Categorieën
Fictie

Kamer twaalf

Mijn dochter was failliet. Het journaal moest nog beginnen toen de bel ging. Daar stond ons kind, drie koffers rond haar dunne benen. Het was zomaar een dinsdagavond.

‘Hoi pap,’ zei ze.

‘Dag kind,’ zei ik.

Wij hebben meestal vieze handen, dus zijn we van het kussen. En dan niet dat preutse luchtgedoe, waarbij armen onhandig langs lijven grijpen, maar gewoon voorovergebogen, met de monden stevig tegen elkaar aan.

De waterkoker sloeg af terwijl ik nog op zoek was naar theezakjes. Ik belde het hotel, kamer twaalf.

‘Achter de chocoladevlokken.’

Sinds wanneer ik thee dronk, of er soms iemand op bezoek was, vroeg zij. Dertig jaar geleden wilden we allebei een traditionele naam. Lea werd het, Leanne in het paspoort. Op school maakten haar vriendjes er Leo van. Zelfs de juf heeft zich eens versproken.

‘Leootje kan zo lekker werken,’ zei ze toen. Son was over de zeik op de terugweg. Bij mij bleef het compliment hangen: onze dochter kon zo lekker werken.

Toen ik de dampende mok op tafel zette, haalde ze een bos munt uit haar handtas en schoof het zakje opzij. De mensjes keken niet meer naar haar. Ik heb daar vaak voor gewaarschuwd, maar als ik de metafoor gebruikte van popiejopies op het scherm en de houdbaarheid van filet americain, rolden er steevast twee ogen richting plafond. Wat wist ik nou van online content? Dat mocht haar moeder altijd graag herhalen: ‘Wat weet jij daar nou van?’

Son en ik zijn nog samen. Het was haar alleen teveel: overdag staand, ’s avonds zittend en ’s nachts liggend naast elkaar. Ze liet mij kiezen: ‘Ik verdwijn uit de zaak of uit het huis.’
Ik wist dat ze dubde, al langer, over ons vak. Al dat vlees, die dieren, en steeds stelde ze mij dan de vraag hoe mensen zich ons over vijftig jaar zouden herinneren. Als ze suggereerde dat we fout waren, wees ik vloekend in de rondte, want uit vlees is alles voortgekomen.

Nee, getwijfeld heb ik niet. De klanten zijn gek op Son. Elke zaterdag merk ik hoe de mensjes elkaar berekenend voor laten gaan, alleen maar om door haar geholpen te kunnen worden.
Nu heeft zij dus een vaste kamer in het dorpshotel, waar ik haar niet mag storen. De kosten verrekenen we met de inkoop van de eigenaresse. Grenstoeristen werken onze schnitzels weg alsof ze lopend zijn gekomen.

Terwijl mijn dochter met haar rode lippen rimpelige stempeltjes achterliet op de mok, kookte ik nog drie kannen water en vulde er een teiltje mee. Ik spoot er afwasmiddel in, tot het hete water diepgroen kleurde. Zonder morsen liet ik de plastic bak tussen haar handen zakken.

‘Je kan morgen beginnen,’ zei ik, ‘maar ik moet geen gekleurde nepnagels in ons gehakt.’

De berooide vlogger in een slagerij, dat wilde iedereen wel zien. Ineens kwamen ook kinderen weer mee. Vroeger vraten ze de leverworst tussen mijn vingers vandaan, nu mikten ze in het geniep hun telefoontjes op mijn dochter. Dat trekt wel over, dacht ik. Bovendien werkte ik alleen nog maar achter, dus had ik er zelf nauwelijks last van.

Tot er een fotograaf van zo’n flutkrantje binnenstapte. Son kwam me halen. ‘Een journalist,’ zei ze, en ze keek erbij alsof wij ineens heel belangrijke mensen waren. Ik moet geen paparazzi in mijn zaak, dus trok ik de man mee naar de werkplaats.

‘Alleen door onze deur komen,’ schreeuwde ik, ‘als je voor het product van de ambacht komt.’ Met mijn vette duim veegde ik over de bolling van zijn lens.

Omdat wij alleen Lea kregen, zijn we nooit groter gaan wonen. Met een gipsen wand halveerden we onze slaapkamer, zodat ook zij er eentje had. Volwassen geluiden drongen door zo’n schotje heen, dus Son en ik bekwaamden ons in de kunst van het gesmoorde genot. Wij deden het zo stil, dat ik me soms afvroeg of zij het überhaupt wel lekker vond. Maar als ze dan minuten later plotsklaps ons ritme verbrak en zich bevend van me losmaakte, wist ik dat ik ook zelf was beduveld door de stilte van de schijn.

Lea deed het uitstekend in de winkel. Zij kon inderdaad lekker werken, en de mensjes leken algauw vergeten te zijn hoe beroemd het meisje was geweest dat nu zorgvuldig het spek om hun hompjes gehakt wikkelde. Binnenshuis hielp ze mij braaf met de klusjes die sinds Sons vertrek de mijne waren.

Natuurlijk werd er door de dorpelingen lustig over ons gepraat, die curieuze drie-eenheid van vader, moeder en slagerskind, maar zolang zij tijdens hun geklets in onze producten prikten, hoorde ik alleen het pinapparaat piepen van goedkeuring.
Hoe anders werd dat toen ik aan het begin van een vrijdagavond op de jongens toeliep en ze na het anders zo joviale begroeten diep in hun plastic kuipstoeltjes zag wegzakken.

‘Het schijnt,’ sprak Eer tussen twee worpen in, ‘dat Son haar kamer deelt.’

Toen ik haar na mijn keuze bij het hotel had afgezet, zei ze: ‘Ik ga nu hier wonen, maar ik blijf jouw vrouw. Dus blijf jij alsjeblieft ook mijn man.’

Een slager heeft heus aanspraak, maar natuurlijk bleef ik haar man, en na Lea’s terugkeer deelden we op zaterdagavonden weer tjaptjoi en babi pangang spek. Het was fijn om met zijn drietjes aan tafel te zitten. Soms reed ik Son daarna terug naar Dorpzicht, vaker bleef ze slapen om de volgende ochtend ongedoucht naar het ontbijtbuffet te vertrekken.

Het schijnt dat Son haar kamer deelt.

De receptionist staarde onbeleefd lang naar mijn bowlingschoenen en vertelde mij dat mevrouw niet gediend was van onaangekondigd bezoek.

‘Ik ben geen bezoek,’ zei ik, ‘ik hoor bij haar.’

‘Nog steeds onaangekondigd,’ zei hij.

‘Als jij nu die deur naar het trappenhuis niet opent,’ dreigde ik, ‘is dit hotel vanaf morgen een oord voor vegavolk.’

De jongen glimlachte kort en klikte toen de tussendeur open. ‘Kamer twaalf, meneer.’

Voor een vrouw van ontrouw deed Son vlotjes open.

‘Wij hadden iets afgesproken,’ zei ze meteen.

Ik knikte en herhaalde wat zij net had gezegd. Ik kon me niet herinneren ooit eerder door mijn vrouw ergens te zijn binnengelaten. Ze had van kamer twaalf wat gezelligs gemaakt.

Ik haalde mijn neus op.

‘De riolering,’ zei Son.

Lea en ik stonden ingelijst naast haar bed. Op de tv speelde een natuurdocumentaire. We lagen tegen elkaar aan, de vieze lucht viel in zachte vlagen over ons heen.

‘Voor een kamer die stinkt naar poep, weiger ik nog te betalen,’ zei ik.

Son zweeg, uit de badkamer klonk gekras. Ze zette het geluid van de tv harder en verborg de afstandsbediening onder haar kussen. Terwijl wij knuffelden legde een zware stem uit hoe dolfijnen paren. Tijdens een reclameblok schalde de ene na de andere merknaam door de kamer. Ik stond op en rukte de stekker uit het stopcontact.

‘Even stil, net als thuis,’ zei ik, en kroop weer tegen haar aan. Niet lang daarna hoorden we dof gebonk door de badkamerdeur komen.

Toen ik het koude metaal in mijn hand nam, sloeg Son de deken in één beweging van zich af. Nog amper bekomen van de penetrante schijtlucht die na het openen van de deur vrijuit kon ontsnappen, keek ik de aanstichter van die zo prikkende walm aan.

In het ligbad stond een al vrij vlezig big, roze op de rug, de buik bruin van eigen ontlasting. Son greep me van achteren vast, haar armen strak onder mijn ribbenkast.

‘Eentje,’ jammerde ze, ‘eentje wilde ik er redden.’

Ik draaide me om en kuste mijn vrouw hard op de mond.