Categorieën
Fictie

Kattenkruid

De bevroren zeeklei is nog harder dan het stijve lijf van de poes. Meindert stoot de spade een laatste keer met kracht in het ondiepe gat. Zijn vingers zijn koud geworden en hij heeft moeite het handvat vast te houden. Een groep ganzen trekt in v-formatie over de aangrenzende akkers vol zachtgroene wintertarwe. Hij recht zijn rug en kijkt de vogels na. Als het gegak is weggestorven neemt de stilte weer bezit van de polder.
Hij legt de spade voorzichtig neer en knielt voor het gat. Er steekt een stuk steen uit de bodem. Hij wrikt het met enige moeite uit de klei en gooit het in de richting van de moestuin. Zijn blik meandert over de borders. De eerste sneeuwklokjes piepen al boven de bonkige aarde uit. Met zijn wijsvinger strijkt hij over een van de tere groene punten. Dan pakt hij de dichtgeknoopte theedoek van de grond. Er komt een lichte wasmiddelgeur vanaf. Aaltje had hem eerst een oude poetslap gewezen. Toen hij een schone doek uit de keukenla had gepakt had ze hem alleen afkeurend aangekeken en was doorgegaan met aardappels schillen.
‘Nou Fienebeest, daar ga je.’, zegt hij zacht.
Hij legt het stoffen pakket in het gat. Als hij zich opricht ziet hij dat de knoop in de uiteinden is losgeraakt en een zwarte poot heeft blootgelegd. De poot die ze even op zijn arm legde als ze geaaid wilde worden. De poot waarmee ze hem ’s nachts op zijn voorhoofd tikte als ze wilde eten. Hij buigt voorover om de vacht een laatste keer aan te raken, de fluwelen veerkracht van de grijze kussentjes aan de onderzijde te bevoelen, maar bedenkt zich dan. Hij pakt de spade op en gooit met snelle halen het gat dicht.

Hij blijft met zijn jas in zijn hand voor de kapstok staan. Hij voelt opeens hoe moe hij is. De afgelopen twee dagen had hij bijna onafgebroken in de leunstoel naast de mand van de poes gezeten. Hij was maar een paar keer kort ingedut. Verder was hij wakker gebleven. Deels in de hoop dat ze zou herstellen. Deels in de wetenschap dat ze het niet zou redden. Ook toen ze in de vroege ochtend niet meer ademhaalde was hij blijven zitten totdat de zon eindelijk boven de vlakke horizon van de polder verscheen.
Aaltje had alleen even een blik op de mand geworpen toen ze kort daarna in haar ochtendjas in de woonkamer verscheen. Ze had haar krulspelden nog in. De grijze rollen hadden hem doen denken aan de rundervinken die ze steevast op te laag vuur bakte. Hij had zijn wangen droog geveegd en was naar de keuken gelopen om het ontbijt te maken.

‘Van zoveel boter slibben je aderen dicht.’
Zijn mes blijft even in de lucht hangen. Hij tilt het deksel van de botervloot. Er ontbreekt een stukje van de porseleinen rand. Hij wrijft met een vingertop over het scherpe deel.
‘Pas nou op, Mein, zo krijg je nog een snee.’
Hij smeert de helft van de klont boter terug in de vloot. Daar heeft ze een hekel aan. Dit keer zegt ze niets.
‘Zullen we zo nog even een stuk wandelen?’
Hij knikt en begint zijn boterham te besmeren.

Aaltje staat met haar jas aan in de gang en kijkt door het glas in de voordeur naar buiten. De trap kraakt onder zijn geitenwollen sokken. Meindert wil zijn voet terugtrekken, maar ze heeft zich al omgedraaid.
‘Waar bleef je nou?’
‘Ik zat op de wc.’
‘Wat doe je daar toch altijd?’
Haar glimlach past niet bij het onderliggende verwijt. Ze trekt een muts over haar hoofd. Alles om haar heen is nu harig en zwart: jas, shawl, wanten, muts.
‘Vergeet je handschoenen niet.’, zegt ze, terwijl ze naar buiten loopt.

De akkers achter de dijk liggen omgewoeld te wachten totdat ze in het voorjaar weer tot leven worden gewekt. Aaltje duikt nog wat verder haar shawl in.
‘Van mij mag het nu wel lente worden. Ik heb genoeg van die kaligheid.’
Haar woorden worden gedempt door dikke lagen wol.
Meindert ritst zijn jas open. Hij snuift de lucht van klei en bestorven gewasdelen nog eens op.
‘Ik ben wel blij dat we nu niet meer al die haren in huis hebben van dat beest.’
‘Fiene heet ze, verdomme! Fiene!’ Hij spreekt de woorden uit met een fermheid die hem zelf overvalt.
Ze blijft abrupt stilstaan en kijkt hem met een verbaasde blik aan.
Het gevoel van haar vacht. Zo zacht als het bovenste, fijne laagje van de zandbak; Fiene.
Hij draait zich om en loopt met forse stappen terug naar de dijkdoorgang. Even later hoort hij voetstappen zijn kant opkomen. Hij vertraagt zijn pas totdat hij in de randen van zijn blikveld haar gestalte ziet verschijnen. Als ze naast hem loopt legt ze heel even haar zwarte want op zijn arm.

Hij gaat voor haar het tuinpad op en opent de voordeur.
‘Mein! Je laarzen!’
Hij doet een paar stappen naar achteren, trekt zijn laarzen uit en zet ze ondersteboven op het rek.
In de gang bergt hij zijn handschoenen op in de grenenhouten ladekast en hij hangt zijn jas op.
Als hij bij de keukendeur is hoort hij de jas met een plof van de kapstok vallen. Even overweegt hij terug te lopen. Dan beent hij de keuken binnen en zet de ketel op het fornuis.
‘Je jas is gevallen.’
Ze staat in de deuropening en wijst naar de gang.
Hij kijkt haar vanaf zijn vaste plek aan de keukentafel aan en zwijgt. Met zijn vinger glijdt hij langzaam over een van de krassen in het tafelblad. Heen en weer, alsof hij baantjes trekt over een bevroren slootje tussen de akkers.
‘Mein? Je jas?!’.
Hij schuift langzaam zijn stoel naar achteren, loopt naar de gang, pakt de jas, en hangt hem op de kapstok. Als hij naar de schuur loopt hoort bij achter zich opnieuw het geluid van vallende stof. Hij trekt de deur hard achter zich dicht.

Het is kil in de schuur. Hij voelt de kou van de betonnen vloer door zijn sokken heen. Net als zijn ogen aan het duister zijn gewend hoort hij achter zich een deur open gaan.
‘Mein?’
‘Mmm.’
‘Ik weet best dat je… Dat je verdrietig bent om de poes. Om Fiene. Maar was je ook niet… Ben je ook niet een beetje… Een beetje opgelucht? Ze kon toch ook best wel zeuren? Het was net een… Net een baby. Ja, een jankende baby in de nacht. ’
Hij wil antwoorden dat ze helemaal niet weet hoe een jankende baby in de nacht klinkt, maar hij slikt zijn woorden in. Het tergende gemiauw naast het bed. Het getik van haar poot op zijn voorhoofd. Eerst zacht, daarna steeds dwingender. De lichte kriebel in zijn neus als hij haar midden in de nacht dan toch maar weer optilde, zijn gezicht even in haar flanken drukte en haar naar beneden droeg. De ergernis die zijn lichaam koud en stram maakte als hij vervolgens weer uren wakker lag. Elke nacht opnieuw.
‘Mein?’
Hij zucht.
‘Meindert?’
Hij draait zich om.
De schuur is leeg.

Op het fornuis staat de ketel te fluiten. Stoom stijgt in onregelmatige flarden naar het lage plafond en heeft het keukenraam beslagen. Hij doet een stap in de richting van het vuur, maar loopt dan door de gang naar de voordeur.
Pas als hij halverwege het tuinpad is voelt hij de kou zijn sokken intrekken. Hij gaat weer naar binnen en trekt zijn laarzen aan.
Hij speurt de omgeving af. De voortuin in winterslaap. De door zwaar boerenverkeer beschadigde polderweg, de plakken klei. Hij ziet haar niet. De akkers met wintertarwe. Een eenzame els, in de verte een enkele boerderij. Ze is er niet.
Een groep ganzen trekt gakkend over hem heen. Hij legt zijn hoofd in zijn nek en kijkt de vogels na. Als ze zijn opgegaan in de horizon draait hij zich om en loopt terug naar het huis. Voor de deur trekt hij zijn laarzen uit en zet ze ondersteboven in het rek.

Onder de kapstok in de gang ligt zijn jas. Hij neemt het ophanglusje tussen duim en wijsvinger en schuift het zorgvuldig over een van de haken. Zijn jas hangt nu tegen die van haar. Zij aan zij, met weerloze armen. Hij legt zijn voorhoofd tegen haar kraag, steekt zijn handen in haar zakken en ademt een paar keer diep haar geur in. Dan laat hij haar los, gaat de keuken binnen en zet het vuur uit.