Categorieën
Fictie

Mathilde

Mathilde

Wonder boven wonder kwam mijn wens meteen uit.
Deelnemen aan een buurtvergadering is een kans om wat nieuwe mensen te ontmoeten, dacht ik toen ik de uitnodiging in de bus vond. Ik woonde inmiddels alweer bijna een jaar in deze stad en had nog nauwelijks nieuwe contacten gelegd. De verhuizing en een andere baan hadden me volledig in beslag genomen.
De opkomst was matig, er zaten amper twintig mensen in het zaaltje, maar ik was enthousiast over de initiatieven op de agenda stonden.
Na afloop was er gelegenheid om een aangeboden drankje te nuttigen.

Met het papiertje nog in mijn hand, dat ze me na afloop van de vergadering vluchtig toestopt, trek ik mijn jas aan.
Mathilde staat er onder het adres gekrabbeld.
Ik wilde nog iets zeggen, maar ze is opeens verdwenen.
Pas wanneer ik thuis het briefje tevoorschijn haal, begrijp ik dat het om het huis gaat dat al maandenlang te koop stond. Iedere keer was ik stil blijven staan om ernaar te kijken. Door de ijzeren spijlen, vastgepind op de oude muur, gluurde ik dan de diepe voortuin in. Soms reed ik er zelfs voor om. Normaal sloeg ik linksaf naar de stad, maar sinds dat “te koop” bord ging ik vaker rechtsaf. Zo kon ik het huis nog even zien. Een onrustig gevoel bekruipt me nu ik me realiseer dat ik daar binnenkort naar binnen ga.

Er komt geen geluid uit de intercom wanneer ik op het knopje druk, wel draaien de ijzeren deuren van de poort langzaam open. Aarzelend loop ik het pad op. Hoge populieren brengen me naar de voordeur.
Dan pas zie ik haar, ze komt me met poes in de armen tegemoet. Met vastberaden blik duwt ze het beest, dat rustig ligt te spinnen, mijn kant op. Onwennig steek ik mijn hand uit en aai de dikke vacht. Ook zij streelt zachtjes mee; smalle bleke vingers zonder sieraden.
Er verschijnt een lichte glimlach op haar gezicht. Nog steeds hebben we geen woord gesproken. Het aanhalen van het dier verontrust me. Ze schijnt het te merken want plotseling draait ze zich om en gaat me voor door de lange gang. Schilderijen hangen merkwaardig hoog aan de muur, ook in de woonkamer waar klassieke muziek de stilte vult.
‘Thee?’ vraagt ze tot mijn grote opluchting nu het gesprek eindelijk op gang komt.
Het kopje stond al klaar; ze had zich voorbereid op het bezoek. Een chique kopje met een afbeelding van een paleis erop. Op het schoteltje rennen paarden voor een blauwe koets uit. Het porselein is zo dun dat ik bang ben er een stuk uit te bijten.
Zelf drinkt ze niets, wat het nemen van een slokje me nog moeilijker maakt.
Ze lacht bemoedigend en knikt bijna samenzwerend naar Victoria die op mijn bovenbenen is komen liggen.
“Heb je een nieuw maatje gevonden?” Mathilde staat op en kroelt het beest met snelle vingers over haar hoofdje. “Ik weet niet wie er het meeste van geniet,” zegt ze lachend.
“Hoe vind je de thee?” knikt ze naar het kopje.
Voordat ik het in de gaten heb is het middernacht. We hebben gepraat alsof we elkaar al jaren kenden.
Ik loop naar mijn auto en roep bedankt.
“Waarvoor?” vraagt ze verbaasd.
Ik draai me om. “Sorry?”
“Bedankt voor wat?”
“Voor de vriendschap,” antwoord ik, loop op haar af en kus haar op beide wangen.
Onhandig schakelend, als bij een eerste rijles, rijd ik de straat uit.
In bed lig ik te woelen en val uiteindelijk in slaap. Ik droom dat ik me in een woonkamer bevind waar een vrouw me iedere keer net niet aanraakt, wanneer ze passeert. Ze zweeft en verdwijnt telkens in een van de zware schilderijen die de muren versieren. Tevergeefs loop ik van het ene naar het andere schilderij en probeer haar te grijpen, beet te pakken, aan te vallen zelfs, maar weg is ze. Tot ze zich eindelijk nestelt in het tableau van een duister landschap. Opgelucht stap ik erop af, maar zodra ik dichterbij kom verandert het doek in een donker gat. Badend in het zweet word ik wakker.
De daaropvolgende dagen ben ik nerveus. Ik wacht op een telefoontje, maar wil zelf niet bellen omdat ik vermoed dat ze druk is.
– Morgenavond tijd? –
Eindelijk ontvang ik dan toch het langverwachte bericht.
– Natuurlijk! – antwoord ik en heb meteen spijt van mijn gretige reactie.
Om de tijd te doden sluit ik de volgende ochtend al vroeg de deur en bezoek een schoonheidsspecialiste. Daarna slenter ik wat door de stad. Mijn handen glijden over plastic hangertjes, maar ik koop niets. Thuis trek ik alvast de uitgezochte kleren aan en net als ik een hapje wil gaan eten hoor ik mijn mobieltje.
Ik ren naar de tas die naast de bank ligt.
Mathilde.
– Ben niet lekker, duik er vroeg in vanavond. Morgenavond 7 uur? –
– Ok, is prima. –
Eindelijk wordt het dan toch avond, ik sta voor de spiegel mijn outfit te bekijken en ben zo opgewonden dat ik niet eens zie dat ik een berichtje heb.
– Ben nog op mijn werk. Ander keertje?’ –
Ik ben te verbaasd om kwaad te worden, maar reageren doe ik niet.
Ze moet mijn teleurstelling begrepen hebben want iets later is er een nieuw berichtje.
– Expo volgende week zaterdag? Haal je om twee uur op. X –

Ze heeft vast een nieuwe vriendin, denk ik, wanneer ze aan komt lopen. Ik zie het aan de kleren die ze draagt. Stoere laarsjes deze keer en een veel strakkere broek dan normaal. Haar bewegingen zijn nonchalant, bijna jeugdig. Vrolijk vertelt ze over haar plannen voor de rest van de maand terwijl we het museum binnengaan.
Er zijn weinig andere bezoekers, het is de allerlaatste dag van een expositie voor jonge kunstenaars.
“In dit schilderij loop ik meteen weg,” zegt Mathilde terwijl ze voor het doek stil blijft staan, bij die van daarnet bleef ik vastzitten.”
Ik kijk haar verwonderd aan, was het dan toch geen droom geweest?
“Het heeft veel weg van Small Purple Hills van O’Keeffe,” gaat ze verder.
“Van wie?”
“Van Georgia O’Keeffe, ken je haar niet?” Ze legt een hand op mijn schouder en zonder op mijn antwoord te wachten vertelt ze dat het een Amerikaanse kunstenares is, die veel sensualiteit in haar oeuvre legt.
“Je zou haar krijtachtige gleuven en groeven eens moeten zien, zo fascinerend.”
Ik knik welwillend.
Bij de uitgang koopt ze 3 kunstboeken. Om niet achter te blijven koop ik een stapeltje ansichtkaarten.
“Kijk dat is vast zo’n bar waar jij graag naar toe gaat,” wijst ze op weg naar de parkeergarage.
“Zullen we er wat drinken?” stel ik enthousiast voor.
“Oh nee, daar ga ik echt niet naar binnen.”

Victoria ligt voldaan te spinnen. Mathilde heb ik net naar het station gebracht. Ik had gewacht totdat haar kofferwieltjes tussen de benen van de reizigers verdwenen waren, en was naar haar huis teruggereden. Ik had immers de sleutel gekregen dus waarom zou ik behalve voor het zorgen voor de poes geen gebruik maken van haar woning?
Die avond, in het vreemde bed, word ik wakker van een trillend geluid. In de spleet tussen de twee matrassen vind ik het mobieltje. Een telefoonnummer licht op; er komt een bericht binnen. Zonder een moment te twijfelen klik ik op het schermpje.
– Morgenmiddag 2 uur –
– Weet je het zeker? – typ ik in.
– Twijfel je nog? –
– Nee, geintje – antwoord ik.
– Bij jou of bij mij? –
– Bij jou, herhaal je het adres nog even? –
– Speciale humor heb je. Slaap lekker. –
Stomverbaasd blijf ik met het apparaatje in mijn handen zitten. Waarom deed ik dit?
Omdat Mathilde op reis was gegaan, zonder te zeggen waarheen? Was ze me verplicht te vertellen waar haar trein naar toe raasde? Waarom vroeg ik het niet?
Ik ben klaarwakker en loop de keuken in voor een glas water. Op de keukenmat liggen twee dode muisjes die Victoria heeft meegebracht, als dank voor mijn gezelschap in het lege huis.
Slapen lukt niet meer, ik voel me slecht tegenover mijn vriendin en tegelijkertijd ben ik een tikkeltje voldaan over de verstuurde berichtjes.
De volgende dag blijft het mobieltje doortrillen totdat de batterij leeg is. Met spijt als haren op mijn hoofd verstop ik het toestel in het dashboardkastje van mijn auto.

Dit is de laatste keer dat ik voor chauffeur speel, denk ik wanneer ik bij het station op haar sta te wachten. Ze komt haastig aanlopen en stapt in. Haar gezicht is bleek, op haar rode neus na. Ik rijd de stad uit.
“Vlotte reis gehad?” probeer ik vriendelijk.
“Niet echt, ben snipverkouden.”
We praten nauwelijks totdat we in haar straat parkeren.
“Heb je misschien een zakdoek?” vraagt ze, met een been al uit de auto.
“Misschien daar,” en wijs naar het dashboard. Ze klikt het kastje open en het mobieltje valt op haar schoen.
Met een harde klap slaat het portier dicht. Langzaam zie ik de wieltjes van het koffertje verdwijnen.