Categorieën
Fictie

Mevrouw Yamamura

Het was koud. We hadden net heerlijk ramen gegeten in een restaurant in het centrum van Koorimachi en waren op weg naar huis. Lopend, tussen de huizen door, langs smalle weggetjes. Er was een paar dagen ervoor een dik pak sneeuw gevallen dat hier en daar opgevroren was tot gevaarlijk gladde ribbels. De maan scheen fel, de sterren waren goed te zien. De weg ging over in een pad waar geen auto’s meer konden rijden. Het was stil, we hoorden alleen het gekraak van de sneeuw onder onze voeten. Langs het pad, een meter of tien van de weg, stond een klein, beetje vervallen gebouwtje, dat gemaakt leek van golfplaten. De ramen waren van ondoorzichtig glas. We kwamen er vaak langs. Het leek een schuur, maar er hing een brievenbusje naast de deur, dus hoogstwaarschijnlijk woonde daar iemand.
Die avond zagen we al van ver een fel licht uit het huis komen. Toen we dichterbij kwamen zagen we dat de voordeur open stond. We keken allebei automatisch naar binnen. De genkan, de entree, werd bijna oogverblindend verlicht door een felgele lamp en in de deuropening stond een oud vrouwtje. Ze was zo krom en daardoor zo klein dat ik eerst letterlijk over haar heen had gekeken. Ze had een keukenschort voor en haar dunne grijszwarte haar zat in een knot op haar hoofd. Ze knikte vriendelijk toen ze ons zag. Ik glimlachte terug, terwijl ik bij wijze van groet een korte buiging maakte. Ze boog ook. “Die mevrouw denkt ook, er lopen twee reuzen voorbij!” grapte Martin. We waren ook wel een opzienbarend stel, twee grote Hollanders, in het Japanse stadje waar nauwelijks buitenlanders kwamen. Ik keek nog even achterom. Bij de voordeur, die nog steeds open stond, was niemand meer te zien. Maar in mijn ooghoek zag ik haar kleine, gekromde gedaante staan, in het schijnsel van het licht, midden op de weg. “Ze staat nu achter ons op de weg, ze kijkt ons na..” fluisterde ik. We gingen automatisch wat harder lopen. Toen ik weer omkeek was ze verdwenen.

Het was midden in de nacht toen ik wakker werd van een hard geluid. Het klonk als een felle tik op hout. Ik ging rechtop zitten en luisterde. Het huis waar we in verbleven was helemaal van hout en kraakte regelmatig. Maar dat klonk nooit zo hard en bovendien waren we daar al aan gewend. Ik hoorde verder niks en ging weer liggen. We sliepen in een kamer met tatami (vloermatten) op futon, Japanse matrassen die overdag worden opgeborgen en ’s avonds als bed op de tatami worden gelegd. Niet het meest comfortabele bed, want de futon waren oud en hard. Gelukkig waren er genoeg om te stapelen zodat we niet helemaal het gevoel hadden op de grond te liggen. Het was een authentiek Japans huis, in de jaren ’80 van de vorige eeuw gebouwd en elke ruimte – woonkamer, Japanse tatamikamer, keuken – had zijn eigen oliekachel. Geen overbodige luxe, de winters in het noorden van Japan zijn erg streng. Een uur voordat we gingen slapen zetten we de kachel aan en zodra we naar bed gingen deden we ‘m weer uit. Hij maakte herrie en je weet het maar nooit met die oude kachels. Er hing ook een airconditioning-unit, maar die werkte niet meer. Toen ik weer wilde gaan slapen trok er een koude tocht langs mijn gezicht. De schuifdeur naar de hal was dik genoeg om de ijzige kou tegen te houden, maar waarschijnlijk stond hij toch op een kier. Met een zucht deed ik mijn ogen open en maakte aanstalten om mijn mobiel, die naast de futon op de grond lag, te pakken voor wat licht. Wat is het vreemd donker, dacht ik, en onmiddellijk daarna verstijfde ik. Voor mij, op de tatami, daar zat iemand! Ik knipperde met mijn ogen, er zeker van dat mijn bijziendheid en de donkerte mij voor de gek hielden. Maar ik zag onmiskenbaar de contouren van een persoon die op zijn hurken zat. Mijn adem stokte toen ik het kromme oude vrouwtje herkende. Ze zat gehurkt, op blote voeten, en stak haar hoofd naar voren tot vlak bij mijn gezicht. Haar haren hingen als vlassige strengen om haar bleke gezicht. Ze had haar wenkbrauwen hoog opgetrokken en ik zag het wit in haar opengesperde, priemende ogen. Ik voelde de haren over mijn hele lijf overeind gaan staan, wilde schreeuwen maar er kwam geen geluid. “Kita no hō wa yoku nai yo!” fluisterde ze. Haar blik ging naar boven en weer terug naar mij. “Kita no hō wa yoku nai.” Ik trok het dekbed over me heen en gilde hard “Ga weg!” Martin schrok wakker, sprong op en trok aan het touw van de lamp aan het plafond. “Wat is er?” riep hij verschrikt. Ik keek voorzichtig boven het dekbed uit de verlichte kamer in. Het vrouwtje was weg. De schuifdeur was dicht. Alles zag er gewoon uit. Natuurlijk was het vrouwtje weg. Natuurlijk zag alles er gewoon uit. Ik haalde trillend diep adem. “Ik droomde dat het kromme vrouwtje hier voor me zat..” zei ik. Martin’s ogen werden groot. “Dat is scary inderdaad.” Hij ging op de futon zitten. “Kreeg zowat een hartaanval,” zei hij. “Wat dacht je van mij,” zei ik half huilend, half lachend. Ik ging tegen hem aan zitten en hij sloeg zijn armen om me heen. Mijn hart klopte als een bezetene. “Het was echt heel erg eng, ook heel erg echt…,” zei ik. “Ze zei in het Japans dat het noorden niet goed is, ofzo. Ik kon haar heel goed verstaan. Ik kan niet meer slapen denk ik…” We hielden het licht aan die nacht.

De volgende ochtend bij het ontbijt googelde ik het zinnetje dat het vrouwtje in mijn droom had gezegd. Kita no hō wa yoku nai, het noorden is niet goed. Onmiddellijk kwamen daar resultaten over wat het noorden van een kamer in Japan betekent. Het is een plek die ongeluk brengt, omdat daar de kimon is, de “poort” waar volgens de oude legendes de duivels het huis binnenkomen. Ik las dat Japanse mensen dus ook nooit hun kussen naar het noorden leggen, want dat brengt ongeluk. “In welke richting liggen wij met ons hoofd?” vroeg ik aan Martin, maar het antwoord wist ik al. Het noorden.

“Ben je zo bijgelovig?” vroeg hij toen we die avond de futon een kwartslag gedraaid neerlegden. “Nou ja, ik weet het niet. Ik vind het gewoon raar dat ik dit gedroomd heb,” zei ik, “Het was zo echt..” Onze kussens lagen nu richting het westen en onze voeten naar het oosten. “Nou, laat de duivels maar komen!” grapte Martin toen hij onder zijn dekbed kroop. “Wij liggen veilig…” Hij had het laatste woord nog niet uitgesproken of we hoorden diep ondergronds gerommel dat gepaard ging met een lichte schok. “Aardbeving!” zeiden we tegelijk. We hadden al eerder aardbevingen meegemaakt, elke dag zijn er in heel Japan, meestal kleine, aardbevingen. Het huis begon een beetje te zwaaien en het zwaaien ging over in schudden. Het hout kraakte aan alle kanten en met een oorverdovende klap knalde ineens de oude airconditioning van de muur. Verstijfd zaten we rechtop en keken minutenlang sprakeloos naar het stuk ijzer dat voor onze ogen op de vloer was gevallen. Exact op de plek waar alle avonden ervoor onze kussens hadden gelegen. “Ik geloof dit niet,” verbrak Martin de stilte. Ik tikte hem aan en wees op mijn arm. Overal kippenvel. Zonder iets te zeggen ruimden we de brokstukken op.

Meneer Ono was de beheerder van het huis en onze steun en toeverlaat. Hij liet ons weten als er een evenement was, bracht ons naar de supermarkt als er veel sneeuw lag en regelmatig stond hij voor de deur met een tas met fruit van lokale fruittelers. Nu ging hij er voor zorgen dat de tatami die door de airco beschadigd waren vervangen werden. Hij was enorm geschrokken van het voorval, voelde zich verantwoordelijk en verontschuldigde zich telkens. Het was hem een raadsel hoe het had kunnen gebeuren.
Toen alles was geregeld nodigden we hem uit voor koffie en vertelde ik het verhaal van mijn droom. “We hadden net de futon verplaatst. Ook al was het een droom, de oude dame uit het huisje heeft ons leven gered,” zei ik. “Uit het huisje?” vroeg meneer Ono. Ik vertelde dat we haar eerder die avond hadden gezien. Ik pakte google maps er bij en wees haar huisje aan. “Ze keek ons nog na, midden op de weg,” zei ik. Meneer Ono hield een tijd lang zwijgend zijn ogen gericht op mijn mobiel. “Weten jullie het zeker?” vroeg hij. We knikten beiden. “Dat is het huis van mevrouw Yamamura,” zei hij. “Ze heeft ooit een kind verloren door een kast die omviel tijdens een aardbeving. Het jongetje was op slag dood.” Hij was even stil, keek ons recht aan en zei: ”Mevrouw Yamamura is vorige maand gestorven.”