Categorieën
Fictie

Kraaien

Kraaien

Met de rug van zijn hand veegt hij het zweet van zijn hoofd. Hij balanceert op de bovenste sport van de ladder die hij tegen het huis heeft gezet. Met zijn bovenlijf helt hij naar voren. Zijn linkerhand omklemt de dakgoot. Hij port met de stok zover mogelijk in de holle ruimte onder de afgetimmerde dakrand. De avond is stil en de lucht is vochtig. Het schemert. Die kutbeesten. Al jaren hadden ze last van deze krijsende vogels die alsmaar nestelden onder hun dak. Hij wil er nu voor eens en altijd klaar mee zijn.
Er scheert er één vlak over zijn hoofd. Het geklapper van de zwarte vleugels geeft een luchtstroom tegen zijn voorhoofd. Instinctief slaat hij zijn hand voor zijn ogen. Hij valt bijna. Verdomme. Voorzichtig richt hij zich weer op. Toch weer ontsnapt. Slimme beesten zijn het. Dat had hij gelezen op internet. Ondanks gaas, purschuim of netten wurmden ze zich steeds weer een weg naar de vrijheid.

Het eerste jaar dat ze hier woonden, vond zijn vrouw het geen probleem. ‘Een nestelende vogel, dat is toch ook een stukje natuur Erik’, zei Eva. Hij zag het verband niet. Onkruid bestrijd je ook. En muizen wil je ook niet in huis. Deze lijkenpikkers waren voor hem hetzelfde. Het tweede jaar begon het ook haar te ergeren. Misschien waren het de hormonen die opspeelden. De herrie van het gescharrel onder de dakpannen verstoorde haar nachtrust. En daar had Eva geen zin in. Ze had haar slaap hard nodig, zei ze. ‘En die daar ook,’ en ze wees op haar licht bollende buik. Daarmee gaf ze hem toestemming er wat tegen te doen.

Vanaf dat moment begon zijn kruistocht tegen de zwarte kraaien. Hij telde hoeveel hij er zag aanvliegen. Waar ze precies onder de dakrand verdwenen. Hoe laat ze weer leken weg te vliegen. Hij noteerde exact wanneer hij het getrippel, geschuif en gescharrel hoorde. En wanneer het weer leek te stoppen. Hij noteerde alles zorgvuldig in een excel-bestandje. Tot ‘s avonds laat bestuurde hij de excelsheets op zoek naar wetmatigheden in het gedrag van de vogels. Zocht naar oorzaak en gevolg. En googlede naar oplossingen. Als Eva hem riep om naar bed te komen zei hij ‘zo meteen’, maar meestal lag zij al te slapen als hij eindelijk naast haar schoof.

Op een ochtend keek hij naar buiten en zag hij zes kraaien op de schutting naast zijn achterdeur zitten. Twaalf glimmende oogjes keken hem aan. Staarden hem aan. Verstijfd had hij in zijn ochtendjas teruggekeken. Het leek alsof ze hem een boodschap wilden sturen.
Daarna had het onheil hen getroffen. De baby werd met vier maanden geboren. Eva had stil door het raam gestaard. Naar de tuin waarin de kraaien schaamteloos schreeuwden alsof de dood hier niet binnen huisde. Hij had het opgevat als een diepe minachting voor Eva, voor hem en voor het leven in haar lichaam dat niet wilde volgroeien. De oorlogsverklaring was getekend.

Hij intensiveerde zijn speurtocht naar de afdoende oplossing om de beesten te elimineren. Soms keek Eva hem op een vreemde manier aan als hij vermoeid bij haar zat na uren bestuderen van de excel-tabellen.
‘Weet je nog wel waar je dit voor doet, Erik?’
‘Voor jou en voor de kleine straks,’ antwoordde hij. En hij legde een hand op haar buik. Een nieuwe kans. Die mocht niet mislukken.
‘Weet je het zeker?’, vroeg ze. Leek het maar zo of keek ze hem schamper aan? De tijd die hij nu aan de vogels besteedde zou hij goedmaken. Als de mormels maar eenmaal verdwenen waren. Hij deed het voor Eva. En voor het kind.

De oplossingen die hij uitprobeerde, bleken helaas allemaal tijdelijk. De beesten waren oersterk en slim. Zo vond hij het vernuftige draadwerk dat hij zorgvuldig in de dakgoot had gemanoevreerd weer op het grind van zijn oprit terug. Met een kluwen aan takjes, blaadjes en dons eromheen. De gevleugelde gedrochten hadden zijn gaas als raamwerk proberen te gebruiken voor een nest. Toen het niet naar hun zin was, hadden ze het er weer uitgewerkt. Hij vroeg zich af hoe ze het voor elkaar kregen, maar hetzelfde gebeurde met de andere bestrijdingsmethoden die hij toepaste. Purschuim, netten of pinnen, alles wurmden ze er uiteindelijk weer uit. En telkens moest hij toezien hoe de beesten met noeste ijver weer op- en aanvlogen, nieuw materiaal in hun snavel om hun nest mee op te bouwen. Hij keek er met weerzin en bewondering naar. Een kraai komt altijd terug naar de plek waar hij voor het eerst heeft genesteld, had hij gelezen. Hij vervloekte het. Maar sommige mensen konden daar nog wat van leren.

Hij tuurt nog eens intensief onder de dakrand. Het gaas zit er maar sluit het geheel niet helemaal af. In gedachten ziet hij Eva staan kijken onder aan de ladder. Haar handen in haar zij. Ze kijkt sceptisch. Zo keek ze steeds vaker naar hem. Zeker toen na al zijn inspanningen de kleine kraaien uit het nest waren gevlogen. Die wel.
De gedachte daaraan doet zijn spieren spannen. Hij houdt zich roerloos. De stok in de aanslag. Ze zullen hem niet te slim af zijn nu. Hem niet meer ontsnappen. Zijn leven niet meer verder verwoesten. Hij hoort het schelle gekras, ziet de zwarte snavel onder de rand vandaan steken. Hoort het klapperen van vleugels. Hij heft de stok en nog voordat de vogel over zijn hoofd kan scheren, mept hij hem met alle macht uit de lucht. Die is voor hun eerste kind. Er volgt een tweede kraai. Zijn kraalogen kijken Erik brutaal aan wanneer hij door de goot trippelt en de eerste slagen doet om weg te vliegen. Met een welgemikte slag schakelt Erik ook deze uit. Die is voor de tweede baby die niet wilde leven. Een derde kraai verschijnt. Nog voordat het beest op kan vliegen maait Erik met de stok van links naar rechts en treft het vol op de verbaasde kop. Hij mept nog twee, drie keer boven op het al weerloze dier. Die is voor zijn vrouw die hem verliet. Erik schreeuwt. Een overwinningskreet. Schel en hard.

Dan hoort hij naast zichzelf iemand anders roepen. Hij stopt met schreeuwen. Draait zijn hoofd om. In de schemer ziet hij het niet goed. Is dat Eva die eraan komt? Komt ze terug? ‘Een kraai keert altijd terug naar zijn eerste nest,’ mompelt hij. Hij lacht. Voelt de adrenaline. Hij spant zijn spieren spannen tot het uiterste aan. Ze zal trots op hem zijn. Hij zal het haar laten zien. Dat het hem gelukt is. Dat ze weer kan slapen. Dat hij ervoor heeft gezorgd dat ze haar zwangerschap in alle rust tot een goed einde kan brengen. Hij sluit even zijn ogen. Richt zich dan met uiterste concentratie op de dakgoot. Gefocust op de volgende kraai die gaat verschijnen. De stok zwiept hij langzaam, als een zwaardvechter, van links naar rechts door de lucht. Klaar om te slaan als het moet. Klaar om Eva te laten zien dat hij wel van aanpakken weet. Gesterkt in de wetenschap dat het Eva is die hem van achteren nadert.

Ze loopt haastig de grote parkachtige tuin in. Het schemert. De avond is stil en de lucht is vochtig. Erik was weer eens niet te vinden in huis. Meestal weet ze wel waar hij uithangt. Ze zucht. Kijkt op haar horloge. Het is al half tien. Ze rilt in haar uniform met korte mouwen. Om tien uur is de wisseling van de avond- met de nachtploeg. Over een uur is het helemaal donker. Dan moet hij echt binnen zijn. Ze loopt langs het dagverblijf naar het oude tuinpaviljoen met de overstekende dakoverstekken. Ze wist het. Zijn silhouet tekent zich af tegen de donker wordende hemel. Zijn wiekende armen malen door de lucht. Als een dolgedraaide windmolen. ‘Erik!’ Ze roept hem. Een keer. Twee keer. Hij stopt met meppen en draait zich om. Heel even. Dan ziet ze hoe hij weer rechtop gaat staan, de stok beetpakt en deze met grote trage zwaaien van links naar rechts beweegt, als een samoeraivechter, in uiterste concentratie, klaar om toe te slaan als het nodig is. God mag weten waarop hij het gemunt heeft.
Ze zucht. Ze kent Erik inmiddels twee jaar, genoeg om zijn toestand van vandaag in te schatten. Ze draait zich om. Loopt resoluut terug. De nachtploeg moet hem maar weer naar binnen praten.