Categorieën
Fictie

Meisje

Ik weet eigenlijk niet hoe andere mensen hun nagels schoonhouden. Maar als je topless je tanden poetst, wiebelen je borsten. Dat weet ik dan weer wel. Zelfs als je een ieniemienie a-cupje hebt. En als de klap maar hard genoeg is, zie je de blauwe plek na twee weken nog. Twee weken? Bijna drie alweer. Niet te geloven dat het al donderdag is. Ik trek een simpel shirt aan en knoop mijn broek dicht. Peur wat met de knoop achter mijn nagel. Een borsteltje. Andere mensen gebruiken misschien een borsteltje.

Hullie begroet me met een kus naast mijn wang, zoals altijd. Ik mag hem Hullie noemen. Hij noemt mij Meisje. Ooit bood hij mij een drankje aan in de veronderstelling dat ik net zo in de war was als hij. Echt niet. Ik ben een vrouw. Geen twijfel mogelijk. Voor mij niet, althans. Ik geef direct toe dat het lang niet altijd voor iedereen duidelijk is. Reuzehandig wanneer de rij voor het damestoilet weer eens drie maal zo lang is als die bij de heren. Het verbaasde me dan ook niet dat hij twijfelde, die avond, en het kwetste me al helemaal niet.
“Je bent kalm en zelfverzekerd, maar toch. Je mist nog iets. Je zoekt iets,” zei hij drie drankjes later. Ik lachte.

Zijn ouders noemden hem Rogier. “Iets met roem en speren,” beklaagde hij zich, “hypermasculien.”
Hij had lang nagedacht over een vrouwlijkere variant, maar nog voordat hij iets bevredigends gevonden had -want Ruth, dat klonk toch niet, dat rijmde op … nou ja, dat was voor hem in elk geval geen optie- had hij zich gerealiseerd dat hij zich ook geen vrouw voelde.
“Voelen?” zei ik. We bleken elkaar wonderwel te liggen en waren allang gestopt de drankjes te tellen. “Moet je dat voelen dan?”
Hij schudde zijn hoofd om te benadrukken dat ik hem niet begreep. “Ik voel me geen vrouw én geen man.”
Natuurlijk had ik wel begrepen dat hij dat bedoelde. Maar dat wilde niet zeggen dat ik het begreep.
“Hoe denk jij dan dat het voelt om vrouw te zijn?” vroeg ik. “Ik vóél me ook geen vrouw. Ik ben het. Dat weet ik. Ik heb een vagina en naar zich laat aannemen twee x-chromosomen. Dat roept verder geen enkel gevóél bij me op.”
“Ja, maar ik …”
“Jij bent in de war.”
“Ja, maar …”
“Maar wel lief.”
De barman gaapte nog eens nadrukkelijk, hing zijn poetsdoek weg en deed een deel van de lampen uit. We accepteerden het eind van de avond en zwalkten de nacht in. Mijn knieën bleken ernstig onder invloed en zijn stappen waren ook niet helemaal sober. Gelukkig diende het eerste bankje zich snel aan. We zagen de lucht aan het einde van de gracht vaag roze worden, en langzaamaan gelig.
Ik werd wakker met mijn hoofd op zijn schouder, veegde besmuikt met mijn hand langs mijn mondhoek en hoopte dat hij de natte plek op zijn jas niet zag. Achter me ratelde een fiets over de keien.

Eenmaal werden we zo dronken dat we zoenden. Vragend en verward friemelden onze handen wat. Voor even voelde het alsof dat van ze verwacht werd, maar we vielen giechelend in slaap, nog half aangekleed. De volgende ochtend mengde hij rauw ei en jus in een glas, terwijl ik me door de zwarte vlekken heen naar de wc sleepte.
“Die aspirine moet verkeerd gevallen zijn,” grapte ik slapjes toen hij naast me kwam zitten op de badkamervloer.
“Dat doen we dus nooit meer,” zei hij.
De tegeltjes voelden heerlijk koel tegen mijn wang.

“Hoe is het nu, Meisje?” vraagt hij, nog altijd naast mijn wang. Hij stapt terug en zijn blik glijdt over mijn dijbeen, alsof hij door mijn broek heen kan zien. Zijn handen pakken de mijne. Ik hoop dat hij er niet naar kijkt. Gek is dat. Ik heb naast zijn wc gespetterd bij het overgeven. Hij heeft mijn wiebelborstjes gezien bij het tandenpoetsen. Zijn die rouwranden nu zo erg?

Het was een vrijdagavond zoals zovelen. We kwamen lachend de kroeg uit. Met niemand kan ik lachen zoals met Hullie. “Slaap je bij mij?” vroeg hij, om geen andere reden dan dat zijn huis zo lekker dichtbij was, in tegenstelling tot het mijne. Of misschien ook een beetje omdat mijn niet geringe waardering voor zijn gebakken eieren bij het ontbijt hem altijd goed doet.
Ze kwamen uit een steegje. We hoorden ze wel, maar dachten niet er iets mee te maken te hebben. Veel mensen worden luid als ze dronken zijn. Zo klinken de stegen op vrijdagavond.
“Ho, ho, homo’s!” gierde het achter ons.
“Hé, stelletje flikkers,” siste het naast ons.
Ik geloof dat ik toen nog giechelde.

Er was niet veel voor nodig om mij omver te duwen. De overdaad aan kracht die gezet werd, dreunde door mijn dij toen ik op straat terecht kwam. Op dat moment overheerste verbazing nog mijn gevoel, pijn zou later pas komen, toen we samen het zwart-paarsige ei bestudeerden dat halverwege tussen mijn heup en mijn knie groeide. Mijn handen graaiden naar iets. Houvast, steun. De donkere straat boodt mij niets dan haar vuil. Ik werd overeind gesleurd. Kleren scheurden.
“Hij draagt een behaatje!” klonk het ergens, vanaf een andere planeet.
Hij.
Ik friemelde aan mijn knopen.
Hij.
“Ik ben een …,” begon ik.
Ik liet mijn broek zakken.
“Meisje!”
Het had dringend geklonken. Ik heb achteraf niet gevraagd of hij het riep of ikzelf. Of misschien wel een van die gasten. Hullie had me al stevig beet, nam me mee en knoopte mijn broek dicht.
De volgende ochtend bakte hij eieren. Met spek en kaas en dikke plakken tomaat. Ik had lang onder de douche gestaan. Tweemaal had hij gevraagd of alles in orde was en eenmaal hoofdschuddend mijn dij-ei geaaid. Het hete water had op mijn schouders gebeukt en over mijn buik gegleden tot mijn huid rood zag en tintelde. Pas toen ik mijn bestek oppakte, zag ik de zwarte randen onder mijn nagels.

“Goed,” zeg ik. Ik haak mijn arm door de zijne voor ik mijn handen in mijn zakken stop.
“Goed. Mijn ei is groen-geel aan het worden.” En ik bedenk dat ik zo’n borsteltje wil kopen.