Categorieën
Fictie

Keukenstress

Wat doet zo’n rietje als ik in de keuken? Dat was ook exact mijn eerste gedachte terwijl ik sjokkend mijn nieuwe werkplek binnenstapte. Mijn ex-vriendje zei wel eens voor de grap dat ik als vrouw daar hoor, maar ik kon er niet om lachen. Deze kookplek had wel iets overeen met mij: het was klein, intiem zelfs. De chaos die het verder uitstraalde, vond ik dan weer helemaal niks. Zelfs de ingrediëntenkasten stonden nog volgebouwd met pannen, messen en lepels, die allemaal vast een eigen naam hadden.

De eerste collega snelde naar me toe. Ze leek net als ik een twintiger, die er net wat jonger uitzag dan ze was. Haar gezicht straalde een energie uit waar ik alleen maar jaloers op kon worden. Het witte shirt dat zo over haar gespierde lijf droeg, was ernstig vochtig van al het zweet, en de hand die ze uitstak, had nog wat ketchup eraan zitten. “Tris,” zei ze, terwijl mijn vingers ook wat van de vloeistof overnamen. “Vera. Wat heb je met je handen gedaan?” Ze glimlachte. “Je went er wel aan. Welkom op je nieuwe werkplek.”

Het eerste wat ze deed, en dat was volgens haar héél belangrijk, is mijn blonde, lange haar in een haarnetje binden. Door de hare zag ik bruine krullen die bovenin netjes waren vastgeknoopt. Het tweede onderdeel van de tour was het kookeiland, waar hun enige gerecht klaar stond. Ik fronste. Zij moest er wel om lachen. “Deze burgers zijn uitgeroepen tot de lekkerste uit het centrum,” vertelde Tris oprecht. Ik staarde haar aan. “Ik heb het ook niet verzonnen. Iedereen wil ze hebben, ook al zien ze er niet uit.” Daar heeft ze gelijk in. Ik mag dan geen kookacademie hebben afgemaakt, maar dit lijkt eerder een mislukte hamburger. De sla ligt er half naast, de burger zelf is net te groot en het broodje lijkt over datum.

Ik slikte en nam een besluit. Misschien was het Tris die me overtuigde, misschien was ik wat wanhopig, maar ik wilde meewerken aan dit walgelijk uitziende gerecht. “Oké,” zei ik. Met alle zelfvertrouwen in me, vroeg ik haar: “Wat moet ik doen?” “Maar één ding: luisteren naar de kok,” vertelde Tris. Ik keek rond. Er stond, naast ons tweeën, niemand in de keuken.

“Jij?” probeerde ik voorzichtig. “Nee, ik geef de bestellingen door, de kok neemt de leiding en jij moet zo snel en goed mogelijk doen wat je vertelt wordt,” zei Tris. “Ik hoop dat het je gaat lukken. Je zal niet de eerste zijn die zo weer buiten staat.” Even bleef het stil. Mijn hart begon sneller te kloppen. Met één vraag bleef ik zitten. “En waar is de kok?” zei ik. Tris wijst naar de klapdeuren. “Hier.”

Een grote, dikke vent van vijftig walste door de plots wijd open deuren. In zijn hand had hij een vies bord en een fors, scherp mes. Zijn jaren deden hem weinig eer aan: Tris en ik leken naast hem haast pubers. Tris liep naar hem toe, direct langs hem heen naar de bar in het restaurant. Ik staarde haar na. Nu was ik alleen. Met.. dit. Deze nieuwe situatie moest ik even verwerken. “Ehm,” probeerde ik tegen de kok. Maar hij stond al klaar om te beginnen. “Hier, snij dit vlees,” beval hij zonder om te kijken. Uit schrik bleef ik stokstijf staan.

Het leek een minuut te duren. Toch kon het niet meer dan vijf seconden zijn geweest, voor ik de eerste, kwade blik van achter de pannen opving. Wat in die ogen allemaal stond geschreven, ik kon het niet snel verwerken. Structurele paniek, een verloren liefde, problemen thuis, een onzeker volwassen leven. In een oogwenk leek ik een compleet leven te kunnen lezen, maar het was zo voorbij. Het was een bizar aanzicht. Zijn neus, verdrietig naar beneden gezakt. Zijn mond, er ongelukkig bijhangend. Zijn kin, die druppelend zweet bleef morsen op zijn zwarte, vochtige t-shirt. Dat alles leek in slow-motion te bewegen, terwijl het geluid van zijn kei- en keihard geschreeuw steeds dichterbij kwam: “SNIJ HET VLEES, BITCH!”

BAM. Als een klap in mijn gezicht. Direct ontwaakte ik uit mijn droom en vol adrenaline rende ik naar het vlees. Hij had het op de grond gegooid, tussen het smerige bestek. Snel raapte ik het op en legde het op de vergeelde snijplank. Ik keek links van me. Rommel, maar geen mes te zien. Een milliseconde neem ik het achterhoofd van mijn meester in me op. Uit pure paniek greep mijn hand naar rechts, pakte een echt smerig mes, en begon ik het rauwe vlees te vermorzelen. “Waar blijft mijn vlees?” hoorde ik achter me blaten. Mijn handen trilden. “Hier, hier!” gilde ik uit. “Gooi het naar me.” Verbaasd pakte ik een stuk en wierp het zijn kant op. Mis.

“Pak nu dat ding, ja, pak dan, pak het brood.” Ik keek rond. Brood? Waar was dat dan? Ik rende een klein rondje. Mijn blik snelde van kast naar muur. Weer niks. “Waar dan?” stamelde ik uit, met de adem die ik nog over had. “Daar,” hoorde ik achter me. Hij wees zonder om te kijken recht naar me. Mijn ogen volgde de weg van zijn wijsvinger door me heen, naar de andere kant van de keuken. Ik keek, maar zag nog steeds helemaal niks. “Kijk goed,” zei hij met normaal volume. Het leek de zachtste stem die ik ooit in mijn leven gehoord had. Het kalmeerde me. In de verte hoorde ik Tris nog een nieuwe bestelling schreeuwen, maar het maakte hem niet stressvoller. Mij ook niet. Ik nam mijn tijd. Mijn ogen tuurden over de kastjes heen, totdat…

“Ik heb het!” gilde ik uit. Ik pakte een broodje, legde dat op een bord, en loop naar hem toe. “Snij nog meer vlees,” zei hij, glimlachend. Ik voelde me trots. Binnen no-time gooide ik het vers gesneden vlees naar zijn pan toe, die er verbazingwekkend soepel in beland. Hij weet duidelijk wat hij doet. “Hier, geef maar aan Tris,” zei hij dan. Plechtig overhandigde hij mij het bord. Hij bleef even staan. “Ik heet Jan”, zei hij. “Aangenaam, chef Jan. Ik ben Vera,” zei ik. Ik nam het bord aan. Dan zei hij, trots: “Welkom in mijn chaotische keuken.”