Categorieën
Fictie

Leven in de diepte

Ik zit naast Karlijn op een flauwe helling in het gras. Voor ons ligt een betonnen vlakte met een paar grote tenten, waar voortdurend mensen in en uit zwermen. Door het zeil heen klinken in een gestaag tempo diepe bastonen, elke tent zijn eigen ritme. Links produceert het oude fabriekscomplex flitsende kleuren die de hoge betraliede ramen het aanzien geven van bewegend glas-in-lood.
‘Durf je het aan?’ vraagt Karlijn.
‘Als jij zegt dat het tijd is,’ zeg ik.
‘Het is tijd.’
Ze graaft in haar broekzak en haalt er een doorzichtig plastic zakje uit. Er zitten vier roze pilletjes in. Met haar wijsvinger wurmt ze er eentje uit. Ze bijt hem doormidden, doet de helft terug in het zakje.
‘Voorzichtig beginnen,’ zegt ze. ‘Je krijgt een kwartje.’ Ze bijt ook het halfje door en geeft het overblijvende stukje aan mij. ‘Doorslikken met water.’ Ze pakt haar flesje, neemt een grote slok, geeft het flesje aan mij. Ik drink en slik door.
‘Vanaf nu mag je geen bier meer, alleen water.’

In de fabriekshal is het donker en klam. Vanaf de buizenconstructie aan het plafond, zo’n zes meter boven ons, hangen zwarte doeken naar beneden die de muren aan het zicht onttrekken. Het gedeelte waar de bar staat is van de dansvloer gescheiden door gestapelde containers. Tussen twee containermuren in is een opening gelaten waardoor zombies naar buiten komen – emotieloos voor zich uit kijkende wezens, met grote pupillen die de ruimte in staren zonder iets te zien, zo lijkt het. Strakke, malende kaken. Tegen anderen op botsend strompelen ze zich een weg naar de bar, waar ze waterijsjes bestellen. Zoet en koud, dat helpt.
‘Kom.’ Karlijn trekt me aan mijn hand mee naar het zwarte gat dat de zombies uitbraakt. Door een walm dichte witte mist waden we ons een weg tussen de zombies door richting het podium, waar een schim met een koptelefoon stampende beats de hal in slingert. Achter hem vandaan priemen rode laserstralen de mist in. Daar waar de zombies iets meer ruimte laten blijft Karlijn staan.
‘Hier?’
Ik knik.
‘Voel je al iets?’
‘Ik voel mijn armen tintelen.’
‘Goed zo. Dat hoort.’

Langzaam word ik de muziek in gezogen, naar de boxen toe, of nee, omhoog, naar het duister dat vibreert boven de hoofden van de zombies. Het trilt daar in trage golven die resoneren in mijn borst, zich vastknopen aan mijn hart dat meedeint in hetzelfde ritme. Een schelle piep dringt door het gebrom, pakt mijn hand, zwiept die op en neer door de zware atmosfeer. Ik waaier heen en weer op mijn benen, aan de grond genageld en tegelijk zo licht als lucht.
‘Gaat het goed?’ vraagt Karlijn.
‘Ik vind je lief.’
Ze glimlacht. ‘Ik vind jou ook lief.’
Ik zie de zombies kijken. Met hun grote ogen dringen ze in de mijne, heel even, maar veel langer dan de levenden. Iedereen kijkt steeds opnieuw voor een eeuwig moment bij iedereen naar binnen. Zweven zij waar ik zweef? Ben ik een van hen geworden? Ik sluit mijn ogen, drijf weg in de tijd en kom aan bij het moment dat ik in de woonkamer bij mijn ouders op mijn buik de krant lig te lezen. Ik ben tien, mijn opa is net overleden. Op de radio klinkt Brothers in Arms van Dire Straits. Het is dan dat ik voor het eerst overvallen wordt door de leegte. Ze baant zich met de muziek een weg door mijn hoofd naar mijn borst en ineens weet ik hoe het is om er niet te zijn, om op te lossen in dat wat niet is, in de oneindigheid voorbij het bestaan. Het is onvoorstelbaar en toch zie ik het met heel mijn wezen, de droeve zwarte diepte. Is dat waar de zombies zijn? Is dat waar ik nu ben? Is dat waar wij uiteindelijk allemaal zijn?
‘Ik ga even een rondje lopen, mijn vrienden zoeken, ok?’ Karlijn legt een hand in mijn zij, praat in mijn oor. ‘Blijf je hier?’
‘Ik was aan het dromen.’
Ze streelt mijn rug. ‘Droom maar lekker verder. Ik kom straks weer terug. Hier blijven staan. En als er iets is moet je me appen, ok?’
Ik knik.
‘En blijven drinken.’ Ze kust me op mijn mond en verdwijnt tussen de zombies.
Ik dwaal weer af naar de diepte boven me, rondom me, in me. De muziek gaat door mij heen, neemt mij mee door haar heen, ik word opgenomen in de golven en tegelijkertijd doorzie ik die golven alsof ik ze zelf gemaakt hebt. De golven en ik zijn één en ineens begrijp ik wat ze zijn, wat dit is, waar ik ben. Dit is muziek teruggebracht tot haar essentie, tot kaal, puur ritme en ik begrijp waarom we ons laten meevoeren, de zombies en ik. Ritme is de basis van de natuur; de cycli van zon, maan, seizoenen, groeien en verdorren en weer groeien, een eeuwige herhaling, met iedere keer slechtst een kleine variatie. Alles is repetitie en daarom is deze muziek de meest directe en meest abstracte vorm van kunst: ze brengt ons terug naar waar we vandaan komen en waar we uiteindelijk weer naar teruggaan. We zitten middenin een oerritueel, deze hal is een tempel en die gast met zijn koptelefoon is onze voorganger, een sjamaan. God is a deejay zegt Faithless en ik snap nu pas wat dat betekent. Alleen is God dood, wij hebben hem vermoord, zegt Nietzsche. En wij hebben hem vermoord omdat hij schijnheilig was, omdat hij ons steeds verder weggeleid heeft van dat waar we naar op zoek waren, in plaats van ernaartoe. Wij keren nu, via de techniek, terug naar de oorsprong. Dat wat uit de boxen schalt is rechtstreeks verwant aan de oerritmes van de traditionele volkeren in de regenwouden van Zuid-Amerika en Afrika. Alleen is onze trance nu kunstmatig opgewekt in plaats van natuurlijk.
‘Hoe gaat het? Vind je het leuk?’ Karlijn is terug.
‘Ik krijg nieuwe inzichten. Dit gaat over Afrika.’
‘Haha, ok. Weet je zeker dat het goed gaat?’
‘Ik heb het alleen een beetje warm.’
‘Wil je nog water?’
Ik knik en geef haar mijn lege flesje. ‘Hier blijven staan.’
Ik doe mijn ogen weer dicht, laat mij opnieuw meedeinen en kom plotseling terecht in de romancyclus De tandeloze tijd van A.F.Th. van der Heijden. Hoofdpersoon Albert Egberts heeft het daarin over ‘leven in de breedte’, over de tijd uitsmeren in een moment waarin herinneringen samenkomen, zodat dat moment een eeuwigheid duurt en het leven vertraagt. De cyclus is inderdaad een steeds verder uitdijend web van herinneringen die het leven van Albert tot in detail vertellen. Ik zou juist het tegenovergestelde willen doen, niet de tijd eindeloos rekken, maar comprimeren, in elkaar drukken tot één enkel moment van pure waarheid, waarin alles zich in een flits openbaart, waarin de wereld niet wordt gevangen in een zich naar alle kanten uitstrekkend tapijt van losse gebeurtenissen, maar waarbij juist alles dat plaatsvindt wordt teruggebracht tot één enkel punt zonder afmeting in ruimte en tijd, waarin losse gebeurtenissen er niet toe doen, omdat ze onbetekenend zijn, futiele manifestaties van iets veel groters dat erachter ligt. En dat wat erachter ligt, dat wil ik kennen. Ik wil los van de dagelijkse dingen, los van het praktische gedoe, los van steeds maar weer dealen met zaken die er niet wezenlijk toe doen. Ik wil leven in de diepte, in plaats van in de breedte.
‘Sorry.’ Iemand stoot mij aan, wil naar de andere kant van de hal, maar de zombies hebben zich te dicht aaneen gesloten. Ik krijg een duw van de andere kant en begin te wankelen. Ik open mijn ogen, maar die vinden geen houvast, de zombies tollen voor mijn ogen. Of zijn het mijn ogen die tollen? De gast met de koptelefoon staat ineens merkwaardig gekanteld en de diepte is plotseling wel heel dichtbij…
Ik vind mijzelf op de grond, iemand grijpt mij onder mijn oksels, zet mij rechtop.
‘Gaat het?’
Ik knik. Ik heb het alleen zo warm. Een gloed glijdt vanuit mijn buik naar boven, naar mijn hoofd. Ik voel van elke haar de plek waar die mijn huid binnen gaat. Ik probeer te kijken naar mijn handen die maar niet stil willen houden. Ik moet naar buiten.
Duwend, botsend, struikelend vind ik de opening in de containermuur. Langzaam raak ik uit de drukte, maar ik moet de hal uit, de frisse lucht in. Ik loop de deur door, de trap af, en eindelijk is het geduw verdwenen, zijn de zombies op een afstand, kan ik weer ademhalen.
Waar is Karlijn?
Ik diep mijn telefoon op uit mijn broekzak. Ik typ: ‘Nite goe dbe nn buite Kom j eme zoek?’

‘Ben je er nog?’ Karlijn streelt mijn arm. Ik zit op een stoel.
‘Hoe lang zit ik hier al?’
Ze glimlacht. ‘Een uurtje ongeveer.’
‘Hoe laat is het?’
‘Het is afgelopen.’
‘Ik ga naar Afrika,’ zeg ik. ‘Leven in de diepte.’
‘Prima,’ zegt ze. ‘Maar eerst gaan we naar huis.’