Categorieën
Fictie

Karsten en de Lawaaidraak

Karsten en de Lawaaidraak
(Een kijkje door de ogen van een kleuter met autisme)

De ochtend was rustig. Fonkelende kerstlichtjes hingen aan het venster en het was nog donker buiten. Buiten het geluid van zijn mama en papa die rustig met elkaar praatte, was het stil in huis. De driejarige jongen keek met zijn grote, blauwe ogen naar de lichtjes en glimlachte tegen zichzelf.

Even schoot het door zijn gedachten dat de lichtjes misschien elfjes waren. Zoals uit het grote toverboek waar mama ‘s avonds uit voorlas. Karsten begreep nog niet goed hoe de lichtjes echt werkten, maar voor hem waren elfjes een goede uitleg.

Toen papa zijn naam sprak, draaide Karsten zich om en zag dat het tijd was om zijn jas aan te doen. Was het een schooldag? Hij wilde het vragen, maar praatte niet. Hij kende de woorden, maar elke keer Karsten probeerde, kwam er een vreemd geluidje uit zijn mond. Dus zweeg hij maar liever. Praten was ook lawaai en dus onnodig. De wereld was al luid genoeg voor hem.

De tovenaars hadden tegen papa en mama gezegd dat Karsten anders was dan de meeste kindjes. Dat hij de wereld anders bekeek en het lastig had met lawaai. Karsten had het allemaal wel gehoord, wat die tovenaars hadden gezegd, maar trok zichzelf er niet zoveel van aan. Hij vond het goed hoe het was. Zolang het rustig en stil was rondom hem.

Maar het was tijd voor school. En Karsten twijfelde toch even of hij wel wilde gaan. School was leuk. Hij zat in een kleine klas, en hoewel hij de andere kindjes niet durfde aankijken, was er de lieve juf die steeds goed voor hem zorgde. Ze kon mooi zingen en Karsten had haar graag.

Jammer genoeg, was er ook een draak…het grote, paars geschubde en lawaaierige monster dat soms opdook in school. Karsten was bang van de Draak. Maar probeerde steeds opnieuw om het monster zelf te verslaan, hoewel hij nog zo klein was en de Draak groot. Veel groter dan hem. Zelfs groter dan zijn papa!

Hij klom met plezier in de wagen nadat zijn mama hem een dikke zoen gaf. De jongen had niet graag omhelzingen en zoentjes, maar die warme knuffels van mama waren een uitzondering. Ze was dan ook een koningin en die weiger je niet zomaar iets!

Hoewel Karsten bang was van het paarse monster, was hij ook stoer en zou tegen de Draak proberen vechten. Ergens in zijn klas was er wel een zwaard te vinden. Daar was hij zeker van. En zijn juf zou hem zeker helpen om de Draak zo ver mogelijk van hem weg te houden! Dan zou ze haar grote toverstaf gebruiken en magische liedjes zingen. Dat hield het monster altijd op een afstand. Toch voor een tijdje.

De moedige jongen ging mee toen zijn juf hem bij de hand nam en hij ging de toverwereld van zijn klas binnen. Ook hier waren glimmende elfjes die licht gaven, boeken waar hij achter kon verdwijnen en de juf die soms zacht over zijn haren wreef. De andere kindjes probeerde hij te negeren, hoewel Karsten soms wel naar hen keek hoe ze samen speelden. Maar ze maakten te veel lawaai…Straks zou de Draak hen horen en wakker worden.

Toen een groot kasteel, gebouwd door één van de jongetjes in de klas, opeens luid bulderend tegen de grond sloeg, keek Karsten in paniek op. De anderen joelden uit plezier, maar Karsten voelde hoe de grond zacht beefde onder zijn voeten. De ruiten trilden mee en hij greep snel zijn zwaard van de grond. De Draak was wakker geworden.

Een ridder is niet bang van draken. Dus hij ook niet. Vandaag zou de dag zijn dat hij het monster zou verslaan. Hij maakte een geluidje om de anderen te waarschuwen, maar ze gingen verder met hun spelletjes. Dan was het alleen hij die de klas zou verdedigen.

Toen zware voetstappen door de gangen van de school te horen waren, zette Karsten zich schrap. Hij zou iedereen veilig houden, hoewel het wel zou helpen indien ze een beetje stiller zouden zijn en de Draak niet lokken!

Het bulderende gegrom van het beest kwam dichter en Karsten ging in een hoekje staan. Hij voelde de moed toch een beetje in zijn schoenen zakken, maar hief zijn zwaard hoog op. Stiekem wilde hij wenen en zich verstoppen. Maar dat doen ridders niet, nee, die vechten tegen monsters.

Toen het beest de deur open duwde met zijn enorme kop, zag de jongen de scherpe tanden in de bek. Karsten slikte toen lange rookslierten uit de brede neusgaten tevoorschijn kwamen. De Draak brulde het uit, de kindjes in de klas bleven verder spelen en ergens klonk het gejoel van een brandweerwagen.

Karsten voelde zich niet stoer meer. Het lawaai rondom hem maakte zijn gedachten chaotisch en hij zag de draak binnenkomen door zijn tranen heen. Hij schreeuwde naar zijn juf, maar het leek alsof ze het monster niet zag staan. Wel kwam ze snel naar hem gelopen, pakte hem stevig vast en glipte voorbij de draak de klas uit.

Hij keek over haar schouder heen en zag dat het monster moeite had om zich te draaien in de smalle gang. Toch lukte het de Draak om de achtervolging in te zetten. Met zijn grote poten kwam hij snel dichterbij tot de juf een deur naar buiten doorging.

Karsten zag hoe het monster naar achter deinsde en hoorde een bekende stem. Draken hadden bang van ridders. En zijn papa was gekomen om hem te beschermen. Het monster verdween snel uit het zicht toen Karsten bij zijn papa kroop.

Papa zorgde dat het weer stil werd rondom hem zodat de Draak terug kon gaan slapen. Wat wilde hij graag zeggen dat hij papa graag zag. Maar de woorden waren zo moeilijk te vinden. Hij gaf zijn papa dan maar een dikke zoen. En hoopte dat papa het begreep.

Ooit wilde hij,net zoals zijn papa, een echte ridder zijn. Zodat de Draak geen kans had om hem bang te maken.