Categorieën
Fictie

Mijn asperge hoofd

Ik houd van stofzuigen, vanochtend deed ik het nog. Ik had alle korreltjes Verkade biscuit van de bank gezogen. Het waren Knappertjes, die kruimelen het meest. Ook had ik de pluisjes van de kniekousen van Emily opgezogen.
Nu sta ik hier in het maïsveld van mijn ouders. Het maïsveld is ook van mij en Emily, maar meer van mijn ouders.
De pluimen van de planten rieken boven me uit, de punten raken net de bovenkant van mijn hoofd als ze worden gebogen door de wind. Het kietelen van mijn kruin lukt ze maar net, dat komt omdat ik naar beneden kijk. Eerst had ik naar mijn voeten gekeken, nu kijk ik naar de hare. Aan mijn voeten liggen haar voeten, de rest van haar lichaam ligt verspreid in een straal van drie meter. De lichtgroene stelen maïs – die geknakt zijn door haar lijf – zijn rood gekleurd. Ik durf niet nóg eens naar haar hoofd te kijken, dat heb ik net al gezien. Het is van haar romp afgerukt. Het bloed loopt er nog steeds uit, met hetzelfde tempo als het water uit de waterval Gullfos, die onstuimige. Haar schedel is gemolesteerd, er is werkelijk niets meer van over. Haar amandel kleurige ogen, die eens zo mooi waren, zijn nu tot pap gebreid. De prut van haar ogen is besmeurd over haar gezicht en vult de gapende wonden in haar wangen.
‘Zie je nou wat je hebt gedaan, idioot,’ zegt Emily.
Mijn zus noemt me altijd een idioot, ik zeg dan niets terug.
Haar voeten wijzen in de richting van de alleen gelegen romp. ‘En nu moet ik haar zeker wegmaken, zodat niemand haar vindt?’
In een rechte lijn til ik mijn hoofd op en draai ik het een kwartslag naar haar toe.
‘Ik weet niet…’
‘Natuurlijk weet je het niet meer. Dat is altijd hè, als meneer iets gedaan heeft weet ‘ie het ineens niet meer,’ zegt Emily.
Ze bindt haar lange haar dat over haar billen valt, in een strakke staart. Alles wat ik me kan herinneren is dat ik heb gestofzuigd, en daarna stond ik hier. Daartussen is het zwart. Het lijkt alsof ik me in één beweging van ons huisje verderop naar hier in het maïsveld heb verplaatst. Het is zeker zo’n drie minuten wandelen, vandaar dat ik het niet snap. En voordat ik wegga moet ik ook nog altijd kijken of alle ramen en deuren wel dichtzitten, en controleren of het gasfornuis uit is. Minstens drie keer, ook als papa en mama er zijn. Dat kan ik me ook niet meer herinneren. Ik buig mijn arm naar een hoek van negentig graden.
‘Hou op met je stomme robotgedoe,’ zegt Emily.
‘Moeten we de politie niet bellen?’ vraag ik.
‘Dat zeg je goed, níét bellen, sukkel.’
Emily loopt in een cirkel om het lijf heen en knielt dan naast de losliggende linkerarm. ‘We moeten dit lijk weghalen, en je gaat helpen met die asperge in je hoofd.’
Mijn asperge hoofd, dat zegt Emily als ze me zat is. Ze bedoelt natuurlijk Asperger, zoals ze wel vaker dingen anders zegt dan dat ze bedoelt. Zo is ze gewoon. Laatst had ze het er een keer over dat ze me altijd onder haar hoede moet nemen. Dat loog ze, ze had helemaal geen hoeden bij zich.
‘Asperge hoofd! Hoe oud ben je nou? Kom helpen!’
‘Wat gaan we…’
Emily staat op en kijkt me aan. Ze is boos denk ik. Ik weet het niet zeker, maar zo keek ze ook toen ik laatst haar ring per ongeluk had opgezogen met mijn lievelingsstofzuiger, die rode met dat gezichtje. Toen zei mama dat Emily boos was, dat zag ze aan haar gefronste wenkbrauwen en neerhangende mondhoeken. Ze doet het dit keer weer.
‘Ik wil een kunstwerk van haar maken, Frank. Nu je haar supermooie lichaam kapot hebt gereden met je stomme grasmaaierauto, kunnen we haar body net zo goed laten zegevieren.’
Ze kijkt nu anders, niet meer boos. Haar blik doet me denken aan Tuk, onze wolfshond, zij keek hetzelfde.
‘Ik kan haar huid er eerst afschrapen…’
‘Villen,’ verbeter ik haar.
Ze rolt met haar ogen. ‘Oké villen, en dan maak ik van haar huid een vissengraatvlecht op een houten bord ofzo. Ja! En dan snijd ik er een mooie vorm uit, misschien een hart. Wist je dat er nog nooit een kunstwerk van een levend wezen is gemaakt?’
Volgens mij wel, antwoord ik in mijn hoofd. Ik denk aan Tuk, en opeens moet ik huilen. Tuk was mijn beste vriend, hij was er altijd voor me. ‘En dan, als ze verrot is, kunnen we mest van haar maken.’
Emily staat op en aait me over mijn schouder. Ik ruk me los, ze weet dat ik niet van knuffelen houd. ‘Het is echt heel erg wat hier is gebeurd, maar ik doe dit voor jou he. Ik wil niet dat je in de gevangenis komt, daar is het voor mannen als jij erg moeilijk.’
‘Ik wil echt niet dat je een kunstwerk van haar maakt,’ zeg ik.
Emily doet de kunstopleiding, beeldende kunsten. Eigenlijk zit ze altijd op haar kamer, ik weet niet precies wat ze maakt.
Ze kijkt me weer aan als Tuk. Niet zoals wanneer ik met hem speelde of als ik hem aaide, maar als hij joeg.
‘Luister,’ ze pakt me bij mijn schouder.
Waarom doet ze nou zo raar tegen me? Emily is raar, maar sinds we in dit veld staan is het anders. Ik weet niet welk gevoel ik ervan krijg, ik weet namelijk niets van gevoelens. Behalve dan dat ik heb geleerd dat ik blij ben als ik een broodje met pindakaas én jam eet. Ja, want dan sta ik te springen en te dansen door de kamer en dan lach ik. Op een dag was mama – toen ik me blij voelde – met me voor de spiegel gaan staan. Ze zei dat het er precies zo uitziet als iemand zich blij voelt. Maar nu ligt mama hier. Nu kan ze nooit meer zeggen hoe ik me voel en hoe dat dan heet. Want ze kan het niet meer zien door haar ogen die zijn uitgehold, ze kan het niet meer zeggen door haar kaken die zijn verbrijzeld, en ze kan me niet meer voor de spiegel zetten doordat haar vingers zijn gebroken.
‘Wij gaan gewoon een kunstwerk van haar maken,’ schreeuwt Emily naar me.
Opeens flitst er een beeld in mijn hoofd voorbij. Het is mijn zus op de grasmaaierauto. Het is een gek beeld, normaal zit ze er namelijk nooit op. Toch lijkt het alsof het net is gebeurd.
Ze heeft me naar zich toegekeerd. Ik voel de spetters van haar speeksel mijn mond raken, zo dichtbij is ze. Ik krimp in elkaar op mijn robotmanier, in schokkerige bewegingen. Ik weet niet welke emotie bij dit gevoel hoort, daar heb ik mama voor nodig. Ik schud nog een keer mijn hoofd, ze moet snappen dat ik het echt niet wil.
Dan laat ze me los, loopt ze naar mama’s hoofd toe en zet haar voet erop. Vervolgens begint ze te trappen. De tranen lopen over mijn wangen, het lijkt maar niet te stoppen. Wat voel ik nou, welke emotie is dit?
‘Dit gebeurt er met jou als je je mond niet houdt en niet meehelpt!’
Ik weet het. Mijn emotie is angst. Eureka! Om mijn middel zit een kleine knop. Mama zei dat ik die alléén mocht indrukken als ik bang ben, echt heel erg bang. Papa en mama hebben allebei een apparaatje waarop ze dat dan zien. Soms doe ik het wel eens als ik een nachtmerrie heb gehad, of als ik verdwaald ben in ons maïsveld.
Ik zie dat Emily een mes in haar hand heeft. Ze kijkt naar mama.
Mama, mama, ik mis je, als hoe je vroeger was. Aan elkaar dus.
Dan komt ze naar me toe. Mijn ademhaling wordt sneller, dat voel ik. Ze kijkt naar de knop waarop ik mijn hand heb laten rusten.
‘Het is te laat!’ schreeuwt ze.
Als Tuk stormt ze op me af. Gelukkig ik heb mijn knop al ingedrukt, want ik ben bang. Achter me hoor ik dat er planten opzij worden geduwd, papa komt eraan. Ik knijp mijn ogen dicht en blijf stokstijf staan. Ik visualiseer hoe hij de maïsplanten uit de weg ruimt om bij me te komen.
‘Emily!’
Daar buldert de mannenstem. Ik zie nog steeds niets.
Een moment later – althans, zo voelt het voor mij – zitten we in de huiskamer. Wij, papa en ik.