Categorieën
Fictie

Maison Beige

Hoofdstuk 1: Louis

Duiven

Aan de haven van Gent krioelt het van het ongedierte.
Ratten, muizen, duiven en nog meer ongewenste fauna
palmen de buurt in alsof het hun eigenste territorium is.
Geparkeerde wagens krijgen geregeld een douche van witte
duivenbrij en om elke hoek van de straat ligt een gevleugeld lijk. Moeders troosten hun huilende kinderen om het triestige noodlot van het beest en sleuren hen gehaast langs
de straat verder. Buurtbewoners ergeren zich mateloos aan
alles wat gepaard gaat met de vlucht van grijs-witte vogels.
De duif is veruit de minst geliefde vogelsoort in de straten
van Gent.

Een hongerig exemplaar pikte gulzig smurrie van het
trottoir in Dok Zuid terwijl een vrachtwagen, versierd met
allerlei nummerplaten en internationale vlaggen, naderde.
Gehypnotiseerd door enkele broodkruimels in het midden
van de weg bleef het beest zich verder voederen. De truck
kwam dichter en hield zijn vaart aan. Op twee meter van
de duif namen de waarnemingszin en het startinstinct het
ogenblikkelijk over. Als een pijl door de lucht vloog het beest
weg. Volledig gedesoriënteerd ramde het met een luide bons
het slaapkamerraam waarachter Louis Coppens in een
diepe slaap lag. Zijn hele lijf kaatste 20 centimeter boven
de matras en kwam terug neer terwijl hij een vloekende
kreet uitsloeg. Fucking kutbeest. Even was de Gentenaar zich
niet bewust van waar hij zich bevond. Het licht brandde op zijn netvlies terwijl hij de kamer onderzocht. Zijn mond
voelde kurkdroog aan, alsof zijn tong een verdorde spons
was met een grauw aroma van tabak. Hoe laat is het? 10 uur.
Shit, ik moest al twee uur aan het werk zijn. Nee, toch niet. ‘t Is zaterdag. Mijn kop… Juist ja, gisteren pintjes. Hoe laat was het?
Pfff… Geen idee. Wat heb ik eigenlijk uitgestoken? Koen? Oh ja…
Een pintje met Koen. Hoe ben ik thuis geraakt? Doet er niet toe…
Ik ben thuis. Een zucht van verlichting verliet zijn longen.
Hij rekte zich lang uit. Zijn gedachten raakten haast elke morgen verwikkeld in een wirwar van zwarte gaten, onverschilligheid en valse beloften om de volgende gelegenheid sneller huiswaarts te keren en minder alcohol achterover te
slaan. Het vrijzinnige levenspad dat hij bewandelde, maakte
dat de gaten in zijn leven alleen maar groter werden. Hij
hunkerde naar vrijheid, vrijheid die hij niet bezat. Want wat
is vrijheid? De luxe om te gaan en te staan waar hij wil. Of het verworven recht om niet te moeten doen wat de maatschappij van hem verlangt. Verantwoordelijkheden waren als loodzware enkelbanden, het demobiliseerde hem. Gebonden zijn aan taken bezorgde hem stress, het idee van verplichtingen wekte claustrofobische zweetbuien op, alsof de muren mechanisch op hem afkwamen. Het leven van Louis was een puinhoop, een gedesorganiseerde warboel waarin maar één ding telde: fun. Structuur en discipline achtte hij overbodig in zijn dagelijkse routine. Het leven was te kort om lange uren te kloppen op een onderbetaalde job en jezelf geen rust te gunnen, vond hij. Niemand hoefde zich als een slaaf te gedragen om de massa te plezieren. Alleen de rijken hadden baat bij de uitsloverij van het gewone volk, het voetvolk, een cultuur waar hij geen deel van wou uitmaken. En toch ging er geen dag voorbij of de chaos brak uit van zodra de wekker van Louis als een sirene tekeer ging. Prestatiedrang had hij niet. Niets moest, alles kon. Maar de dwangbuis van maatschappelijke consequenties dicteert dat je geld moet verdienen om te overleven.

Elke morgen speelde hetzelfde scenario zich af wanneer hij
de ogen opende en besefte dat hij gaan werken moest. Hij
wipte recht uit zijn horizontale positie, veegde de sliert half
opgedroogd kwijl van zijn gezicht af, stiefelde naar de keuken
en gooide een tas oploskoffie achterover. Elke ochtend verbrandde hij zijn tong, greep naar de dichtstbijzijnde hoop
kleren, trok die zo snel mogelijk aan en trotseerde ongewassen de buitenwereld. De ochtendtooi was elke keer een ontmoedigende start van zijn werkdag. De walm van dauw en uitlaatgassen, veroorzaakt door filerijdende automobilisten, maakte hem onpasselijk. Wat bezielt de mensen om gezamenlijk in metalen dozen te staan aanschuiven? Velen
onder hen konden perfect met de fiets naar het werk, maar
hadden banale excuses om het milieu hun middelvinger te
geven. Louis ergerde zich aan de luie burger die een brood
haalde bij de bakker om de hoek en daarvoor zijn wagen
nam. In gedachten turfde hij het aantal obese personages
in de wagen en sportievelingen op de fiets. Je hoefde geen
wetenschappelijke steekproeven te runnen om de positieve
gevolgen van fietsen te meten. Hij haatte de verloedering
van de maatschappij en de daarbij horende vervuiling.
Bovendien had hij een hekel aan blije gezichten in de
ochtend. De radio bleef dan ook consequent uit tot het
fatsoenlijk was om mensen en hun vervelende opgewekte
stemmen te incasseren. Het kon niet gezond zijn om opgejut
te zijn voor negen uur. Brommend en mompelend sprong hij
elke werkdag op zijn fiets en trapte richting hoofdkwartier
van het postbedrijf waar hij werkte, een job waar hij toevallig was ingerold. Toen hij nog studeerde, twaalf jaar terug, werkte hij elke paasvakantie en kerstperiode als sorteerder bij De Post. Dat was nog voor machines zijn taak overnamen. Wanneer hij zijn diploma journalistiek op zak had en niet onmiddellijk een betrekking vond bij een mediahuis, een uitgeverij of een lokaal dagblad, besloot hij vast in dienst te gaan bij zijn vertrouwde werkgever. De eerste jaren meldde hij zich enthousiast aan wanneer er open vacatures in journalistieke sectoren gepubliceerd werden. Maar toen hij telkens afgewezen en verslagen terug naar huis keerde, begroef hij zijn wilskracht om journalist te worden. Als postbode kwam er brood op de plank en hij zou tijd genoeg hebben om aan zelfontplooiing te doen. Een debuutroman schrijven was een idee waar hij de voorbije
vijf jaar van droomde. Zijn eerste woorden stonden nog niet
op papier, noch had hij een plot uitgewerkt om zijn ambitie
als novellist vorm te geven.
Niet zelden kwam hij te laat op zijn betalende baan. Elke
verwittiging kon wel eens de laatste zijn. Op het eeuwige geduld van zijn baas kon hij niet blijven rekenen. Belachelijke
excuses zoals een platte fietsband of zijn burgerlijke plicht
om zijn geile vriendin van ochtendseks te voorzien voor ze
uit bed stapten, amuseerden zijn chef de eerste maanden.
Maar zijn verdraagzaamheid kende na twaalf nonchalante
jaren een limiet. De waarheid was dat door elektriciteitswerken in de straat, de stroom geregeld werd afgesneden.

Zo werd Louis regelmatig wakker met een alarmklok die
00:00 knipperde, terwijl de reële tijd 9:30 klokte. Zijn gevloek kon de hele buurt wekken. Hij vroeg zich af of zijn buren een beroep deden op een wekker met batterijen om de ellende van zich overslapen te voorkomen. Of had de inwonende bourgeoisie van zijn appartementsblok geen jobs
met onmogelijke starturen? De elektriciteitsproblemen konden toch niet alleen hem teisteren? Die dag kon hij gerust zijn. Het was zaterdag. Het weekend waar hij sinds maandag half tien naar uitgekeken had.

Camembert

Louis was drieëndertig jaar jong, maar oogde enkele jaren
ouder dan hij in werkelijkheid was. Zijn bruine haren waren
nooit fris gewassen en kleefden met enkele lokken aan zijn
glimmende voorhoofd. Door gebrek aan gezonde voedingsmiddelen en een overdosis aan fastfood en videogames, was zijn gezicht weinig doordrongen van pigment. Zijn lichaam was niet gebouwd om zware arbeid te verzetten. Louis’ magere gestalte leek eerder nuttig om tijdens middelbare schoollessen de anatomie van de mens te verklaren. Onder de rode schijn van zijn ogen zaten kastanjekleurige
irissen die altijd in het niets leken te staren, versuft en verdwaald. Ouderdomsverschijnselen hadden hem het laatste
jaar enorm toegetakeld. Zo snel dat hij zich dagelijks zag
vergrijzen, zeker na een avondje pintelieren. Zijn lippen
plakten samen door opgedroogd speeksel en de kwalijk
riekende geur in de kamer maakte hem misselijk. Het aroma van zweet en overrijpe camembert vloog in zijn neus.

Het danige gehamer in zijn hoofd irriteerde hem nog het
meest. Zijn geheugen had fragmenten uit zijn losbandige
avond gewist en daar zat Louis niets mee in. Hoe minder hij
zich herinnerde, hoe beter. Als een man zodanig veel dronk
dat hij zich niets meer voor de geest kon halen, dan had er
zich hoogstwaarschijnlijk iets voorgedaan wat hij liever uit
zijn hersenen bande. En wat brandt er meer dan alcohol?,
dacht Louis. Vaak zorgden herkenning en déjà vu’s voor
teleurstellingen en taferelen die alleen gêne opriepen. Een moment van verheldering manifesteerde zich toen Louis
zijn schoenen in de hoek van het slaapvertrek zag staan. Ze
hadden een gele korst gekregen van wat alleen maar afkomstig kon zijn van het halfverteerde pak friet met mayonaise
en stoverijsaus. Zulke taferelen deden zich vaker voor als
hij op stap ging met Koen Zimmer. Zijn beste vriend wist
wat een man nodig had na een uitputtende werkweek, een
ontsnapping aan de dagelijkse sleur. Zelf vond Louis zijn
drankgebruik niet problematisch. Vaak gingen er weken
voorbij zonder een druppel aan te raken. De drang meldde
zich enkel aan wanneer hij een moment van onderhuidse
frustratie moest verwerken. Zijn vriendin, vervelende mensen om zich heen of een bedrukkende werksituatie waren
de meest frequente aanleidingen van zijn sporadische zuippartijen. Wanneer hij te veel op had, ontpopte Louis zich als een vervelende zatlap. ‘Er zijn altijd twee soorten drinkers’,
pleitte zijn beste vriend Koen, die zelden een glas alcohol
aanraakte. Wanneer ze op stap gingen, lag zijn plezier in
het observeren van de caféganger. ‘Enerzijds hebben we
de speelse en charismatische dronkaard, een drinker die
iedereen aan het lachen brengt door stuntelig gedrag en
hilarische openbaringen. Anderzijds hebben we het meelijwekkende drankorgel. Hij die zijn kleren onder pist, zigzaggend de weg naar huis aflegt of te hoog gegrepen meisjes
lastigvalt. ‘En zo’n sukkel, mijn vriend, ben jij als je drinkt’,
verweet Koen hem. Het statement leek te kloppen, op het
lastigvallen van de meisjes na. Louis was geen rokkenjager.
Toen Louis’ rode ogen die ochtend gewend raakten aan het
klare daglicht, zag hij de kamer waar hij zich nooit heeft
thuis gevoeld. De oranje smurrie die nog in zijn ooghoeken
zat, wreef hij eruit. De korstjes vielen regelrecht tussen de satijnen lakens. Overal waar hij keek zag hij beige, het
kleur zonder symboliek of pit. De kleerkast was beige en
had enorme spiegeldeuren, wat de beige verf aan de muren
deed weerkaatsen. Op de kast lag een beige koffer volledig
onder het stof, die nooit werd gebruikt om op reis te gaan.
Er stond een eiken commode in de hoek van de kamer
waarop een beige lamp stond met daarnaast twee witte zinloze porseleinen potjes. Op de grond lag een wit tapijt met
lange wollen haartjes, het enige attribuut in de kamer waar
Louis mee gediend was. Zijn tenen werden altijd omhelsd
door het warme comfortabele gevoel van geweven wol. Op
het bed lag een beige hoeslaken, een beige onderlaken en
wel acht beige donzige kussens. Het leek alsof er een bom
beige verf in de kamer was ontploft. De karakterloze kleur
viel Louis tegen, maar het boeide hem evenmin om er iets
aan te doen. Het appartementencomplex, waar hij met zijn
vriendin in huisde, heette Maison Beige. Een decadent stuk
architectuur waarin de duurste en modernste materialen
werden gebruikt om als pronkelement de dokken van Gent
te doen opleven. In de buurt kon je geen enkel gelijkaardig
onderdak vinden in zijn categorie. De beige constructie was
een trekpleister voor de welstellende waaghalzen die te vinden waren voor een duur appartement in de verwaarloosde
achterbuurt van de Oost-Vlaamse hoofdstad. Volgens gemeentelijke beleidsplannen zou het vergeten havengebied
in een nieuw jasje gestoken worden. Wie besloot vastgoed
op te kopen in die omgeving zou later een heleboel winst
maken. Dat werd de inwoners van Maison Beige bij aankoop beloofd. Het gebouw telde vijf verdiepingen, twintig meter lengte en vijftien meter breedte. Het gelijkvloers
waar de garage en containers zich bevonden, werd niet bewoond door eigenaars. De eerste verdieping was eigendom
van Louis’ vriendin. Op de tweede verdieping vertoefde
Rosa Tronte. De verdieping daarboven werd ingepalmd
door het gezin Van Maertelaere. En in het penthouse op de
hoogste verdieping huisde meneer Corneels. Elk appartement had een bewoonbare oppervlakte van bijna driehonderd vierkante meter. In ontwikkelingslanden pasten wel
vier gelukkige gezinnen in zo’n vestiging. In het luxeoord
aan de haven was zo’n stek voldoende voor één driekoppig
gezin of zelfs één persoon. Naast de ingang van Maison
Beige bevond zich de lobby, voorzien van planten, een salon
waar niemand ooit in ging zitten en vijf brievenbussen. De
eerste vier bussen waren afgewerkt met gouden plaatjes en
sierlijk gegraveerde letters die de namen van de eigenaars
vormden. De onderste bus had enkel een plastic houdertje
met een papieren strook erin die de letter ‘Y’ spelde. Louis
had nooit geweten waarvoor die letter stond. Bij het rond-
brengen van brieven had hij wel eens in die bus gekeken, uit
nieuwsgierigheid, maar nooit leek er wat in te zitten. De bus
moest bestemd zijn voor de syndicus, geloofde hij. Die mannen factureerden maandelijks tweehonderdvijftig euro om
de gemeenschappelijke delen te onderhouden. Wat rijkaards
al niet overhebben om er knus bij te zitten, spotte Louis,
wanneer hij geconfronteerd werd met de buitensporige
geldverkwistende levensstijl die sommige inwoners erop
nahielden. De hal werd geparfumeerd met een bloemige
geur, net als in de luxewinkels. Rondom het terrein konden
inwoners genieten van een goed onderhouden stukje groen.
Niet dat iemand ooit gebruikmaakte van deze oase.

Naast hem lag zijn knorrende vriendin, Nele. Ze sliep door
een winterse verkoudheid met haar mond open. Wat had
hij een hekel aan dat miezerige gezicht. Vroeger had hij zo’n
beeld nog als schattig aanschouwd, had hij haar een kop thee gezet met honing erin om de pijn te verzachten. Maar
die dagen waren verstreken. Haar tanden hadden duidelijk
hun beste tijd gehad, voor zover hij kon zien. Op dertigjarige
leeftijd had ze het paardengebit van een oud vrouwtje. Het
ochtendlicht weerkaatste in haar ijzeren tandvullingen, die
op hun beurt reflecteerden in de spiegeldeuren van de kast.
Ze was een circusattractie, een freakshow, dacht Louis.
Even kokhalsde hij, want de geur van camembert, die hij
eerder had opgesnoven, kringelde uit Neles mond. Langzaam richtte hij zich op om zover mogelijk van de stank weg te geraken en merkte toen zijn ochtenderectie op. Het
ding had zijn eigen leven, wat kon hij eraan doen? Even
aarzelde hij haar te beminnen, richtte zijn rechterwenkbrauw op, keerde zijn hoofd richting Nele en tuitte overwegend zijn lippen.
(benieuwd naar meer? maisonbeige.be) 🙂