Categorieën
Fictie

Levenloos landschap

Levenloos landschap

Boterhammen, bananen, water, sultana’s, zonnebril, EHBO-kit, mobiel. Ik stop alles in mijn rugzak, doe mijn groene parka aan, niet erg ladylike, maar dat ben ik toch al niet, en stiefel de camping af. Ik had me verheugd op lange wandelingen over bochtige paadjes, langs houtwallen, bosjes en verborgen weilanden. Waar ik woon bestaat het enige groen uit een strook gras langs een drukke weg met enkele zieltogende bomen. Geen natuur die mij aanspreekt.
Helaas, is het hier niet veel beter: de camping ligt aan een kaarsrechte strook asfalt, geflankeerd door zomereiken en een enkele beuk. Om deze saaie weg zo snel mogelijk achter me te laten, zet ik er meteen flink de pas in. Al gauw dendert een tankauto met veevoer vlak langs me heen. Van schrik schurk ik tegen een beuk. Op zijn stam is een gele stip aangebracht. Het teken dat deze boom binnenkort ten prooi valt aan de kettingzaag. Jammer, want de kreunende bomen geven nog enige sjeu aan dit industriële landschap van grasvlakten zo glad als een biljartlaken.
Een belletje drukt me weer de berm in. Een man en een vrouw op een e-bike, allebei gekleed in hetzelfde donkerblauwe jack. ‘Wat is het hier mooi groen,’ hoor ik ze zeggen, terwijl ze verder stuiven over de lange rechte weg. Ik zou graag zo willen genieten als zij, maar de felgroene weilanden en de strak in het gelid staande maïs trekken voor mijn gevoel al het leven uit het land. En ook uit mij.
Moedeloos loop ik verder. Nog een paar stappen en dan ben ik aan beide zijden ingesloten door een muur van manshoge maïsstengels. Er is nergens ruimte voor een doorkijkje of een blik op een kerktoren. Ik krijg het er benauwd van, helemaal na het verhaal van de campingbaas vanmorgen dat de giftige stoffen in de maïs hele bijenvolken kunnen uitmoorden.
En misschien ook wel de vogels, denk ik er bij. Mezen, kwikstaartjes, tjiftafs, die hier van nature thuis zijn, heb ik nog niet gehoord. Ik zie alleen een paar kraaien die op de asfaltweg hun voedsel bij elkaar pikken. Verderweg krast een ekster, houtduiven vliegen koerend op. Vogels die ik ook in de stad tegenkom.
Na ongeveer honderd meter bereik ik eindelijk het eind van het maïsveld. Daar kan ik kilometers ver kijken. Houtwallen hebben plaatsgemaakt voor lange stroken prikkeldraad. Als ik ingespannen tuur ontwaar ik nog net de nok van een rood pannendak boven een grijze ligboxenstal, zo groot als een industriehal. De karakteristieke hoeve is een speelgoedhuisje naast de enorme schuren en voedersilo’s die als een raket naar de hemel wijzen.
Mijn humeur wordt er niet beter op als ik achter een bungalow het gerammel van kettingen, vergezeld van een klagelijk geloei hoor. Het lawaai wordt vergezeld van een scherpe geur van mest, vermengd met zurige melk en kuilvoer. De koeien staan zo te horen op deze mooie dag op stal. Eigenlijk had ik ze in de wei verwacht, dat had het troosteloze landschap nog wat opgevrolijkt.
Ik zie even geen auto’s aankomen en stop om wat te drinken. In de slootrand steken een bosje boerenwormkruid en enkele verdwaalde leeuwenbekjes geel af tegen het dorre gras. De laatste dauw verraadt een spinnenweb. Ik volg een bruine naaktslak, zijn ogen als horentjes op zijn kop, die traag oversteekt. Voor de rest is alles doods.
Op mijn mobiel zie ik dat er na het volgende maïsveld een rustig zandpad lonkt. Opgelucht loop ik verder. Maar dat is van korte duur. Opeens hoor ik achter me een onheilspellend geloei, alsof er een vliegtuig opstijgt. Een blauwe New-Holland tractor met daarachter een mestinjector neemt de hele weg in beslag. De bestuurder zwaait vriendelijk, maar zijn gevaarte is te breed. Hij dreigt me te vermorzelen. Een duik in het maïsveld behoedt me voor een voortijdige dood. De boer heeft niets in de gaten, hij rijdt gewoon door.
Ik val met mijn hoofd op een steenklont, even weet ik niet meer waar ik ben. Het lijkt of de maïs zich vijandig over me ontfermt. Ik sta, ondanks een lichte duizeling, snel op, voel aan de bult op mijn hoofd, veeg een druppeltje bloed van mijn armen en besluit mijn wandeling te vervolgen door het maïsveld. Voorzichtig duw ik de stengels, die in nette rijen staan opzij en wurm me erlangs.
Een unheimisch gevoel overvalt me terwijl ik langzaam doorbanjer. Ik zou niet de eerste zijn die verdwaald tussen dit meer dan manshoge groen. Als ik maar een rechte lijn volg kom ik vanzelf wel ergens aan, denk ik.
Na wat lijkt uren zwoegen wijken de stengels en sta ik op het erf van een boerderijtje dat typerend is voor de Achterhoek: woonhuis en stal onder een grijs dak met een rood schutbord. De langwerpige ramen worden geflankeerd door groene luiken. Voor de ramen hangen gehaakte gordijntjes en bij de voordeur staan potten met bloeiende geraniums.
Ik kijk verbaasd om me heen. Het lijkt of de tijd hier heeft stilgestaan. Toen ik veertig jaar geleden in deze streek stage liep zagen de boerderijen er ook zo uit. Ik aarzel even of ik terug de maïs in zou lopen, maar ik zie er tegen op me weer door de stengels te wringen. Daarom loop ik langs het huis heen richting een pad om vandaaruit de weg naar de camping te zoeken.
In een kleine moestuin staat een jonge vrouw in een spijkerbroek, een vaal t-shirt en groene rubberlaarzen.
Ik kuch, ze kijkt wantrouwend op.
‘Wat mo ‘j,’ vraagt ze.
‘Ik ben verdwaald.’
‘Dan hebt u een eind gelopen,’ zegt ze met een Achterhoeks accent.
Langzaam komt ze overeind, veegt haar handen af aan haar broek en wenkt me mee te komen. Zo’n vrouw alleen kan weinig kwaad, zie ik haar denken. Ik heb wel zin in koffie na alles wat ik heb meegemaakt. Bij de deur van de woonkeuken blijf ik verrast staan. De geur van verse soep doet me denken aan de boerderij waar ik vroeger regelmatig kwam. Ook daar stonden een gietijzeren wit fornuis van Etna, houten stoelen met een rieten zitting en een forse formica tafel.
Ze giet het hete water op de koffie en zet twee witte kopjes met lichtblauwe vergeet-me-nietjes en bijpassend schoteltjes klaar.
‘Waar komt u vandaan?’
Ik vertel haar over mijn wandeling door het levenloze landschap en de tractor die me van de weg afblies. Ze kijkt me niet begrijpend aan.
‘Levenloos landschap, rechte wegen, waar dan?’
‘Achter het maïsveld waar ik uit ben gekomen.’
‘Welk maïsveld?’ vraagt ze achterdochtig.
‘Nu dat achter de stal ligt’.
‘We verbouwen geen maïs.’
Samen lopen we naar buiten. Ik knijp mezelf in mijn arm. Is dit een droom of is dit de werkelijkjheid, vraag ik me af. Waar ik een half uur geleden uit de maïs kroop, ligt nu een kruidig weiland met rood- en zwartbonte koeien, omsloten door houtwallen dicht begroeid met sleedoorn, meidoorn en sneeuwbes. In de verte golft het graan, daarvoor liggen enkele percelen met aardappelen.
De jonge vrouw neemt me mee naar een bosje met eeuwenoude beuken en zomereiken, waarin de lijsterbes een rode gloed achterlaat. Aan de bosrand staat een ander boerderijtje. Het rode dak verdiept het landschap dat kleurt van lichtgroen naar een meer donkere tint, van lichtbruin naar bijna zwart en het geel, wit, paars, rood van de bloemen.
Het landschap zingt. In de heggen tjilpen musjes, een pimpelmees fluit, de tjiftjaf roept zijn naam, een specht geeft een roffel te berde. Het graan deint mee, de bloemen in het gras dansen en de talloze eiken ruizen op de achtergrond. In de bossen kraken de takken op de maat. Een buizerd zoeft als slotakkoord naar beneden. Dit is het landschap waar ik naar op zoek was.
Ik stamel ‘Waar ben ik?’
‘Vlakbij Eibergen,’ zegt ze.
‘Maar daar ziet het heel anders uit.’
‘Ik weet niet waar je het over hebt. Ik woon hier al mijn hele leven en heb nooit iets anders gezien.’ Ze heeft duidelijk genoeg van mijn geraaskal en kijkt op haar horloge.
‘Ik moet echt verder. Mijn man komt zo van het land en de kinderen uit school.’
Ze ziet mijn verwarring en vraagt wat vriendelijker: ‘Waar moet u naar toe?’
‘Naar de camping.’
‘Camping, houdt u me voor de gek, er is hier geen camping in de buurt.’
Ze beent met grote stappen naar binnen en komt terug met een paar appels.
‘Voor onderweg en nu maken dat u wegkomt.’
‘Winterswijkseweg,’ probeer ik nog.
‘Bij de weg linksaf, de eerste zandweg links’.

‘Mevrouw, mevrouw’, hoor ik in de verte. Iemand slaat me in mijn gezicht. Als ik mijn ogen open staart een oudere vrouw in een wijnrode jurk me aan. Haar fiets rust tegen een boom.
‘Ik zag u vallen,’ zegt ze, ‘alles goed.’
Ze trekt me overeind en slaat de aarde van mijn jas.
‘Ja, zeg ik terwijl ik aan mijn bult voel. ‘Ik ben blij dat u me gevonden heeft.’
Wat wankel loop ik het miasveld uit.
‘Vergeet de appels niet, die ik u gegeven heb,’ roept ze me na.