Categorieën
Fictie

Levenslijnen

In de gang lopen allemaal strepen over de vloer. Eerst lijken de kleuren door elkaar te lopen, maar dan onderscheidt Ellen toch vier duidelijke banen, een rode, een blauwe, een gele en een zwarte. De strepen lopen vanaf de deur van de woonkamer allemaal naar links, de zachtgeel betegelde gang in. De gang doet haar denken aan haar school vroeger, ook door de hoge ramen, maar hier zijn geen kapstokken waar je je jas moest hangen. Aarzelend blijft ze staan, wat ging ze ook alweer doen? Of wacht ze op iemand?
Er is niemand in de gang. Ze besluit de lijnen te volgen en komt bij de plek, waar de blauwe lijn afslaat naar links en stopt bij twee deuren. Wat nu? In de hoop dat de twee deuren haar zullen vertellen wat haar doel is, loopt ze erheen.
“Nee mevrouw De Klein,” schalt er ineens een stem door de gang, “Ik zei dat u de RODE lijn moest volgen!”
Ze schrikt zo erg dat haar benen wankelen. Ze pakt de kruk van de deur vast en blijft even staan. Mevrouw de Klein? Ze heet Ellen! De juf moet iemand anders bedoelen. Maar uit vrees dat de stem haar weer op haar kop zal geven, durft ze zich bijna niet te bewegen. Als er snelle voetstappen klinken in de gang, draait ze zich langzaam om.
Voor nare dingen moet je niet weglopen, zei mama ooit.
Het is weer een vrouw in het wit, maar ze ziet er jonger uit dan anders. Meer een meisje. Ze heeft bruine haren die ze in een staartje draagt.
“Ik breng haar wel even,” roept ze terug de gang in.
“Leg het uit!” schalt de stem weer, “Ze moet het zelf kunnen. We hebben meer te doen!”
Ellen draait zich in de richting van het geluid en ziet de schim nog net verdwijnen. Ze heeft meer te doen.
Het meisje geeft haar een arm, die geen zeer doet. Ze praat over de lijnen op de vloer, die zo handig zijn. De RODE lijn gaat naar de toiletten. Er is een blauwe lijn naar de slaapzaal, die moet ze ook onthouden. De rest komt wel. Het went vanzelf.
De stem praat zacht en vriendelijk, terwijl ze samen de rode lijn volgen die naar de toiletten gaat.
“Moet ik u helpen?”
Ellen schudt nee op die vreemde vraag, ze zijn er toch al?
“Terug moet u ook de rode lijn nemen, dan komt u vanzelf weer in de woonkamer, maar ik wacht nu wel even.”
Terwijl alle toilethandelingen als vanzelf gaan, blijft er een beeld in Ellens hoofd hangen waarom ze steeds moet glimlachen. De rode lijn. Het klinkt als een buslijn die ze moet nemen. En hij loopt door de gang van de school.

Het meisje staat nog te wachten, als Ellen weer naar buiten komt.
“Heeft u uw handen gewassen?”
Natuurlijk heeft ze dat. Het meisje is nogal bemoeizuchtig, maar ze kijkt er wel vriendelijk bij. Ze geeft haar weer een arm en samen stappen ze op de rode lijn.
“U bent hier nog niet zo lang, hè?”
Ellen heeft werkelijk geen idee. Alles is hier vreemd en bekend tegelijk.
“Ik denk het niet,” zegt ze voorzichtig.
“Ik ook niet,” zegt het meisje.
De rode lijn stopt bij de huiskamer; achter de drempel zijn de gele tegeltjes weg en ligt er linoleum. Ellen kijkt de kamer in, er zijn zoveel stoelen dat het haar verwart.
“Zet haar maar alvast aan tafel, Merel,” zegt de zuster van net. Haar stem schalt niet meer, maar is toch herkenbaar onaangenaam, “Dan hoeft dat dadelijk niet. Doe Holman ook maar. Zijn we wat eerder klaar.”
Het meisje heet Merel. Ellen vindt het een mooie naam, die bij het meisje past. Misschien door de bruine haren en de bruine ogen, die aan de natuur doen denken. Aan bomen in de tuin als het herfst is. Al gaan de merels dan weg naar het zuiden omdat ze geen zin hebben in de winter. Zoals Thomas naar zijn werk gaat, omdat hij geen zin heeft in thuis. Voor nare dingen kan je immers best weglopen. Wegvliegen zelfs.
“We gaan zo eten,” zegt Merel, terwijl ze een stoel uitnodigend naar achteren schuift. Ellen wil dat best geloven. Merel kijkt vriendelijk, zij zal deze winter niet weggaan. Hoewel Merel daarna naar het raam loopt en een rolstoel van de rem haalt, voelt Ellen zich niet in de steek gelaten. Ze heeft op school een nieuw vriendinnetje ontmoet.
Samen zijn ze nieuw, dat geeft een band.