Categorieën
Fictie

Julian

Negenenveertig jaar. Dat is hoe lang Julian C. Sawyer zijn huwelijk weet vol te houden voordat hij besluit in het geheim te vertrekken. Negenenveertig jaar. Negenenveertig jaar in gevangenschap. Negenenveertig jaar aan stiltes bij ontbijt, stiltes bij lunch en stiltes bij diner. Negenenveertig jaar zonder enige warmte of spanning. Negenenveertig jaar.
Na negenenveertig jaar heeft Julian C. Sawyer er schoonweg genoeg van. Het is tijd geworden om het goeddoordachte plan dat al langere tijd diep in zijn kalende hoofd verscholen zit uit te voeren. Zonder dat zijn hebzuchtige vrouw Samantha Sawyer-Martinez, hebzuchtige zonen Brandon J. Sawyer en Landon J. Sawyer en hebzuchtige kleindochters Madison J. Sawyer, Allison J. Sawyer, Addison J. Sawyer en Destiny S. Sawyer er ook maar iets van doorhebben maakt hij op een doodnormale avond in mei door middel van één kort telefoontje 99,9% van zijn welverdiende fortuin uit de olie business over naar elk goede doel dat hij maar kan bedenken. The Gulf Restoration Network, National Wildlife Federation, Greenpeace. De resterende 0,1% gebruikt hij voor een heimelijk enkeltje richting de eeuwige stad van de zeven heuvels Rome.
Gekleed in zijn gewoonlijke driedelige pak en zonder enige verdere vorm van bagage naast een paspoort en een bruine lederen breedgerande hoed komt Julian C. Sawyer aan op Aeroporto di Roma Ciampino. Met behulp van een simpele gerimpelde opgestoken duim weet hij uiteindelijk Stazione di Roma Termini te bereiken en na een paar uur slenteren door de vele zonnige rumoerige straatjes vindt hij een Koreaans eetcafé met een wit papiertje op de winkelruit: Camera In Affitto.
Het kamertje bevindt zich op de derde verdieping en is ongeveer eenentwintig vierkante meter klein. Er staat een bed, een stoel, een kast, een fornuis, een wastafel, een badkuip, een po. Dit is wel heel wat anders dan zijn majestueuze ranch van vijfendertigduizend acres buiten Santa Fe maar dat…dat doet Julian C. Sawyer niks. De volgepropte kamer heeft namelijk ook een wijd openslaand raam dat uitkijkt op de vele snoezige Romeinse tuintjes vol witte waslijnen en klimmende katten aan de achterkant van het gebouw en dat is op één ding na alles wat de voormalige oliemagnaat en miljonair ooit heeft gewenst.
Om de huur te kunnen betalen dient Julian C. Sawyer elke dag van de week cappuccinos en cornetti op beneden in het restaurantje. De rest van zijn tijd spendeert hij lezend op een parkbankje in Villa Borghese, rustend op een van de onbekendere terrasjes boven Piazza di Spagna of wandelend door de rustgevende rozentuin tegenover Circus Maximus. Juist deze laatste bezigheid geeft hem uiteindelijk het idee om zelf bloemen in zijn kamertje te nemen. En dit zorgt er tenslotte indirect voor dat Julian C. Sawyer na zeventig jaar voor het allereerst het warme en spannende gevoel van oprechte verliefdheid gaat ervaren in zijn smalle onderbuik.
De volledige zeven uur lang dat Julian C. Sawyer met een dienblad koffietjes en gebakjes aan het ronddelen is kijkt hij uit naar het moment dat hij straks voor het eerst zijn net nieuwe rode trosrozen water kan geven. Wanneer de klok boven de vitrine eindelijk half vier aangeeft gooit hij meteen zijn smerige schort af en stormt hij naar boven. Met een grote glimlach vult hij zijn gieter en opent hij zijn raam. Des te meer water in de kleurrijke potjes onderaan het kozijn vloeit, des te meer zijn amper gebruikte lach groeit. Dan hoort hij opeens een zijdezacht geluid aan de overkant en zijn mond valt meteen in de nog minder gebruikte ovale vorm. Hij kan niet zien uit welk open raam het precies vandaan komt maar hij herkent wel het instrument dat wordt bespeeld. Het is een viool die tussen de enkele valse noten door prachtige tonen door alle kleine achtertuinen laat stromen.
Dag in, dag uit staat Julian C. Sawyer in zijn raam te luisteren naar de muziek terwijl hij zijn bloemetjes voedt. Dag in, dag uit probeert Julian C. Sawyer te ontdekken wie nou precies deze hemelse kunst aan hem verzorgt.
Op een doodgewone namiddag in juni ziet hij dan eindelijk de vioolspeler. In een van de vele open ramen tegenover zijn bloemrijke kozijn beweegt een schaduw met een object op de schouder. Zo snel als zijn versleten benen kunnen vliegt Julian C. Sawyer naar beneden, zijn hoed valt af en blijft alleen achter op de bovenste traptrede. Hij rent tussen alle toeterende auto’s door de twee hoeken om en belt uiteindelijk al hijgend en puffend aan bij het juiste adres. Nummer negenenveertig. Na veel te veel seconden gaat de deur dan langzaam open en een vrij fors persoon met felrode bretels en een flinke zwarte snor komt tevoorschijn in het daglicht.
“La tua musica è magnifica,” slaakt de bejaarde serveerder zonder enige twijfel met een verlegen blos in zijn grijze baard.
“So are your red roses,” antwoordt zijn achterbuurman met grijns van oor tot oor.
“Mi…mi chiamo Julian.”
“And I am Romero. Nice to finally meet you.”