Categorieën
Fictie

Koffie

1.
“De koffie is op.”
“Laat in de keuken nog een kan vullen.”
“Er is geen koffie meer in de keuken. We moeten naar de winkel voor koffie.”
“Ik kan hier niet weg schatje, ik kan hier niet weg.”
“Dan ga ik.”
“Nee, je blijft bij mij. Ik kan niet weg.”

Het is 1992. Ik ben zes. Ik schuil onder een tafel in een parochiezaal, tussen oude benen in panty’s van 100 den, de geur van gepoetste schoenen, het licht van de late zomerzon gebroken door het witte tafellaken. Tussen gefluister, vingergeroffel en af en toe schuldig gelach. Aan het raam helemaal achterin ruziën mijn ouders. De handen van papa trillen, mama frunnikt aan haar linkeroor. Ik zie hoe de paniek in hun lijf zich manifesteert, zich een weg naar buiten baant. Papa krabt zijn voorhoofd. Mama speelt met haar trouwring. Ze kijkt verbeten naar het buffet. De koffie is op.

Ik mag nog geen koffie, ik maak me geen zorgen. Al is mama strakker dan ooit, alsof ze hoekig werd en alle soepelheid uit haar lijf verdween. Dat is al zo sinds de geboorte. Wij zijn lieve kinderen. Ze ziet het niet.

Een week geleden keerden we terug uit vakantie in het Oosten van Denemarken, een ononderbroken rit van negen uur. Niemand gaf over. Linneke sliep door. Mama gaf de borst op de achterbank. Ik kreeg bij elke stop een nieuw stripboek. Suske en Wiske. Ik wilde Kiekeboe maar ik zeurde niet. Thuis aten we McDonald’s uit de drive-in, liep ik met mama door de tuin, gaven we de planten water, lieten de kippen los en proefden de eerste gevallen okkernoten. Dan bracht ik met papa de flessen wijn naar peter Pierre en tante Rika.

Tante Rika opende de deur. Ze keek niet naar mij. Ze keek naar papa. Ik zag nooit eerder een volwassene huilen. Een minuut later begon ook papa te huilen. Dan belden ze mama en toen die er was, begon ook die te huilen. En dan ook Linneke en dan ik. Maar ik huilde omdat ik met de racebaan wilde spelen en ik er niets van begreep. Peter Pierre was er niet, die haalde altijd de racebaan uit de kast. Op mijn eentje kon ik er niet aan. Tenzij, misschien, ik op een stoel ging staan.

Nog steeds verscholen onder de tafel, zie ik tante Rika zitten. Maar het is tante Rika niet. Ze is dunner en ze kijkt niet als een mens. Zelfs niet als een hond. Ze huilt zonder tranen. Haar schaduw heeft het origineel ergens achtergelaten.

Ik ga plat op de grond liggen. Het begint er een beetje te stinken maar dat vind ik niet vies. Het wordt pas vies als het nergens naar ruikt. Zoals peter Pierre vanochtend in de kerk. Hij sliep niet. Want slaap stinkt.

2.
“We nemen een halfuurtje pauze. Versnaperingen zijn nog steeds te krijgen bij onze vlijtige helpers. Gewoon het vlaggetje in de lucht steken en de bitterballen zijn onderweg. En dan een dienstmededeling van de bar: het bier en de koffie zijn op. Ik herhaal: er is geen koffie meer, en geen pintjes. Wel nog thee en Duvel.”

De akoestiek in de refter is ellendig. Het is 2014. Ik ben 28 en zit op het toilet. Halverwege de quiz staat mijn ploeg nog in de tweede kolom. Ik had hier een hele week naar uitgekeken. Naar iets dat ik onder controle heb. Naar ergens waar ik indruk kan maken. Iets waar ik de beste in ben. Maar niemand in Suske en Kwiske heeft me al vol bewondering aangekeken.

Ik heb te snel gedronken. Ik heb koffie nodig.

Mijn hoofdpijn blijft zich uitbreiden. Vanochtend was het een licht tikken tussen mijn wenkbrauwen. ’s Middags, met de zon op zijn hoogst, voelde ik het tot in mijn haren. Ondertussen is er geen grens meer tussen mijn lichaam en de atmosfeer. Maar als alles ziek is, en jij voelt je anders, dan ben je gezond. Denk ik. Het is al te laat om een pijnstiller te nemen. Het is niet mijn bloed dat moet verdunnen, het is de lucht.

Op dit te lage toilet zonder privacy, met een deur die boven- en onderaan open is, herinner ik me iets uit één van de eerste gesprekken met mijn therapeut. Dat het niemand wat kan schelen dat mijn schoenen niet van veganistisch bioleer zijn, of mijn maandverband herbruikbaar. Dat niemand me uitlacht als ik Soedan niet op een kaart kan aanduiden.

Gisteren probeerde ik bij hem te huilen. Maar ik gebruik geen papieren zakdoeken meer en mijn linnen exemplaar zat in de tas onder mijn stoel. Dus huilde ik niet. Begon ik over iets anders, een collega, het weer, de quiz waar ik zin in had. Ik zou moeten stoppen met therapie. Maar de schaamte om het uit te maken is nog groter dan die op het einde van elk gesprek, wanneer ik het geld overhandig en me vuil voel. Als ik buiten stap, doe ik dat snel, stiekem, met mijn blik ten gronde gericht. Ik vergeet waarom ik ooit begon.

Ik adem te veel lucht in, boer, trek mijn broek op. Terug aan de tafel zegt Linneke: “Ik dacht dat jij zo’n goeie quizzer was?”.
Ik heb het koud en ik zweet. De koffie is op. Dan maar een Duvel.

3.
Het is vandaag. Ik ben ouder. Het stormt buiten, net als gisteren en morgen en ik heb de hele dag geslapen. Niet omdat ik moe ben, maar omdat ik moet schrijven. En wanneer ik moet schrijven, doe ik niets. Ik houd al twee weken de rolluiken gesloten om de warmte binnen te houden.

De koffie is op en de winkels zijn dicht en morgen moet mijn stuk binnen. Ik heb nog veertien uur. Mijn lief is in Seattle om een deal te sluiten, of misschien is hij al gesloten. Hij heeft me al twee dagen niet meer gebeld.

Ik neem de auto, dan hoef ik me niet aan te kleden. Ik word stilaan één van die dorpelingen die de auto neemt voor een boodschap aan het einde van de straat. Het waait echt wel te hard om te fietsen. Het is drie minuten rijden tot aan het tankstation. Er is altijd parkeerplaats.

Misschien had ik toch wat getinte dagcrème moeten smeren. Het licht in de winkel is niet vergevingsgezind. Ik sta voor het rek met koeken, cake, koffie en vochtige doekjes. Er is geen fairtrade koffie. Alleen witte producten en Nescafé. Ik zoek op mijn telefoon naar de oorsprong van het koffiemerk van Carrefour. Een tl-buis flikkert. Ik zie mijn weerspiegeling in de koelkast met frisdrank, mijn witte Nikes opvallend fel. Krampen schieten door mijn maag. Ik probeer me te herinneren waarom ik die schoenen kocht.

Het lijkbleke gezicht in de koelkast kijkt me spottend aan.
Mijn handen trillen. Het lijken mijn vaders handen wel. Ik draai me om en zie peter Pierre staan. Hij zegt: “Kan ik u helpen?” en verdwijnt. De enige andere persoon in de winkel is de vrouw met blauw haar achter de kassa.

Ik koop niets en bel in de auto naar mijn moeder. Het is na tienen. Er neemt niemand op.

Ik start de wagen, ontsteek de lichten en zie een plastic zak over de parking waaien. Hij vliegt op en neer, van links naar rechts, en dan, plotseling, opnieuw naar de plek waar hij vertrok. Met wat dezelfde bewegingen lijken als eerder, waait hij terug op en neer, van links naar rechts. Tot hij vlak voor de vuilniscontainer opnieuw met een ruk naar links vliegt. Ik blijf een kwartier naar de plastic zak kijken. Volg de keer op keer herhaalde bewegingen met mijn vinger tot ik het zie. De zak spelt een woord. De zak spelt ziek.

Misschien heeft het tankstation verderop wel fairtrade koffie. Onderweg belt mijn moeder terug. Ik hoor het niet, mijn telefoon staat op vliegtuigstand.