Categorieën
Fictie

Keukenvloer

Wanneer lag ik voor het laatst op een vloer? Dus niet hurkend om iets op te zoeken wat zijn weg naar een onmogelijke locatie had gevonden. Niet zittend, luisterend naar geluiden en conversaties van anderen. Echt liggend. Lang uit, gestrekt, gevloerd. Een pose aannemend waarbij het duidelijk is dat je voorlopig geen intentie hebt om op te staan.

Mijn geheugen graaft en stelt niet teleur. Ik zie mezelf liggen in de huiskamer van mijn ouders. Op mijn buik met als enige houvast de bruine vloerbedekking. Een pluizige ondergrond die fungeerde als veilige, zachte landingsbaan voor alle uit mijn fantasie ontsprongen avonturen. Net zoals met veel dingen uit mijn jeugd, wist ik toen nog niet dat ik dit ligcomfort nooit meer zo zou ervaren.

Natuurlijk waren er daarna nieuwe grondervaringen. De ene meer voor herhaling vatbaar dan de ander. Simpelweg omdat een harde of zachte landing op een oppervlak iets met je gevoel doet. Gek iets is dat met herinneringen. Vaak onverwacht en totaal niet samenhangend maakt je geheugen plaats voor flarden geschiedenis. Een manifestatie van gedachten en gevoelens waar jij een eerste rang kaartje voor hebt gekregen. Of je gaat genieten van de show blijft altijd de vraag.

De deurbel gaat. Ineens ben ik mij weer bewust van mijn omgeving. Dat ik het koud heb, voel ik aan de zachte rillingen die over mijn rug lopen. Mijn linkerbeen begint last te krijgen van de ongemakkelijke houding waarin deze al een tijdje ligt. Toch beweeg ik niet. Mijn hele lichaam lijkt het eens te zijn met het feit dat je een prachtig uitzicht krijgt wanneer je op een andere manier naar dingen kijkt.

En kijken doe ik. Liggend, zonder dwang vol emotie op de keukenvloer van wat ik dacht dat mijn basis was. Een soort tussenstation op weg naar de deur van de buitenwereld. Zo dichtbij en toch niet klaar voor die definitieve eindhalte. Hoe ik er terecht ben gekomen, weet ik niet goed. Dat ik er even blijf, is een feit. Niets zachts te vinden in deze keiharde realiteit. Toch geeft de stevigheid van de tegels mij houvast. Mijn handen wrijven zachtjes over het reliëf van mijn zelfgekozen ondergrond.

Mijn ogen zien nu pas het palet aan kleuren dat ik al die tijd onder mijn voeten had. Slechts een handreiking van mij verwijderd en toch ongrijpbaar. Nu ik het gevonden heb, wil ik het niet meer loslaten. Dat het moet, is een feit waar ik nog niet aan toe wil geven. Nog even vasthouden, aan vastklampen. Tot het niet meer kan.

Het begint te schemeren. De overgang van licht naar donker voltrekt letterlijk voor mijn ogen. Een teken van het universum dat het nu toch echt tijd is. Langzaam maakt mijn lichaam de keuze zich te bevrijden uit de benarde positie waarin ik haar geplaatst heb. Mijn handen nemen het voortouw. Zachtjes duwen zij mijn hoofd en bovenlijf omhoog. Alsof ze aanvoelen dat iedere beweging er nu toe doet. Mijn rug recht zich en geeft hierdoor mijn benen de mogelijkheid zich te herstellen. Heel even blijf ik zo zitten. Deze nieuw gecreëerde omgeving in mij opnemend. Wanneer mijn benen sterk genoeg voelen om mij te dragen, sta ik op.

Wat eerst onmogelijk leek, begint werkelijkheid te worden. De angst om te verdwijnen is niet langer de fundering van mijn bestaan. Ik ben voor het eerst zelf draagkrachtig. Mijn eigen gewicht kan ik aan. Goed genoeg voor nu. De rest van mijn bagage haal ik later op.

Dan hoor ik een geluid. Het komt van heel dichtbij. Dat ik degene ben die de stilte heeft verbroken, dringt nu pas tot mij door. Ik maak de woorden niet, zij maken mij. “Sorry,” hoor ik mijzelf zeggen. Een laatste teken van leven – mijn leven – wordt opgenomen door de ruimte om mij heen. Een soort aandenken aan een bestaan dat niet meer is.

Daarna blijft het stil. Langzaam beweeg ik mijn voeten steeds verder weg van mijn geliefde wereld. Met mijn hand op de deurklink, kijk ik nog één keer om en zeg: “Dag lieve keukenvloer, bedankt voor alles. Ik moet je loslaten en op zoek gaan naar een nieuwe landingsbaan. Bij voorkeur bruin, zacht en pluizig.”