Categorieën
Fictie

Koude koffie

Het is nu zo’n twee maand dat we elkaar aan het leren kennen zijn. We spreken als vanzelf om de twee dagen af. Op onze uitstappen veroveren we menig fietsostrade, gaan op wildpluk-jacht naar eetbare kruiden of zwemmen tussen lelies in de kronkelende vaart. De betoverende plekken die we ontdekken beloven we onder ons te houden. We bouwen hoopjes van onszelf in het huis en het hoofd van de ander. Onze harten staan open.

En toch.

Hij knapt af op mijn West-Vlaamse accent. Hij maakt zich zorgen over wat zijn vrienden denken van dat accent, en van mij. Sinds hij die bekommernis een aantal dagen geleden met me deelde, stel ik mij vragen over zijn karakter. Voorts blijf ik me afvragen of we seksueel wel matchen; ik heb meer goesting dan hij, en mijn vagina en zijn penis passen niet goed ineen – er is te veel tussenruimte.

Maar toch – uiterst onwaarschijnlijk gezien de weinige seks – ligt op de ontbijttafel de mogelijkheid van een zwangerschap. Er was die ene keer dat eerst hij de prikkende stof van de zetel onder zijn rug voelde, en daarna ik de koude van de keukentafel aan mijn billen en daarna ik nog eens met mijn rug tegen de grillige stenen muur van het terras. In het plukken van het moment, wilden we geen condoom zoeken en besloten dat hij op tijd zou terugtrekken.

De dagen erna werden we achtervolgd door vragen rond voorvocht en wispelturige cyclussen. Voor de zekerheid, of eigenlijk vooral voor de gemoedsrust, haalde ik een test, waar ik net nog een aantal seconden goed mikkend op zat te plassen. Statig en kordaat verscheen de linker streep meteen op het testresultaat.

Ik kom terug in de keuken en leg de test naast de french press, waarvan hij net de filter naar beneden duwt. Hij smeert een boterham met choco en legt die op mijn bord. Ik schenk ons beiden een kop koffie uit en nestel me gehaakt op zijn schoot. Mijn polsen rusten op zijn schouders en zijn handen vallen tegen mijn dijen aan. Onze tassen dampen naast elkaar. Nog enkele minuten wachten en dan zien we of ook de streep aan de rechterkant van de test tevoorschijn komt.

Ik neem de kop koffie in mijn handen en laat me dieper neerdalen in zijn schoot. “Dat is best vervelend voor je om dan abortus te laten doen,” zegt hij plots. Het is geen vraag. Ik bekom met een slok van de koffie. “Wie zegt dat dat is wat ik zou doen?” begin ik. “Misschien vind ik een baby niet erg. Het zou wel eens een positieve uitdraai kunnen hebben. Het kan me een doel geven, iets om voor te leven. En het zwanger zijn, het bevallen, …” Ik drink kracht uit de sterke koffie. “… dat is mooi toch? Of het kan toch mooi zijn.”
Alle kleur trekt weg uit zijn gezicht. De man die in elke situatie ad rem een taalmop verzint en moeiteloos monologen reciteert in theaterzalen, stamelt wat woorden aaneen. Ik begrijp niet wat hij zegt.
“Ik kan dat ook alleen doen, hé,” maak ik mijn betoog groter. “Hoe zeggen ze dat? Een BOM?” Ik leun wat meer naar achteren, zet de lege kop weg en kruis mijn armen. Ik spui verder mijn bedenkingen uit. “Abortus is toch niet de enige oplossing. Ik vind dat we daar wel even over mogen nadenken. Wat vind ik belangrijk in het leven? Wat vind jij? Waar willen we naartoe, samen en alleen? ‘t Is anders net alsof ik verkouden ben en tussendoor even snel naar de apotheek ga voor keeltabletten.”
Hij zwijgt in alle talen die hij spreekt. Ik ruil de warmte van zijn schoot voor mijn stoel en neem een hap van de boterham die er nog ligt.
“En ook,” zeg ik met mijn mond halfvol, “dat gaat hier nog altijd over mijn lichaam, en eigenlijk veel meer over mijn leven dan over het jouwe. Want zoals ik zei, ik kan dit gerust alleen.”

“Dat kan ik niet.” Hij weet eindelijk iets uit te brengen. “Wetende dat ergens dan een kind van mij rondloopt. Wat zouden mijn ouders…”
Ik laat hem zijn zin niet afmaken. “Je ouders? Maar die hebben hier toch niets mee te maken? Die hoeven niet eens van iets te weten.”
“Dat kan ik niet.” Hij zit vast in zijn hoofd. Hij vindt er maar vier woorden.
Ik sper mijn ogen wijder open en mijn schouders gaan ietwat mee omhoog. “Op zich wil ik geen kind hé,” zeg ik. “Ik heb geen kinderwens, nooit echt gehad. En wij zijn nog zo pril. Maar dan nog. Evengoed zijn wij hier keiblij mee.”
Peinzend werk ik verder de boterham naar binnen. “Ik vind dat we tenminste de mogelijkheid van een kind kunnen overwegen”, mompel ik. Een kruimel en een speekseldruppel vallen op mijn bord. “En ik voel me wel getroffen in mijn feministisch hart wanneer jij meteen begint over een abortus.”
Even hou ik op met knabbelen. “Vind je dat dan zo evident? Jij zou zo maar beslissen wat ik met mijn lijf mag doen?”

De nodige tijd is verstreken en er is nog steeds maar één streep te zien op de balpenvormige plastic staaf. Hij ziet het ook. We kijken naar elkaar.
“Pfoe”, zucht hij. Op zijn beurt spert hij zijn ogen wat wijder open en zijn hoofd schokt ietwat naar voren en weer terug. Hij schuifelt naar voren op zijn stoel, legt zijn handen op mijn billen en zegt: “Wat een geluk.” Hij neem een boterham uit de zak en de pot choco, smeert, en neemt een slok van zijn koffie. “Meh,” zijn mondhoeken trekken naar beneden. “Koud.”