Categorieën
Fictie

Medestrom

Op de verhoging in de hoek van de zaal tuur ik over de menigte en zoek ik naar bekende gezichten, om vervolgens niemand te vinden waarbij ik me ook maar enigszins bij zou willen voegen. Het ligt natuurlijk aan mij. Ik pas jammer genoeg niet in dit gezelschap. Ik hou niet eens van drinken, laat staan domme liedjes zingen. Ook kan ik me weinig echt leuke gesprekken voor de geest halen die ik hier de afgelopen tijd heb gevoerd.

Ik weet nog wel veel dingen die met meisjes te maken hebben. Meisjes van Pereat zijn zo toxisch als in de natuur van het vrouwenbestaan ligt beschreven. Duidelijk is dat de velen van hen veel houvast hebben aan de hiërarchie die er bij Pereat heerst, en ze doen er dan ook alles aan om niet te verzuipen, al steunend op het hoofd van een ander die ze onder water drukken. Uiteindelijk is het natuurlijk de bedoeling om een waterdicht schip van ondergeschikten te bouwen waarop ze in alle rust kunnen dobberen, deze goed te onderhouden door hier en daar soms iemand te vervangen indien die niet meer bruikbaar is.
Het fundament van zowel de rubberboten als de cruiseschepen van de vereniging is gebaseerd op de absolute paria’s. Doordat zij sowieso buiten de boot vallen is het voor hen onmogelijk om niet bij voorbaat al kopje onder te gaan. Omdat ze alsnog mee willen doen aan het verenigingsleven is het voor diegenen die het speelveld beheersen een koud kunstje om ze precies zo in te zetten als ze willen. Hun gevoelswereld wordt dan ook naar hartenlust gemanipuleerd.

Dat moesten nu juist de mensen zijn aan wie ik met nog een paar anderen werd toegewezen in de introductieperiode. Een groepje van zeven dames. Duidelijk was dat een deel van deze meisjes prima in de smaak viel bij het collectief, maar dat het andere deel hen deed dalen in de pikorde. Het niet alleen willen eindigen ging bij Pereat zo ver dat groepen mensen een gezamenlijk imago schetsten.
Ik vond een van de minder gewaardeerde meisjes best wel leuk, puur om de reden dat ze er lief uitzag en niet zo’n enorme huppelkut was. En op een avond staan we dan tegenover elkaar, in de hal naast de kleedkamers. De spanning is voelbaar. Ze geeft me signalen, voorzetten voor diepgang, stelt me vragen waarmee ze overduidelijk bedoelt: wat wil je vanavond met mij? Afhankelijk daarvan beslist zij dan wat ze vanavond met mij wil ondernemen, neem ik aan.
Ik denk dat wanneer nervositeit in statistische cijfers uitgedrukt zou kunnen worden, bewezen kan worden dat zenuwachtigheid verantwoordelijk is voor vele historische nederlagen van de mensheid. Je kan situaties namelijk nog zo uitwerken in je hoofd, maar als het er uiteindelijk op aankomt sta je daar met een hoofd leeg van bruikbare gedachtes en een mond vol van tanden. Een individu waarbij onzekerheid overheerst kan de wereld zomaar eens hartstochtelijk vergallen. Het is alsof het signalerende meisje in kwestie haar hoofd tegen mijn muur van twijfel aan bonkt, want ik begrijp het gewoonweg niet. Goed, er is altijd nog later. Het is pas half twee.

Nadat ik het gesprek afrond op een manier dat de spanning nog enigszins wordt behouden, een beetje uitdagend doen maar niet té, word ik gewenkt door twee andere meisjes op een bank iets verderop. Eentje probeert haar lach in te houden en de ander kijkt me met glazige ogen aan. Ik ken ze wel enigszins, en zij mij blijkbaar ook goed genoeg om mij te wenken. In eerste instantie draaien we warm door het verloop van de avond te bespreken, vanuit principe. Maar al snel komt het er uit.
“Zag je dat?” begint het giechelende meisje.
“Zag ik wat?”
“Wat ze net deed.”
“Jaa, oh zeg. Kon echt niet.” voegt de ander er gejaagd aan toe.
Ik heb geen idee waar dit over gaat.
“Wat precies?”
“Met haar hand.”
“Ja, haar hand, zag je dat echt niet?” echoot de ander, die nu een soort hondse blik opzet.
Ze zijn duidelijk aan het opbouwen naar het moment suprême waarin alles onthuld zal worden. Ik vind ze een goed presentatie duo, duidelijk op elkaar ingespeeld, maar ik krijg er een naar voorgevoel van. Dus hou ik maar mijn mond en kijk ik ze met gefronste wenkbrauwen aan. Dat brengt inderdaad wat vaart in de zaak.
“Zullen we het hem vertellen?”
“Ja doeee.”
De rest van het gesprek hebben we drieën heel stiekem lopen gniffelen. Het meisje waar ik me zo zenuwachtig over zat te maken zat blijkbaar het gehele gesprek aan haar schaamstreek te krabben. Super gênant natuurlijk. En de twee dames op de bank hadden dat als twee Italiaanse omaatjes op een balkon gadegeslagen. Ze zaten natuurlijk ook precies op de goede hoogte. Wanneer ze naar ons keken konden ze vanuit die hoek precies in haar kruis kijken. Ze had vast een soa, schaamluis of iets dergelijks, maar in ieder geval was ze supergoor. En zo speculeren we er nog even op door, en lachen we er een beetje om.
Voordat ze weer weglopen kan het ene meisje het niet nalaten om zichzelf en haar collega een schouderklopje te geven.
“Gelukkig zeg, dat je dit nu weet. We hebben je echt gered. Stel je voor dat je je door dát had laten fiksen, gadver.”
“Echt zo. En nu naar de bar.” voegt de ander er nu vastberaden aan toe, terwijl ze van de bank opveert. Ze had al een tijdje haar vieze, lodderige oogjes op mijn bier gefixeerd, dat nu wankelt op de smalle leuning.
Ik kijk ze na en vloek ondertussen van binnen oorverdovend hard. Godverdomme. Nu kan ik nooit meer aan haar denken zonder het beeld van krioelende beestjes in haar schaamhaar. Dat hebben ze mooi verpest. En als deze roddeltantes mij niet uit de prille goedheid van hun kille hart hadden ingelicht, dan had een noemenswaardig deel van de vereniging dit waarschijnlijk via-via te horen gekregen, met alle gevolgen van dien. Mijn avond was kapot, en ik bleef steken in de verwarring. Ik heb het schaammeisje dan ook de rest van de avond ontlopen en maar een beetje ongemakkelijk gesemidanst.

Het is dat gevoel wanneer je telkens maar weer door die menigte van groeperingen snijdt: wanneer je in beweging bent, ben je niet waar je zijn moet. Wanneer ik me ergens alleen bevind, wil ik gezelschap; wanneer ik dat krijg, vlucht ik na 5 minuten weg omdat ik niet meer weet wat ik moet, en zo verlopen mijn avonden bij Pereat eigenlijk altijd wel. En ik weet zeker dat ik niet de enige ben, daar zorgt de Pereatische pikorde wel voor.
De fundamenten van elke fuif zijn bijna ritualistisch hetzelfde. Er zijn altijd een paar gelukkigen die de avond van hun leven hebben. Toegegeven, mij is het ook wel één of twee keer overkomen. Het weegt echter niet op tegen het overmatige deel van slaapverwekkende avonden, dus eigenlijk is dit aantal mensen verwaarloosbaar.
Een ander deel van de aanwezigen bestaat uit groepen die in de belangstelling staan en in ieder geval doen alsof ze het leuk hebben. Ze worden gevormd door mensen die er toe doen, gezamenlijk kunnen constant ze hun eigen positie versterken. Dat zorgt automatisch voor een beloning in het gelukskamertje in de hersenen, een soort kringrukken, waar ik me echter niet kan voorstellen dat je er op de lange termijn beter van wordt.
De rest wil eigenlijk ook heel graag zichzelf vermaken, maar bevindt zich niet in hetzelfde hooggeëerde gezelschap. De hele avond kijken zij in het wilde weg om zich heen, zoekend naar een weg hogerop, smachtend naar verbetering. Ze hebben namelijk niet de macht om hun eigen draai te geven aan de avond. Die behoort natuurlijk aan de populairen, of tenminste, dat denken ze.

Terwijl de avondlijke chemie zich vaststelt vormt zich langzaam een draaikolk. Elk individu wordt ergens heen gesleurd zonder te weten waarom, naar de bar voor drank, naar buiten om te barfen, dan weer tussen de benen van een meisje om die nacht te bezitten, naar het toilet om je alleen te voelen, en wanneer je doortrekt schiet je weer terug in een of ander leeg gesprek.
Daaropvolgend voltrekt zich in het midden van de zaal een ware kettingbreuk van schepen in allerlei vormen en maten, en je ziet een klomp populairen die het nog maar net droog houden, zich vastklampend aan zowel elkaar als de schepen zelf. Alles draait nog steeds om hen. De verstekelingen worden naar het uiterste geblazen, om daar te verstikken of de veiligheid te bereiken op een van de verhogingen, waar ieder ander staat die de situatie van buitenaf overzien toch maar het hoogst haalbare vindt.
We worden er allemaal een beetje duizelig van.
En anders wel van al het bier dat we naar continue binnen gieten, want zonder dat bier is er natuurlijk geen sprankje plezier, welkom in de Medestrom, allez Pereat!