Categorieën
Fictie

Meneer de Vries

“Dag meneer de Vries” zeg ik, als ik de kamer binnenkom.
Meneer zit in zijn gemakkelijke leunstoel bij het raam. Hij reageert niet direct, hij kijkt naar buiten, naar iets in de verte. Ik groet nogmaals en pas als ik zeker weet dat hij me gehoord heeft, hurk ik voor hem en leg rustig een hand op zijn arm. In mijn opleiding is me geleerd dat je oogcontact moet maken met iemand die dementerend is en dat je ze in korte, concrete zinnen moet aanspreken.
Meneer de Vries kijkt me een beetje lodderig aan, alsof hij niet precies kan plaatsen wie ik ben. “Meneer de Vries, ik ben Anne, van de thuiszorg. Ik kom u vandaag helpen.”
Hij knikt en draait zich dan weer van me af om uit het raam te kijken. Ik wil net opstaan als hij begint te praten: “Ze vind die toch zo mooi, die rozen. Kijk nou toch eens, hoe groot die struik geworden is. Dat vindt ze vast prachtig.”
Ik glimlach vriendelijk. Uit het dossier weet ik dat hij het heeft over zijn vrouw Rietje. Nu meneer behoorlijk dement is, praat hij steeds vaker over haar alsof ze er nog is. Rietje de Vries. Bijzonder, want het mens heeft Meneer de Vries 40 jaar geleden in de steek gelaten. Van de ene op de andere dag met de noorderzon vertrokken. Volgens Meneer de Vries is ze er vandoor gegaan met een vrachtwagenchauffeur uit Duitsland. Dat vertelde een collega laatst, die nog bij Meneer de Vries had gewerkt toen hij nog wat vaker heldere momenten had. We vonden het allebei enorm zielig voor hem, want het is toch zo’n lieverd. Echt zo’n cliënt waarbij je graag komt en waarvoor je wel een extra stap wilt zetten. Altijd vriendelijk, meewerkend, geïnteresseerd. Nou ja, hij begint nu wel echt veel dementerend gedrag te vertonen natuurlijk. Vergeetachtig en gedesoriënteerd, af en toe ongepast gedrag. Maar in verhouding met sommige andere cliënten altijd nog heel schappelijk.
“Rietje? Riet, waar ben je?” Meneer de Vries wil opstaan, terwijl ik nog bezig ben met zijn steunkousen.
“Meneer de Vries, blijft u maar even zitten tot ik hiermee klaar ben,” zeg ik, terwijl ik hem rustig tegenhoud en verder ga met mijn werk.
“Heb jij Riet gezien? Ze zou alleen maar even weg gaan voor een boodschap. Maar dat is toch al even geleden, nietwaar?” Meneer de Vries kijkt me bezorgd aan.
“Ik heb haar niet gezien vandaag, Meneer de Vries,” zeg ik, zo neutraal mogelijk. Vervolgens wijs ik op een foto van haar, die naast hem op een tafeltje staat. Het is een portret van een slanke, goedlachse vrouw op van middelbare leeftijd, met mooie blonde krullen en blauwe ogen met pretlichtjes. Op haar wang net onder haar linkeroog zit een markante moedervlek, het lijkt wel een hartje. “Wat een leuke foto,” zeg ik, om zijn onrust te kalmeren en hem af te leiden.
Hij kijkt naar de foto en zijn gezicht verzacht. Zoals ik al had gehoopt, zakt hij rustig weer wat dieper in zijn stoel en pakt hij de foto op. Vol liefde streelt hij over de wang van het portret.
“Mijn mooie Rietje. Ze is zo mooi. Iedereen vind haar prachtig, ik moet de mannen soms van haar af slaan, weet je. Daar word ik soms zo moe van, het lijkt wel alsof ze het erom doet, ze weet precies hoe ze me gek kan krijgen. Heb ik je ooit verteld hoe we elkaar hebben ontmoet..?”
Ik glimlach, blij dat mijn tactiek geslaagd is. Ik heb het verhaal natuurlijk al tientallen keren gehoord, maar ik geniet oprecht van hun romantische geschiedenis en hoe Meneer de Vries nog steeds met duidelijke passie over zijn Rietje kan vertellen. Wat een lieverd is het toch.
Als ik even later in de keuken aan het werk ben, komt Meneer de Vries onrustig binnen schuifelen.
“Rietje? Weet jij waar Rietje is?” vraagt hij mij, zijn grijze ogen ongerust heen en weer schietend.
Ik schud mijn hoofd: “Kom, we gaan terug naar uw stoel. Ik zal de televisie aanzetten.” Als ik dat niet doe, dan kan ik mijn taken niet afronden, weet ik uit ervaring. Dan blijft hij zijn Rietje zoeken en moet ik mee het hele huis door. Daar heb ik vandaag echt even geen tijd voor.
Meneer de Vries laat zich redelijk gewillig terug naar zijn stoel leiden. Terwijl hij zich er weer in laat zakken, zoek ik de afstandsbediening.
“Rietje toch. Ze heeft het vast koud…” mompelt hij, maar valt stil als de sportzender zijn aandacht opeist.
Terug in de keuken valt me een klein plasje water in de hoek op. Waar komt dat nu vandaan? Ik heb de oorzaak al snel gevonden. Er is iets mis met de diepvries, deze lijkt uitgevallen te zijn en is al helemaal ontdooit. Ik baal, eigenlijk heb ik geen tijd om dit nu op te ruimen, maar omdat het Meneer de Vries is, wil ik hem niet met de rotzooi laten zitten. Ik rommel nog even met de diepvries, maar deze lijkt het echt opgegeven te hebben. Ik zoek een emmertje en een doekje en begin te ruimen.
Als ik bijna klaar ben, komt Meneer de Vries nogmaals binnen schuifelen. “Rietje?”
Ik zucht. Meneer de Vries heeft wel een onrustige dag vandaag.
“Uw diepvries is kapot, meneer de Vries,” zeg ik, wijzend op het halfje brood en de zak erwtjes die ik er uit heb gehaald. De diepvries moet al wat langer kapot zijn, want erg smakelijk ziet het er niet meer uit. “Heeft u nog brood voor vanmiddag?”
Hij kijkt verward heen en weer tussen het brood en mij.
“Kan Rietje niet wat halen? Het is haar eigen schuld, weet u. Als zij me niet zo had lopen uitdagen…”
Ik schud mijn hoofd: “Rietje kan geen brood halen. Heeft u nog ergens brood voor de lunch?”
Hij lijkt zich plots weer iets te herinneren.
“Misschien in de grote vriezer!” Hij draait zich om en begint richting de keukendeur te schuifelen.
Ik frons. Grote vriezer? Is er hier nog een vriezer dan? Dat staat niet in de werkmap. Snel ga ik achter Meneer de Vries aan, die op zijn pantoffeltjes al bijna buiten staat. Hij schuifelt in eigen tempo naar een klein schuurtje achter in de tuin, waar hij met een gebaar waar jarenlange routine uit blijkt, een sleuteltje uit een kleine kier vandaan vist. Ik laat hem zijn gang gaan, hij zit duidelijk in een automatische flow en bovendien heb ik geen idee wat hij wil gaan doen. Ik kan me haast niet voorstellen dat er brood in dit schuurtje kan liggen, maar wie weet.
Mijn vermoedens dat er al tijden niemand in de schuur geweest moet zijn, worden alleen nog maar sterker als ik over de schouder van Meneer de Vries naar binnen kijk. Het schuurtje is donker en zit ramvol. Overal ligt een laagje stof en spinnen hebben er qua webben een feestje van gemaakt. Meneer de Vries begint echter doelbewust spullen aan de kant te duwen.
Ik twijfel even of ik hem moet tegenhouden en terug moet brengen naar binnen, of dat ik hem juist moet helpen. Meneer de Vries werkt zich ondertussen een weg naar binnen en gooit wat mottige tuinkussens opzij. Ik stap ook naar binnen en wil hem omdraaien, maar dan ontwaren mijn ogen in de halve duisternis de vormen van een enorme oude vrieskist.
“Zit daar brood in?” vraag ik aan Meneer de Vries.
Hij knikt tevreden: “Daar bewaar ik alles wat ik nodig heb.”
Ik trek een wenkbrauw op en stap naar voren om een zwaar krat met klusspullen van de kist af te halen. Ik moet eerst een laag stof van het deksel af blazen voor ik het open kan doen.
De vrieskist protesteert met een piep als ik het deksel omhoog haal, duidelijk al een tijdje niet open geweest. Maar verhip, Meneer de Vries heeft gelijk, er ligt brood in! En niet zo’n beetje ook, de hele kist lijkt gevuld met halfjes volkorenbrood. Ik ben verbaasd en direct achterdochtig. Hoe oud zou dat brood zijn? Ik pak een halfje en hou het bij mijn ogen om in het schemerduister de datum te controleren. Hoe lang is brood ook alweer houdbaar in de diepvries?
Achter me staat Meneer de Vries in zijn handen te wrijven.
“Och Rietje toch, meisje, lieverd. Wat maak je me toch gek.” mompelt hij telkens.
Ik ben even afgeleid, maar vind dan de datum op het brood. Meer dan 4 jaar over datum, dat is vast niet meer te eten. Ik buk voorover om te kijken of de andere halfjes van dezelfde datum zijn.
“Sorry, dit is niet meer goed, Meneer de Vries…” begin ik, maar dan val ik stil. Tussen de halfjes brood staart een blauw oog me aan, met vlak daaronder een moedervlek in de vorm van een hartje. Een blik vol angst, voor eeuwig bevroren. Achter me begint Meneer de Vries maniakaal te lachen.