Categorieën
Fictie

Met ouderdom komt wijsheid

Het beeld bestaat uit donkerbruine slierten die kronkelend door elkaar heen zwerven. Het lijkt net een snelwegknooppunt voor mieren, met groeven en scheuren in het wegdek. De dikte van de slierten bepaalt het aantal banen dat de weg heeft en de lengte reikt naar anders onbereikbare plekken voor de kleine mier.
Een man komt naast me staan. Hij bestudeert het beeld als een kunstcurator en komt dichtbij genoeg om het te kunnen likken. Een beeld is er niet om te likken.
“Steen – juist,” spreekt hij. Ik schud mijn hoofd; het is brons. Ik glimlach naar de man, maar zijn geknepen ogen staan strak op het beeld. Het zijn verloren ogen. Wanhopige ogen.
De warme zon verdiept de groene kleur van het gras en reflecteert kleine glinsteringen in het meer van het parkje.

De snert ontvangt een breekbaar gejoel vanuit de eetzaal. Om me heen druppelt slijm uit de open monden van de oudjes wanneer een bord voor hun neuzen verschijnt. Rummikub en kaartpotjes worden aan de kant geschoven onder protest van de winnende speler, om plaats te maken voor het drabje op een bord. Het smaakt naar nostalgie – daar houden ze van. Mijn tafeltje is, op mij en een woordenboek na, leeg. Het ligt open op de W. Mijn trillende vingers schuiven over de woorden en stoppen bij het woord ‘wijsheid.’
“Het wijs zijn; inzicht en verstand,” mompel ik. “Wat onduidelijk.”
Ik schiet verder door het boek speurend naar de definitie van inzicht en verstand. Inzicht wordt bestempeld als een synoniem van mening of iets vinden, verstand betekent: ‘vermogen tot denken; begrip.’
Een vrouw kucht naast me.
“Gezondheid,” zeg ik netjes.
Zonder waarschuwing duwt ze mijn woordenboek opzij en plaatst een bord op tafel. Zo vlug dat ze gekomen was, vertrekt ze ook weer.
Ik por in de groene drab met mijn lepel. Ik vind de snert te dik, ik denk dat het komt door de hoeveelheid erwten. Ik meen dat de vrouw ziek aan het worden is. Ik denk dat het slim is als ze een arts bezoekt. Ik vind het beeld mooi. Ik denk dat het brons is.
Ik glimlach en scheur voorzichtig de pagina uit het woordenboek.

Zaterdag, leest de krant. Het voelt even goed als een maandag of dinsdag. Ik lees de technologierubriek nogmaals, als inspiratie voor de kruiswoordpuzzel op mijn schoot. Het spreekt over een app dat al je wachtwoorden bewaart, en wordt beveiligd met één wachtwoord. Wat nou als je dat wachtwoord vergeet? Een verlies van toegang tot al je bestanden, gegevens en gebeurtenissen. Afgesloten van al je persoonlijke gegevens. Er knoopt iets op in mijn buik bij die gedachte; een knoop waarvan ik niet wil dat iemand hem ontrafelt.
Er loopt een koppel de hal binnen dat naar een mortuarium ruikt, en er uitziet alsof het hun volgende stop is.
“Dat is ‘m!” Roep ik hardop. Niemand in de zaal lijkt het op te merken. Ik vul het woord mortuarium in bij het cijfer dat leest: Een plek waar gestorven mensen worden geborgd, tien letters. Eén cijfer klaar. Nog achttien te gaan. De puzzel vordert zich snel.

Ik loop naar het park om de hoek. Ik herken de weg, het is een fijne weg. Een meisje – ik schat haar zeven jaar – rent in en uit de poortopening, over een grindpad waar je niet op wilt vallen. De wind brengt de stem van een bezorgde moeder met zich mee. Onbezonnen over het gevaar van de grote stad, rent het meisje door. Een jonge hond blaft aanmoedigend naar het meisje.
Het beeld doet me denken aan een wervelstorm. Alles omver en door elkaar. Het lijkt een waarschuwing voor de kleine populatie dieren dat hier leeft; het einde lijkt neer. Ik vind het een grauwe verbeelding, doch lijkt mijn hart harder te pompen. Het maakt niet uit wat ik vind, als ik maar iets vind.

“Meneer?” vraagt de man hard. Hij is gekleed in een witte lange jas met een naamplaatje eraan bevestigd. De letters zijn onleesbaar klein.
“Wat is de datum van vandaag?”
Het hoekkantoor heeft een uitzicht over mijn park waar – bijna exact middenin het groen en blauw – een grijsbruine vlek in het zwakke zonlicht straalt
“Weet u uw naam?”
“Ties, natuurlijk,” reageer ik vlug, “van Weelen.”
“Mooi … in welke land wonen we?” vraagt de man.
“Nederland.”
“En in welke stad?”
“Utrecht.”
De man schrijft kort wat op in een witte map. Het is een dikke map. Heeft hij zo’n dikke map van iedereen die hier komt?
“Welke dag is het?” vraagt hij, waarna hij me indringend aankijkt.
“Zaterdag of zondag, weekend in ieder geval.” Ik klink vastberaden.
“Hoe laat is het ongeveer?”
Zoekend naar een klok zoemen mijn ogen over de muren. Niks.
“Misschien moet u een klok ophangen … vanwaar al deze vragen?”
De man blijft even stil, alsof hij een belangrijke beslissing neemt en spreekt: “we maken ons zorgen, meneer van Weelen.”

“Ik voel me prima”

De muren van de kamer zien bleek. Het open raam laat een koele tocht binnen, dat de zweterige warmte van binnen probeert te bestrijden. Een bureau inclusief stoel, een propvolle boekenkast, een bed riekend naar muf beddengoed en een assortiment van levende en dode huisplanten vullen de kamer. Ik sta in de deuropening.
“Meneer van Weelen,” spreekt een harde stem achter me, “wilt u snel uw kamer opruimen, Mijn dochter van vijftien ruimt nog beter op.”
Ik merk de puinhoop op. De vloer is moeilijk te zien door sokken, onderbroeken en papieren. Er ligt zelfs potgrond verspreid. Ik kijk op het naamplaatje op de deur van de kamer. Ties van Weelen, leest het. Als een hond, net betrapt op het verscheuren van de bank, schuifel ik de kamer in.
“Dat wilde ik net doen,” zeg ik, en begin de potgrond terug te scheppen in een pot die ernaast op de grond ligt. Een scherfstukje prikt mijn wijsvinger open. Ik stop het terug bij de pot in de hoop dat niemand het ziet.

De slierten van het beeld kunnen ook stengels zijn. Stengels waaruit knoppen groeien en knoppen waaruit later bloemen groeien. Een plant bruisend van leven, vind ik.
Ik trippel mijn voeten, alsof ik in de startpositie sta voor een hardloopwedstrijd. De wind glijdt over mijn gezicht. Een diepe ademhaling en ik wil rennen; rennen tot ik er bij neer val en moet kruipen, dan kruipen tot ik niet meer kan en languit op de grond val. Dan wil ik in een diepe slaap vallen; een slaap waaruit ik niet meer hoef te ontwaken. Mensen zullen me zien, mijn tevreden gezicht opmerken, en me uit pure bevrediging laten liggen.
“Die man dacht te veel na over dat beeld, misschien vond hij het te mooi!” zullen zij zeggen.
“We maken ons zorgen” galmt een stem rond in de donkere hoeken van mijn achterhoofd. De mensen kijken plots naar me alsof ik aangereden wild ben. De tevreden glimlach waar ik naar verlang, verlaat mijn gezicht.

Geratel van pannen en bestek vullen de zaal. Ik zit op een kruk die met elke beweging kreunt en bekijk de mannen en vrouwen in witte schorten. Zwetende haren bedekken hun nekken.
“Meneer, het eten komt zo.”
Ik kijk opzij recht in een schort, waaronder een stuk van een massieve buik ontglipt.
“Meneer, gaat u terug naar de eetzaal!”
Het voelt anders, heter, dan normaal.
“Meneer!”
Ik sta langzaam op. De kruk kreunt zwaar.
“Ik wilde alleen kijken hoe lang het nog duurde.”
Met mijn hoofd naar de grond gericht loop ik richting een deur.

Wat vind ik er van? Ik probeer het beeld zo aandachtig mogelijk te bestuderen. Ik leun wat naar voren en kom dichtbij genoeg om het te likken. Ik denk dat het langwerpige bladeren verbeeld, groeiend uit de grond. Of zijn het … slierten? Ik probeer in te beelden waar slierten of bladeren vandaan kunnen komen. Tevergeefs.
Bedroefd loop ik terug over een pad, door een poort. Het is het enige pad door de woestijn van gras.

In de wazige spiegel ontmoet ik een gezicht, vol groeven en rimpels. Doffe ogen staren me verwijtend aan. Alsof ik iets van ze ben kwijtgeraakt en nooit meer kan bieden.
Een uitgescheurde pagina hangt in de hoek van de spiegel. Erop staan enkele woorden: Wijs, Wijsbegeerte, Wijselijk, Wijsgeer, Wijsheid, Wijsmaken, Wijsneus. Ik denk er niks van en verfrommel het.

Het is koud, toch houd ik mijn jas in mijn handen. Iets kietelt mijn enkels. Gras?
“Gaat alles goed meneer?” klinkt een lichte stem.
Ik kijk op in alle kanten tegelijk. Ik vind geen stem. Ik vind helemaal niks.

Zonder te denken, vraag ik de stem:
“Waar is het beeld?”