Categorieën
Fictie

Kondmapje of Afscheid van Dik

Het was zo’n grauwe winterdag met niets dan miezerregen. Buiten was het koud en donker, alsof het de dag niet gelukt was om helemaal door te breken. Er moesten boodschappen gedaan worden, dat wist ze. De hele ochtend al was ze bezig geweest om aanstalten te maken. Woorden en beelden die te maken hebben met het doen van boodschappen, dwaalden door haar mistige hoofd. Handschoenen, tassen, broden. Pasjes, melk, sigaretten. Geld. Melk. Blikjes voor de kat. Voorgekookte bietjes met een rundervinkje, mandarijnen. Sokken, schoenen, sleutels. De tas op wieltjes. De schoenen met veters.
Ze bewoog zich traag door het huis, woorden bijeensprokkelend voor op het boodschappenlijstje dat ze vergat te schrijven. Later op de dag, toen ze uitgeput op de rode oorfauteuil was gaan zitten, had Poes zich op haar schoot genesteld. Dat was aangenaam, omdat de centrale verwarming om de een of andere reden gestopt was met het afgeven van warmte. Haar voeten stonden koud en stijf op het zwarte karpet.
Ze viel een beetje in slaap. De kat spinde en wurmde haar snuit onder de roerloze hand van haar bazin, op de hoop geaaid te worden. Ze schrok wakker van de gedachte dat ze iets belangrijks vergat aangaande de boodschappen. ‘Mondkapje!’ gilde ze. Poes sprong van schrik weg. ‘Kondmapje!’ echoode de stem van Dik. Ze knikte instemmend. ‘Jij hebt een punt,’ zei ze. Kordaat stond ze op, liep naar de la met wegwerpmondkapjes en peuterde er bibberend een uit de verpakking. Met de dikke zwarte stift schreeft ze er heldhaftig het woord KONDMAPJE op. Het werd vlekkerig en er bleven stukjes pluis plakken aan de punt van de stift. Gerrie zette het mondkapje op en snoof voldaan de geur op van de permanent marker. ‘Did you inhale, Mrs. Robinson?’ vroeg Dik gekscherend. ‘I did not inhale, Mr. Robinson,’ antwoordde ze koket.

Uit het niets begon Dik een boodschappenlijstje te declameren. Gerrie griste een enveloppe van War Child van een stapel post en schreef haastig mee:

Gerrie, de boodschappen?
1 half bruin
1 melk
slagroomtoetjes
1 boter
bietjes en krieltjes
rundervinkje
mandarijnen
sigaretten
toiletpapier
zalm in jus
portemonnee, tas, sleutels

Het duurde even voor ze besefte dat portemonnee, tas en sleutels niet op het lijstje moesten, maar dat ze die voorwerpen mee moest nemen. Braaf zocht ze de spullen bij elkaar, pakte zichzelf warm in, zag in haar ooghoeken dat Dik instemmend knikte.
Het was harder gaan regenen. ‘Dat wil jij niet, ga maar weer naar binnen’ had ze Dik horen zeggen. Hij zei het tegen Poes, die besluiteloos in de deuropening bleef staan, verlangend naar de jacht maar teleurgesteld in de koude nattigheid buiten. Poes luisterde naar Dik, zoals altijd. Ze ging naar binnen en nam plaats op de vensterbank, om het laatste stuk van de dag naar buiten te kijken als een verveelde raamhoer. Daar ging haar bazin. Haar grote brillenglazen hingen beslagen boven het mondkapje. Met een kromme rug slofte ze door de plassen, de tas op wieltjes achter haar aan slepend.

In de supermarkt probeerde Gerrie nadrukkelijk uit te stralen dat er niets aan de hand was. Ze had het gevoel dat mensen haar aanstaarden. De hoofden van mensen volgden haar, zoals de hoofden van het publiek bij een sportwedstrijd de bal op het veld volgen.
Toen ze al in de rij voor de kassa stond, ontdekte ze dat ze het blikje voor Poes was vergeten. Met karretje en al duwde ze zichzelf de rij uit, worstelde zich stroef door de twee rijen daarnaast, schampte met haar karretje de lijven van mensen die niet welwillend plaats voor haar maakten en vond tot haar opluchting het schap met kattenvoer aan het einde van de rij achter kassa 4. Honderden katten staarden haar welwillend aan vanaf de verpakkingen van zakken, dozen en blikjes. Ze knikte de menigte van dierenvrienden toe. Er lagen een stuk of veertig blikjes ‘variatie zalm in jus’ en die laadde ze allemaal maar in haar karretje. Je weet tenslotte maar nooit, het zijn rare tijden.

Bij het afrekenen werd ze aangestaard door een vrouw met paars haar en een vingerdikte grijze uitgroei. Haar mond hing open alsof ze was begonnen iets te zeggen, maar was blijven steken in een woord. ‘Kun je ‘t zien?’ riep Gerrie met barse stem. ‘Ik. Doe. Boodschappen.’ ‘Schoodbappen!’ echoode Dik, waarop Gerrie samenzweerderig met hem lachte.

Toen ze thuiskwam, was Dik er niet. Dat wist ze, maar ze was het vergeten. Ze was er van uitgegaan dat hij er zou zijn om haar een kus te geven en de tas aan te pakken. Daarna zouden ze zich allebei bezig houden met het uitpakken en opbergen van de boodschappen, elkaar daarbij voor de voeten lopend in hun popperig kleine keukentje. Dik zou dan Poes te eten geven en naast het diertje bukken om haar te aaien, terwijl ze haar eten naar binnen schrokte alsof ze net zo hongerig was als op de dag dat ze aan was komen lopen. Daarna zou Dik opstaan en de band van zijn broek zo hoog mogelijk optrekken, tot vlak onder zijn buik. En dan zou de avond beginnen, de lange avond die gevuld werd met koken, eten en afwassen, met het acht uur journaal en af en toe wat woorden die ze zouden wisselen. Ze zouden om half tien zwaaien naar de overbuurman die zijn hond uitliet (behalve op vrijdag, dan deed zijn ex het), en dan zo stilletjesaan samen naar boven gaan.
Nu begon de avond ook. De boodschappentassen waren op het aanrecht gezet. De pannen stonden zoals altijd klaar. Gerrie, de vrouw van Dik, stond in hun keukentje en staarde naar het mondkapje in haar handen. ‘Kan weg,’ zei Dik. Gerrie opende de smalle, hoge pedaalemmer en gooide het ding weg. Het deksel sloot met een metalen plof. ‘Geggewooid,’ zei Dik.

Op een zeker moment ging de donkere dag over in de nacht. Gerrie liet haar eten staan, boos over het feit dat Dik zijn rundervinkje onaangeroerd liet. Uit wraak keek ze niet naar het acht uur journaal. Ze aaide de kat en liet de televisie demonstratief uit. Haar lippen kneep ze in een boze, dunne streep. Uit de verwarming kwamen suizende geluiden. Gerrie had de zwart met gouden gordijnen gesloten en de onderkant op de vensterbank gelegd, zodat niet alle warmte van de centrale verwarming achter de gordijnen bleef. Ze had ook geen zin in pottenkijkers, geen trek in naar binnen loerende buren die zich nieuwsgierig afvroegen hoe of het nu toch ging met Gerrie, na alles. Als een trage, zwarte slak gleed de avond voorbij. Gerrie gleed even ongemerkt haar bed in, tanden niet gepoetst en met haar rok en vest nog aan. ‘Je horloge nog,’ zei Dik. Irritant van hem, want ze sliep net. Ze peuterde het dunne horlogebandje van haar pols, wreef over de afdruk die het had achtergelaten in het vlees van haar arm, sloot haar ogen en deed alsof ze sliep.

De volgende ochtend ging haar telefoon. Het was huisartsenpraktijk De ganzenbloem. Gerrie besloot niet op te nemen. De huisartsenpraktijk hoefde haar ook niet per se te spreken, want al na vier keer overgaan hield de beller het voor gezien. ‘Ik ben dus geen noodgeval,’ constateerde Gerrie monter. Op de een of andere manier voelde dat als winnen. De thuiszorg had ze gisteren al afgebeld, het einde van de lijst met af te poeieren bemoeizuchtigen was nu in zicht.

Vanaf ongeveer die ochtend bracht Gerrie haar dagen door met spelletjes Yahtzee tegen zichzelf. De keuken vulde zich met de Yahtzee-briefjes waarvan Dik er pas nog een enorme voorraad had uitgeprint en uitgeknipt. Ze won vaak, en ongeveer even vaak verloor ze. Ze lunchte met puddingbroodjes en sigaretten, of alleen met sigaretten, als de puddingbroodjes in het gebakschap van de supermarkt er uitgedroogd uitzagen.
Soms sliep ze een gat in de dag, als ze ‘s nachts was opgebleven. Opblijven was de enige manier om te ontsnappen aan de nachtmerrie die zich met regelmaat aan haar opdrong zodra ze de slaap had gevat. Dan was ze zelf opeens die buurvrouw die haar hondje in een tas meedroeg, en die er haast met haar neus bovenop zat toen Dik werd vastgegespt op de brancard. Dan werd ze door een ambulancebroeder in een austronautenpak gesommeerd om aan de kant te gaan en klemde ze geschrokken de tas met hond tegen haar borst. Ze wilde niet aan de kant gaan, ze wilde haar gezicht begraven in de grijze badjas van Dik, zijn blauw aangelopen lippen kussen, bij hem op de brancard klimmen. Maar dat mocht niet. Er waren stemmen die dingen zeiden, gedaanten. Er was het geluid van de dichtklappende deuren van de ambulance, er was Gerrie die daar stond met een krijtwit gezicht, roerloos in het blauwe flitsende licht.