Categorieën
Fictie

Mijn opa mijn opa mijn opa

Mijn opa mijn opa mijn opa.

Lopend door de supermarkt onderweg van de fruitafdeling naar het broodbeleg flitst ineens een beeld door mijn hoofd: Mijn opa. Liggend in zijn bed. Dood.
Ik haal mijn telefoon uit mijn jaszak. Het scherm licht op. 15:05. Welke dag is het? Dinsdag… Dan wordt nu het vuilnis opgehaald in zijn straat.
Ik ruik de geur van de vuilniswagen waarvan de achterkant altijd open staat als een opengesperde mond met zeer slechte adem.

Het beeld van mijn opa wordt scherper.
Hij ligt op zijn rug. Ogen dicht. Gezicht naar rechts gedraaid. Mond een beetje open.

Er trekt een rilling van mijn heupen naar mijn hoofd.
Ik probeer aan andere dingen te denken: de helft van de appeltaart die ik gisteren heb gebakken en nu bedekt met aluminiumfolie op het aanrecht staat, het gezicht van Gijs Groenteman, mijn gloednieuwe schoenen onderaan de trap, maar het helpt niet. Mijn dode opa dringt zich aan mij op. “Godver”, fluister ik. Mijn kaken spannen zich aan. Alsof iets in mij zich schrap zet.

Zoekend naar afleiding kijk ik naar de artikelen in het schap naast me: wraps, tortilla chips, glazen potjes gevuld met rode en groene sauzen. Op de etiketten staan lachende rode pepertjes. Ze dragen hoedjes en hebben, God-weet-waarom, handjes en voetjes. De pepertjes dansten op het ritme van niet bestaande muziek. Belachelijk. Ik bedenk me dat mijn opa waarschijnlijk nooit iets Mexicaans heeft gegeten. Italiaans ook niet… Het meest ‘exotische’ wat hij ooit tot zich heeft genomen is de kipkerrie salade van slagerij De Koning.

Maagzuur komt op. Scherpe zurigheid verspreid zich door mijn mond. Even denk ik erover om het hier ter plekke uit te spugen. Dan ben ik er vanaf… Maar beter van niet. Dan gaan mensen vragen stellen.

Ik moet weg.

Gewoon de kar voortduwen richting de kassa. Betalen. Bedanken voor de bon en zegeltjes. Mijn gekochte troep in een tas gooien en de winkel verlaten, dat is wat ik moet doen. Maar ik krijg geen beweging in mijn lijf. Ondertussen kleurt mijn opa steeds grijzer. De dood eet hem langzaam op en is begonnen met zijn kleur. Al het roze is al bijna verteerd.

Ik weet zeker dat mijn opa zich niet tegen de dood heeft verzet (zoals hij dat ook nooit tegen de Duitsers had gedaan). De laatste jaren, wanneer iemand hem vroeg hoe het ging, was zijn antwoord: “Slecht. Ik leef nog”. Hij leek steeds meer last van angsten te krijgen en kwam amper nog buiten. Alleen in zijn eigen huis voelde hij zich veilig. Zijn hele leven lang was hij voor verschillende dingen bang geweest. Vliegtuigen, honden, rode muren, piepende schoenzolen, dode planten… en misschien waren het deze angsten die hem tot waanzin dreven want soms was hij ronduit gestoord. Dan zag hij ineens ratten lopen over het plafond. Of hij dacht dat ‘ie een kapitein was. Hele dagen stond hij dan, in badjas, achter zijn roer. Dat in werkelijkheid een bureaustoel was. Met de gordijnen dicht keek hij uren uit over zee. Sigaret in zijn mondhoek. Hij rookte altijd al veel maar in die periodes waren de pakjes Drum niet aan te slepen. De ene peuk na andere stak hij aan terwijl hij maar bleef zeggen, “moedertje moedertje geef me toch eens een sigaretje”.
Soms kocht hij spullen. Veel spullen. Toiletbrillen, ladingen onkruidverdelger, matrassen, kasten, vazen, koffiezetapparaten, fietsen, schoenen, fotolijstjes, bloempotten, radio’s, bloembollen, vensterbanken en stapels blaadjes met blote vrouwen….

Ik probeerde zoveel mogelijk uit zijn buurt te blijven wanneer hij weer, zoals mijn moeder het noemde, ‘van het padje was.’ Vaak lukte dat. Soms niet.

Tijdens een van onze wekelijkse bezoekjes samen met mijn ouders en broer, bleef hij maar vragen ‘of ik even lekker bij hem kwam zitten’. Ik schudde mijn hoofd en schoof steeds dichter naar mijn moeder toe. Op een gegeven moment, vooral om van zijn gezeur af te zijn, zette mijn oma mij, in een snelle beweging, toch bij hem op schoot. Alsof ze een lolly aan een jengelend kind gaf. Onderweg naar de keuken om koffie te zetten tilde ze me op en hoppaaa daar zat ik. Ze zette mij daar neer met dezelfde alledaagse achteloosheid waarmee ze haar neus afveegde, een toilet doorspoelde of haar veters strikte.

Zijn magere schoot. Harde bovenbenen. Knokige knieën bedekt met een goedkope synthetische stof. En terwijl ik daar zat groeide er iets bij hem. Iets dat gezien maar vooral aangeraakt wilde worden. Ik voelde zijn ademhaling in mijn nek. In en uit in en uit in en uit. Zijn vingers met bruine nagels van de nicotine omklemden mijn knieën. Trouwring. Hij zocht grip. Trok mij tegen zich aan. Ik voelde hem door mijn maillot heen. Hij bewoog mij zachtjes van voor naar achteren. “Ja zo ja. Zo zit je fijn”, fluisterde hij. Ik schudde mijn hoofd en keek naar mijn moeder die met mijn oma sprak over haar zojuist aangeschafte bladblazer. Tussen het praten door nam ze kleine slokjes van hete koffie. Ik probeerde haar blik te vangen. Toen ze me eindelijk aan keek, zuchtte ze. “Eva toch, thuis ben je altijd zo druk, ik word er helemaal krankjorum van, en bij anderen doe je alsof je heel lief en verlegen bent”. Toen ik aanstalten maakte om te gaan praten (of eigenlijk te schreeuwen) keek ze me streng aan. Ze tuitte haar lippen, schudde haar hoofd en zei met een hoog stemmetje “tut tut tut tut”. Haar manier om te zeggen dat ze geen tegenspraak duldde. Zij bepaalde wanneer ik sprak of zweeg. Mijn wangen kleurden rood. Hitte hitte hitte. Ik werd misselijk. Waarom rook het toch altijd naar rollade bij opa en oma? Ik beet op de binnenkant van mijn wang en keek naar mijn vader en broer die aan de eettafel zaten. Ze kaarten. Mijn broer lachte en sloeg zijn hand voor z’n ogen, zoals hij vaker deed wanneer hij iets grappig vond. Domme sukkel. Waarom hoefde hij nooit op schoot te zitten?

Ik sloot mijn ogen en probeerde, zittend op die schoot, alles wat mooi was, klein te maken. Alles moest zich als een egel oprollen zodat alleen de stekels nog zichtbaar zouden zijn. Al mijn vriendinnen. De speeltuin met de gele glijbaan. God, die in die speeltuin woonde en er uitzag als de blauwe geest uit Aladdin, de conciërge op school met zijn lange dunne grijze paardenstaart en lieve bruine ogen, mijn juf, de buurman die liedjes zong in zijn schuur en die ik in de zomer door het openstaande slaapkamerraam kon horen, mijn hond Prins ook al had hij soms valse buien waarin hij mij beet, de bomen tegenover mijn huis, het gras daaronder, de sloot daarachter, de wolken, mijn fiets die soms ook een paard was, het gouden haantje op kerktoren aan het einde van de straat, alles rolde zich veilig in mij op.

Alleen mijn lichaam bleef over. Een omhulsel met een moedervlek op de linkerschouder, een klein litteken op de rechterwang, meestal twee staartjes in het haar. Soms gel. En hier een daar een gapend gat in een gebit dat snel gevuld zou worden met een grote mensen tand. Gewoon een lichaam op een schoot van een oude man. Meer niet.

“Hallo! Joehoe! Mag ik er even langs?” Een stem van iemand die duidelijk geïrriteerd is, wordt steeds luider. Alsof de volumeknop van de wereld op mijn heen langzaam aangedraaid wordt. Ik merk nu dat ik aan het staren was en haal een diepe teug adem alsof ik lang onder water ben geweest. Ik knipper met m’n ogen en kijk om me heen. TL. Licht. Zwaaiende hamsters op blauwe borden… wraps, tortilla chips. Achter mij staat een oude man. Hij heeft blijkbaar al meerdere malen gevraagd of hij er langs mocht en ik heb volgens hem ‘nog geen vin vervoerd’. Ik maak ruimte zodat hij er langs kan en knik met mijn hoofd als teken van excuses. De man schuifelt voorbij. Tegenover me staat een vrouw gebukt voor het schap. Voorin de winkelwagen zit een meisje van een jaar of drie.

Mijn telefoon gaat.

Ik weet dat dit mijn moeder is die mij gaat vertellen dat opa net overleden is. Ik zal haar dan zeggen dat ik dat al wist en zij zal vragen hoe dat kan. Daar zal ik niet op kunnen antwoorden omdat ik geen idee heb hoe dat kan.
Ineens slaakt het meisje een harde langdurige gil. Haar moeder laat een een pot appelmoes uit haar handen vallen. Glas en moes spatten meters ver over de grond. Ze springt naar achteren en kijkt verschrikt naar haar dochter. Het meisje lacht.

Mijn telefoon gaat nog steeds over…en ik besluit niet op te nemen.