Categorieën
Fictie

Lola

Ik leerde Lola kennen toen ik Kasper uitliet in de Rembrandtlaan. Iemand tikte op mijn elleboog, bijna gewichtloos als een zucht en ik draaide me om. Ik keek eerst over haar heen en dacht dat ik de Openbaring meemaakte waarnaar ik in mijn veertigjarige leven altijd gezocht heb. Het moment dat je weet dat er méér is. Dat alles inderdaad relatief is en dat het geen zin heeft je zorgen te maken. Hij is daar. Wat ik ook doe. Hij is daar. Ik had het meer nodig dan ooit.
Maar Hij was daar niet. Een gehandschoend handje vouwde zich in mijn ijskoude hand en ik keek naar beneden. Er stond een iel meisje. Scheiding in het midden van het kastanjebruine haar, twee vlechtjes, een glad gezicht waarin de ogen te klein leken. Zachtjes stootte ze haar adem uit; wolkjes verdwenen in het niets.
Ze kneep in mijn hand.
‘U heeft wat laten vallen.’
In de palm van haar andere, uitgestoken hand lag mijn papieren zakdoekje, met vegen mascara, die ik toch doelbewust uit mijn vingers had laten glippen. Mijn verdriet zat daarin. Het moest weg.
‘Dankjewel.’ Ik pakte de tissue aan en stopte hem in mijn jaszak. Ik vroeg mij af wat ze hier deed, om tien uur ’s avonds op een koude decemberavond.
‘Hoe heet jij?’ vroeg ik haar.
‘Lola,’ zei ze.
Het kippenvel verscheen op mijn armen. Bij de laatste vocaal van haar naam liet ze haar adem gaan alsof ze over een ander sprak. Een uit het oog verloren beste vriend.
‘En hoe heet uw hond?’ Ze had mijn hand nog steeds vast. Haar handschoentje was van paars pluis.
‘Kasper,’ zei ik opgewekt en duidelijk articulerend, hopend dat ze opving hoe je een naam behoorde uit te spreken.
‘Kasper,’ sprak ze mij na.

De wind sneed door mijn jas heen. Ik keek naar het meisje, hoogstens zes jaar oud, en nu pas viel me op dat ze geen gewone jas droeg, maar een regenjas. Een rode. Het had al drie dagen niet meer geregend. Eronder piepte een blauw stoffen rokje en een panty van wit katoen.
‘Lola, waar kom jij vandaan?’
‘Hoe bedoelt u?’
‘Waar je woont.’
Ze trok haar hand uit de mijne (haar warmte gloeide na en ik had spijt van mijn vraag) en haalde haar schouders op. Niet schuldbewust, eerder alsof ik haar een vraag had gesteld waarvan we beiden wisten dat ze het antwoord toch nooit kon weten.
Kasper trok aan de lijn, hij wilde naar zijn mand. Ik vroeg haar met mij mee te lopen, dan konden we thuis even rustig nadenken over waar ze woonde. Dat ik niet alleen huiswaarts wilde keren, hield ik voor mijzelf.
Weer haalde ze haar schouders op, drukte haar hand in de mijne en samen wandelden we naar mijn twee-onder-een-kapwoning. Ze liep steeds een decimeter voor mij, alsof niet ik, maar zíj beter wist waar ik woonde. We kwamen de buurvrouw tegen, zonder hond, aan de overkant van de straat. Ze deed net of ze mij niet zag en vanbinnen dankte ik haar daarvoor. Zij moest het geschreeuw gehoord hebben dat uit onze woonkamer had geklonken. De lange stiltes, de dichtslaande deur.

De hele route naar huis hield Kasper zich koest. Hij negeerde Lola zoals zij hem negeerde. Nog nooit had ik een meisje van haar leeftijd ontmoet dat niet wilde knuffelen met mijn gitzwarte Newfoundlander en nog nooit had ik Kasper zo weinig nieuwsgierig gezien. Gedoogden ze elkaar of was het een prille liefde, waaraan beide minnaars nog niet durfden toegeven?

Het licht in de keuken brandde nog. Ik liet haar hand los, stak de sleutel in het slot en duwde de voordeur open. Kasper wrong zich als eerste naar binnen. Daarna ik en Lola, die mijn hand weer vastpakte. De gangdeur stond open en de kaars op de salontafel in de woonkamer doofde abrupt. Ik sloot de voordeur en vroeg haar haar schoentjes uit te doen, waarna we de woonkamer betraden. Kasper stond voor de viscose fauteuil en maakte piepende geluiden. Lola liep naar hem toe en aaide over zijn kop.
‘Het is goed,’ zei ze, ‘het is al goed.’
Langzaam geleidde ze hem naar zijn mand, waarin hij ging liggen. Zij zat ernaast op haar knieën en aaide hem kalm over zijn dikke haren. Kasper bleef zachtjes janken.
Ik stond nog steeds, had de deur wel gesloten, maar omvatte de klink achter mijn rug. Overzag de chaos. Het omgevallen wijnglas op de salontafel, het viltje in de hoek van de kamer, de krant die open lag op de Cultuur-bijlage. Het sportkatern moest nog komen; hij at ook altijd het vlees pas na de groenten op. Zijn vest was blijven liggen op de leuning van de fauteuil.
Kasper leek te slapen. Lola stond op, pakte de halflege zak kaasknabbels die tegen een tafelpoot stond van de grond en vulde een kom, zíjn kom. Ze pakte de andere kom, de mijne. Er zaten nog knabbels in, ik had geen honger. Ik heb nooit honger als er spanning in de kamer hangt. Ze vulde de kom bij, stond op en liep naar mij toe.
‘Hier, lekker.’
Ik pakte de kom aan en ze liep terug, pakte de aansteker van tafel en stak na een paar weigeringen de half opgebrande kaars aan. Ze ging op de sofa zitten, trok haar handschoentjes uit en legde ze op de leuning, waarna ze met licht gekromde hand op de plek naast zich wreef.
‘Kom je ook?’
Gedwee zette ik me naast haar neer. Met bungelende beentjes knabbelde ze aan haar chips, met een tevreden glimlach in de kaarsvlam kijkend. Ook ik at mijn chips, omdat ze er zo op aangedrongen had. Als ik naar haar keek, moest ik mezelf ervan overtuigen dat niet zíj het was die het licht verspreidde.
‘Zullen we een film kijken, Lola?’
Met een grijns die haar ogen nog kleiner maakte beantwoordde ze mij. Ik haalde de televisie van standby en speelde de Amerikaanse film af die ik vanmiddag al in de dvd-speler had gestopt. Een kerstfilm. Daarna pakte ik het kleed dat naast de sofa opgevouwen lag en drapeerde het plechtig over onze benen. Ik keek naar haar bovenbeentjes die als spoorrails door het kleed heen staken en vulde haar kommetje chips bij. Voor mezelf ook. Ze kroop tegen me aan en ik legde een arm om haar heen.
Na een kwartier bedacht ik me: ‘Kun jij dit al lezen?’ Glimlachend schudde ze van nee. Toen heb ik een uur lang de ondertiteling voorgelezen.

Op het moment dat de ouders van het dappere jongetje uit de film terugkeerden naar hun huis, waarop hij gepast had, stopte er ook bij ons een auto. Op de parkeerplek voor het huis natuurlijk, die vroeg in de avond vrij was gekomen. De motor bleef lopen en even later werd er aangebeld. Kasper werd wakker en begon te blaffen. Ik keek op de klok. Het was een uur ’s nachts.
Hij komt zijn vest halen. Misschien is hij dronken. Waarschijnlijk was hij dronken. Ik draaide mijn hoofd naar Lola, ze keek me al aan.
‘Zou jij je misschien even in die kast willen verstoppen en héél stil zijn? Er staat iemand voor de deur die heel erg verlegen is en alleen durft te komen als er niemand anders is dan ik.’
Zonder iets te zeggen sloeg ze een hoek van het kleed om en ging in de voorraadkast staan. Kaarsrecht, als een soldaat. Ik sloot de deur en liep de gang in, zuchtte diep voordat ik de deur opentrok.
‘Goedenacht mevrouw, politie. U weet ongetwijfeld dat er al een paar dagen een meisje vermist is?’
Ik schudde van nee.
‘Wij hebben informatie gekregen dat ze mogelijk bij u in de woning is. Zouden wij naar binnen mogen?’
Ik liet hem binnen, waarna de volgende agent uit het donker verscheen, toen nog een. De buurvrouw bleef op haar tuinpad staan met de armen over elkaar geslagen.
Na zo’n twee minuten werd Lola gevonden. Ik werd bij mijn armen gepakt en tegen de muur gezet. In mijn oor klonk boven het gehuil van Kasper uit het geschreeuw dat alles wat ik zei tegen me gebruikt zou worden.
Ik probeerde mijn hoofd nog van de muur af te draaien, Lola te zien, maar werd zo hard teruggedrukt dat ik het uitschreeuwde van de pijn in mijn neus.

Nu sta ik hier, voor de houten bank, mijn advocate naast me. De rechter komt binnen, maar ik speur de zaal door, kijk de slachtofferhoek in, zoek een glimp van Lola. Een getormenteerd gezicht van een vrouw die haar moeder moet zijn (ze heeft dezelfde kleine oogjes) en een groep mannen om haar heen. Maar geen Lola.
Voor mijn ogen verschijnt een visioen dat ze thuis op me wacht. Op haar knieën zittend naast Kasper, met een kom chips in haar handen.