Categorieën
Fictie

Mantra

Mantra

Ze liep op het fietspad: de stoep lag open. Door het natte zand rook het onverwacht naar strand in het kantoorpark. Ze snoof, trok haar capuchon verder omhoog over haar statische haar en versnelde haar pas om de ongemakkelijke stilte tussen haar en de net arriverende stratenmakers te verkorten. Het was te koud om haar na te kijken, haar jas te vormeloos (of zijzelf, dat kon ook). Los daarvan was ze waarschijnlijk gewoon te oud.
Ondanks de verlaten weg stak ze pas over bij het zebrapad. Er lag een boterhamzakje met een broodje kaas op een van de witte strepen. Hoe treurig, dacht ze. En de dag moest nog beginnen. Ze kneep haar ogen dicht terwijl ze door bleef stappen. Nee: marcheren. ‘Een. Mooi. Je. Dag.’
Ze struikelde deze keer niet over de stoeprand en opende haar ogen pas toen de kale laaghangende takken van de boom op de hoek haar in het gezicht sloegen: wakker worden! Ze stak het houten bruggetje over. Naast een eenzame meerkoet zat een blikje cola vast in het kroos op het water. Hoewel het buiten licht was, brandden er nog enkele lampen achter de ramen van de kantoorflat waar ze werkte. Vogels zaten in elkaar gedoken te wachten op een richel naast de plastic koepel boven de ingang. Ze aarzelde even en zag hoe de draaideur zonder haar een rondje draaide.
Ze passeerde de eerste collega’s pas op de derde verdieping, bij de koffiecorner. Ze vermeed hun blikken, ritste al lopend haar jas open om de zweetplekken in haar coltrui te beperken, en liep naar haar bureau. Het universum houdt van me, dacht ze, terwijl ze knikte naar de collega tegenover haar. Niet vergeten op een geeltje schrijven.
Ze hoorde ze zichzelf met tegenzin antwoorden dat de tegels vast goed bij het keukenblad pasten. Ja, dat was natuurlijk ook zo. Veel stof in huis. Ja. Nee. Koken op inductie was wennen. Inderdaad. Vervelend.
Vermoeiend. Was zij zelf ook zo? Ze wist het niet, zoals ze ook niet wist of ze net zo uit haar mond stonk als die man naast haar in de tram vanmorgen. Het zou zomaar kunnen.
Ze haalde koffie en vulde de mok van haar overbuurvrouw met een dubbele cappuccino. ‘Best moments’ las ze, terwijl ze op het knopje drukte en de beker schuin onder het apparaat hield. Hoe was ze hier toch terecht gekomen? In dit lijf, met deze kleren en deze tekst? Ze leek niet in staat een beter script voor zichzelf te schrijven, laat staan te produceren. ‘The story of her life’. Ze zuchtte en vulde voor zichzelf een kartonnen beker met zwarte koffie. Negatieve gedachten, dacht ze, mochten die er nou wél of niet zijn?
Ze zette de volle mok peinzend naast het toetsenbord van haar collega, negeerde voor het gemak het feit dat ze daarbij melkschuim knoeide, en liep naar het wc-blok. Het licht was ongenadig hard. ‘Het wordt een mooie dag’, zei ze tegen zichzelf, terwijl ze met haar gezicht vlakbij de spiegel de poriën in haar rode wangen inspecteerde. Ze maakte haar handen nat onder de kraan en streek ermee over haar haar. Veertig. Geen man. Geen kinderen. ‘Ik ben goed, precies zoals ik ben’, fluisterde ze, nu iets dwingender. ‘Het wordt een mooie dag.’
Toen ging ze poepen, zoals elke ochtend. Yoghurt met lijnzaad deed wonderen.

Haar collega was druk met haar muis aan het klikken. Zelf staarde ze naar de screensaver, met een toenemende druk op haar borst die niet wegging vandaag. ‘Alles is zoals het moet zijn’, stond op het geeltje wat aan de rand van haar monitor was geplakt. Ze blies uit, het papiertje wapperde. Net een vlaggetje. Ze hield haar adem een paar tellen vast. Hoe lang zou ze zo kunnen blijven zitten voordat er een adertje in haar hoofd knapte? Of stond je hart gewoon opeens stil, door de druk? In een opwelling pakte ze haar jas, negeerde de vragende blik van haar collega en liep naar de lift, waar ze achter elkaar op het knopje bleef drukken tot die er was.
‘Thuiswerken!’ riep ze nog net door de kier, voordat de deuren sloten.
Buiten leek het lichter dan daarvoor.
‘Het wordt een mooie dag!’ riep ze tegen de zwarte vogels bij de ingang. Ze vlogen weg. Woesj. Dat luchtte alvast op. Ze liep dezelfde route terug naar het busstation. Haar flapperende jas voelde als een cape. Ze ritste hem niet dicht. Ze stopte naast het afzetlint en schreeuwde, over het geluid van de trilplaat van de stratenmakers heen: ‘Het universum houdt van mij!’
De oudste van de twee begon te hoesten, van schrik of van de shag. Hij stopte met trillen, tilde zijn oorbeschermers op en fronste zijn grijze wenkbrauwen.
‘Het wordt een mooie dag!’
Waarom schreeuwde ze nog steeds?
‘Als u het zegt,’ antwoordde de gedrongen blonde van een jaar of twintig haastig, terwijl hij zijn handen in de lucht stak alsof ze een pistool op hem richtte.
‘Dat zeg ik,’ zei ze, ‘de hele tijd.’ Ze bukte, viste een verdwaalde kokkel uit het zand en veegde hem schoon. ‘Een mooie dag,’ zei ze nog een keer, terwijl ze naar het schelpje keek.
‘Een fijne dag dan, dame, en succes ermee zou ik zeggen,’ zei de blonde schokschouderend.
Ze ging ervan uit dat ze haar allebei nakeken toen ze wegliep: een mollige vrouw in een praktische parka met donkerblond pluizig haar die met grote passen wegbeende. Misschien tikten ze wel tegen hun voorhoofd met hun wijsvingers, en rolden met hun ogen. Gek wijf.
Ach.
Het strand was een eind reizen, maar ze had de hele dag de tijd. Het werd écht een mooie dag vandaag. Deze keer ging het lukken.