaals. Mijn hoofd lijkt wel aan een elastiekje te hangen vandaag. ,,Maar wat als je alleen wil slapen?”

Ik kan me met de beste wil niet voorstellen wat mijn zus leuk vindt aan dicht tegen haar sprieteringe vriend aanslapen. Hij lummelt de godganse dag om haar heen en heeft me ‘Kleintante’ gedoopt. Zijn rosse kuif, staalhard van de gel, wijst als een omgekeerd vraagteken naar boven. Volgens mijn vader is hij de nagel aan zijn doodskist. Ik betrapte hem erop dat hij met diezelfde nagel de inhoud van zijn neus heimelijk aan de wastafel afveegde, in de badkamer. Daarna pulkte hij verder aan de rode pukkel op zijn voorhoofd. Ik probeer zoveel en zover mogelijk uit zijn buurt te blijven. Maar sinds de blije verwachting is hij hier met geen stokken weg te slaan. Mijn moeder herneemt haar rolwerk. Haar wangen kleuren zachtroze. ,,Ja, ja, dat kan ook natuurlijk. Ik bedoel… Als je verliefd bent wil je steeds heel dicht bij elkaar zijn. Er spelen ook allerlei gevoelens mee uiteraard… “ Ze neemt de fles appelstroop en steekt de hals in het glaasje ,,De jongen verlangt dan om diep in zijn vriendin te zijn en eh… steekt zijn geslacht dan in het gaatje van het meisje…” Ze knijpt in de fles en een stroom bruin vocht schiet de opening uit. ,,… dan komen de zaad- en eicel bijeen en dat wordt dan uiteindelijk een baby.”

De woorden rijgen zich aaneen en dringen mijn gehoorgang binnen. Mijn moeder sluit de fles stroop en schuift het netjes naast het besmeurde glas. Achter haar doemt een vaag beeld op dat langzamerhand inkleurt en vaste vorm aanneemt. De massa in mijn mond transformeert in een weerzinwekkende brij. Met moeite probeer ik het door te slikken. Er is geen beweging in te krijgen. Ik rochel, steek mijn tong uit. Rochel. Neem de kleur over van een overrijpe tomaat. Verander geleidelijk in een aubergine. Mijn moeder schiet wakker uit haar gepeins en slaakt een kreet. Razendsnel beent ze,rond de brede eiken tafel heen en grijpt me bij de schouders. Ze duwt mijn hoofd bijna in het lege bord en uitzinnig van angst mept ze me terug de wereld in. Een donkerbruine brol schiet uit mijn mond en kwakt tegen het zoutvaatje, dat omvalt. Spetters bedekken het tafelkleed. Ze wrijft me over mijn rug. “Gaat het? ……Verdomme, je liet me schrikken!” Ik hoest iets los dat ik per ongeluk inslik. Ze schenkt me een glas water in, haar handen trillen en maant me aan rustig te drinken. “Rustig”, zegt ze nogmaals. Ik klok de zuivere vloeistof gestaag naar binnen. In mijn gezichtsveld valt de prop langzaam uiteen; twee kleverige klonters, geel en bruin. Een ei- en een zaadcel.