Categorieën
Fictie

Jotta

De aarde had zich even onverhoeds en geruisloos gekeerd als een groot dier in winterslaap. Toen die ochtend de maan opkwam, was men verbouwereerd geweest, had zich in de ogen gewreven, had hardop gelachen om de fout die ongetwijfeld gemaakt was, maar toen de huid zich langzaam terugtrok, de eerste ribben zich naar buiten drongen, toen het hart als een kloppende zweer aan de buitenkant van de borstkas kwam te zitten en de darmen zich als sierlijke serpentines om de veel te dikke buiken wonden, ten slotte openbloeiden en de stank vrijkwam die eenieder in zich meedroeg, bevroor de lach op de gezichten. Ramen en deuren werden gesloten, de kinderen binnengehaald. Een uur later kwam het Nationaal Rampen Informatie Centrum met een mededeling. Het was de eerste minister die liet weten dat zij niet wist wat er aan de hand was maar dat het wel de gehele wereld getroffen had en dat ons land dus wat dit betreft geen blaam kon treffen, dat de situatie onder controle was en dat er aan een oplossing gewerkt werd. Tot die tijd, raadde zij ons, de burgers, aan binnen te blijven en vooral uit het licht van de zon te blijven die naar verwachting vanavond om ongeveer zeven uur zou opkomen.

Jotta en ik waren de eersten die het bevel van onze ouders om thuis te blijven, negeerden en samenkwamen op het veldje achter onze straat. Op het veld was een nieuwe wijk in aanbouw. Betonnen rioolpijpen lagen in de modder naast grote bergen wit zand waarin je, als je goed zocht, kleine schelpen kon vinden. In die buizen klonk de wind als een scheepshoorn en dikwijls deden we alsof we leefden in de tijd van de oude zeelieden. Altijd was het Jotta die uitvoer naar verre oorden en ik die, staande op een berg, wachtte op het geluid uit de pijpen dat haar terugkeer aankondigde. Nog steeds gloeit mijn huid als ik denk aan de gevoelens die in mij rondwoelden als ik haar stem over het veld hoorde schallen en haar tengere figuur met de zwarte haren vanuit de verte zag naderen.

In de weken daarna voegden andere kinderen zich bij ons en vanaf dat moment maakten wij onze eigen wetten. Van volwassenen hadden we niets te vrezen. Die geloofden niet meer in een oplossing en hadden zich teruggetrokken in hun huizen. Dat de ramp de kinderen niet getroffen had maar hen wel, vervulde sommigen met wanhoop en verongelijkte woede.
Dat jaar viel de winter vroeg. De koude beet zich vlijmend een weg naar binnen en deed je botten bevriezen. De haren op mijn hoofd werden bros als gouddraad en braken met tientallen tegelijkertijd af. De enige volwassene die zich overdag toch buiten durfde te vertonen, was Siegfried, de dwaas van onze stad. Hij beschermde zijn ingewanden tegen het licht en de kou door zich te tooien met de schubben van de vissen die hij dagelijks ophaalde uit een wak onder de brug bij het stadhuis. De zon weerkaatste in zijn zilveren maliënkolder zodat het leek alsof een aureool van licht voortdurend om hem heen hing. Hij was daar zo mee ingenomen dat hij, door ijdelheid gedreven, zich spiegelde in elke bevroren plas die hij tegenkwam.

Op een dag droeg Jotta voor het eerst de geur van een volwassene bij zich. Haar rechterarm was ontveld vanaf de elleboog tot aan de schouder. Desondanks straalde ze als nooit tevoren. Ze nam me, toen het donker werd, mee naar het plein van de stad waar zich rondom een podium een grote menigte verzameld had. Op het plankier stond een man. Zijn huid was gaaf en glansde net zo vettig als de kastanjes in mijn broekzak. Een vreemdsoortige machine, die leek op een drukpers, stond naast hem. De reep huid van Jotta’s arm hield hij tussen duim en wijsvinger omhoog. Met een schaar knipte hij de reep precies doormidden. De beide delen legde hij zorgvuldig in de machine. Daarna trok hij aan een handel. Een tandrad begon knarsend te draaien en twee grote vellen, minstens twee keer zo groot als het origineel en zo dun en doorschijnend als rijstpapier, rolden langzaam uit de machine waarna ze terecht kwamen in een langwerpige bak met een vloeibare substantie die scherp naar een desinfectiemiddel rook. Na deze demonstratie riep de man Jotta op het podium. Met een gebaar alsof hij een tafellaken uit klopte, bedekte de man haar arm met één van de vellen. Het zoog zich vast aan haar arm en bedekte de wond geheel. De menigte juichte toen hij het overgebleven vel schonk aan een jonge vrouw uit de voorste rijen. Verlegen met de begerige ogen in haar rug verliet ze gehaast het plein. Vanaf die dag volgde Jotta Konraad op de hielen. Hij reisde door het land en Jotta assisteerde en adoreerde de nieuwe verlosser.

Ik hield me schuil in de buizen. Alleen rond het middaguur vertoonde ik me buiten. Ik kon zonder moeite de winkels insluipen en het voedsel dat ik nodig had wegnemen. Siegfried voegde zich bij mij. Zijn onnozelheden deden me gieren van het lachen maar binnen enkele weken vergroeiden de schubben met zijn ingewanden en was hij genoodzaakt te verdwijnen in de grachten van de stad.
Volgens Konraad was Siegfried het bewijs dat dit niet het einde van de wereld was, zoals velen dachten, maar juist het begin. Het begin van een nieuwe schepping waarin iedereen voor zichzelf kon bepalen wat hij wilde worden: vis, vogel, leeuw, mens, eenvoudig door zich te hullen in de huid ervan.

Een week nadat hij dit zei, hield de eerste minister een toespraak. Ik stond achter Jotta en Konraad in de menigte. Zijn arm lag om haar schouders. De minister, die sinds het begin van de crisis haar binnenste verborgen had onder haar donzen dekbed, groeide veren uit haar armen. Krijsend verhief ze zich boven het volk en maande het tot kalmte. Konraad zei: ‘Nu heeft ze nog armen. Wat als haar armen volledig vleugels zijn, haar mond een snavel? Wie moet het volk dan volgen? Een gans?’ Een gemompel van afkeuring ging door de menigte. Maar Konraad riep: ‘Ik heb gelijk. Siegfried heeft het bewezen.’ Nog diezelfde nacht slopen er mensen met messen door de dierentuin. Het begon bij de leeuwen en de tijgers. Daarna kwamen de roofvogels, de zeehonden en dolfijnen. Uiteindelijk waren alleen de apen nog over. Het bloed maakte de dieren gek van angst. Met opengesperde ogen schreeuwden ze mij toe vanachter hun tralies. Ik opende hun hokken en liet ze bij mij in de rioolpijpen wonen. Hun gezelschap was mij welkom nu Jotta zich nog zelden bij mij voegde.

Niet lang daarna werd het eerste gestroopte kinderlijkje gevonden op het veld achter onze straat. Het was de jonge Koba die met haar zijdezachte huid en haar korte kroeshaar de hele buurt vertederd had en nu bloedeloos op het beton lag. Jotta was geschokt. Ze begreep het niet. De uitvinding van Konraad maakte zoiets overbodig. De mensen dachten er anders over. Men verweet Konraad de dood van Koba. Hij werd gearresteerd en opgesloten.

Vanaf dat moment woonde Jotta weer bij mij. Ik maakte de buizen gezellig met gekleurde lappen die ik langs de wanden spande. Kaarslicht wierp grote schaduwen op de holle binnenkant van het beton als we, met ineengestrengelde handen, in het duister op de zachte matrassen lagen die ik met veel moeite naar onze slaapplaats had gesleept. Elke dag verdween Jotta voor enkele uren. Dan bezocht ze hem of pleitte ze bij de minister voor zijn vrijlating. In die uren wachtte ik zoals vroeger vol verlangen op haar terugkomst.

De minister beraadde zich over de situatie en besloot dat een volksreferendum deze zaak moest oplossen. Ze riep het volk bijeen op het plein. Toen het donker werd, was iedereen verzameld. Op het moment dat Konraad in de openheid gebracht werd, barstte het gejoel los. De mensen joegen hem op en dwongen hem het podium op het plein te beklimmen. Zijn wondermachine lag in stukken verspreid over het hout. De moeder van Koba gooide een steen naar zijn hoofd. Ze raakte hem vol op de achterkant van zijn schedel. Ik voelde Jotta naast me ineenkrimpen toen Konraad neerviel. Zijn stem klonk zacht en trillend toen hij zei: ‘Vervolg mij niet, ik ben niet het beest in u.’ Jotta’s nagels zetten paarsrode maantjes op de rug van mijn hand toen ze de hare los wrong uit de mijne. Onder luid gejoel van de menigte klom ze op het podium en knielde neer naast Konraad.

Sindsdien mijd ik het licht en zoek ik muren in mijn rug.
Soms, heel soms, ga ik terug naar het plein.
Een enkele keer krijgt de flikkering van een lantaarn me te pakken en sta ik oog in oog met mijn eigen verschrikkelijke schaduw van die dag.
‘Jotta, doe dat niet. In de handen van een menigte worden stenen tot wapens.
Jotta?
Kijk me aan, alsjeblieft Jotta. Zo had ik het niet bedoeld.
Waarom ging je naar hem, waarom bleef je niet bij mij?
Jotta!’