Categorieën
Fictie

Joker

JOKER

De brokjes met vissmaak rammelen ritmisch in het blik. ‘Joker, kom dan!’ Meer is niet nodig om zijn rood-witte vacht langs mijn schouder naar binnen te laten glijden. Hij laat zich van de vensterbank op de vloer vallen en ik sluit het raam. Sinds hij een je-weet-wel-kater is maakt Joker alleen nog laffe ommetjes en heeft hij de behoefte tot jagen verloren. Als een ware salontijger loopt hij de kamer door, op weg naar zijn voederbakje. Hij raakt afgeleid door een vreemd luchtje. Het komt van die naakte man op mijn bed. Joker steekt zijn neus in de lucht en kijkt vragend naar mij.
Ja, er ligt daar een man die hier niet thuishoort. Een stoere, blote, breedgeschouderde man, zo’n hele echte. Hij ligt daar zo zoet als een slapend kind, moe van het spelen. Zijn rossige krullen plakken op zijn bezwete voorhoofd. Zijn okselhaar heeft dezelfde kleur als de rest van zijn beharing, maar staat in pieken overeind, terwijl zijn borsthaar, zijn beenhaar, zijn baard en schaamhaar – al dat andere haar krult. Dat fascineert mij. Geen idee hoe hij heet. Zijn ouders hebben hem vast Fred of Kees genoemd, zo’n stevige Hollandse naam die je de rest van je leven maar moet zien waar te maken, zo’n naam vol verwachting.
Onderweg naar huis had ik hem een arm gegeven. Ze hebben wat, die werkmannen met van die te grote handen. Ik vind het een aantrekkelijk idee, een man die alles zou kunnen maken. De aardlekschakelaar, een weldorpel die het afdruipend regenwater kan keren, een schrootjeslambrisering of een natuurstenen vensterbank. Niet dat ik zelf niet handig ben, maar toch, het idee. En je hoeft uiteindelijk niet met iedereen de inhoud van je boekenkast door te nemen, sommige mannen zijn gewoon vooral man. Zoals deze.
Evengoed was hij meteen out gegaan zodra ik zijn piemel ter hand had genomen. Eerder had hij nog zo’n grote bek gehad, maar eenmaal in bed was hij zo mak als een lammetje. Mijn salonlammetje.
Het hoort erbij, bij het leven in de stad, we kennen het allemaal. Ik kan me zelfs voorstellen dat je het gaat missen, als je eenmaal zo oud bent als mijn moeder met een zoekgeraakte taille, kuiten met een deltawerk van spataderen en rimpels tussen borsten die nooit meer uit zichzelf omhoog zullen kijken. Als je zo’n onzichtbare vrouw geworden bent. Sinds mijn vader er vandoor is gegaan zit de klad erin. Ze gaat nog maar twee keer per jaar naar de kapper, draagt het liefst een fleecevest en sinds ze in de overgang zit blijft ze maar dooreten van die zeezoutkaramelchocoladerepen, alsof al het gemis opgevuld kan worden met buikvet.
De bouwplaats was maar een paar straten van hier, ik heb onderweg niet veel tegen hem gezegd en hij bleek ook geen prater. Eenmaal binnen kwam ik meteen ter zake, duwde hem achteruit de kamer in en trok de drukknoopjes van zijn overall los. De gereedschapsgordel vormde even een obstakel, tot ik het kliksysteem door had en het ding op mijn kleed viel. Ik kan enorm ontroerd raken van de aanblik van goed gereedschap en hier schoot een krachtige klauwhamer uit zijn holster, die weerloos bleef liggen in de hoogpolige zachtheid van mijn tapijt.
Ik dreef Fred, of Kees, verder in de richting van het bed, pakte onderweg mijn kimono van de stoel en trok de zijden ceintuur los. Op de kast lag mijn stoffenschaar. Een schaar mag alleen zo heten zolang je hem voor stof gebruikt. Dan blijft hij scherp bij al je naaiwerk. Zodra je hem een keer in karton of papier zet, degradeert hij tot gewone knutselschaar, dan kun je hem niet meer voor textiel gebruiken. Deze knipte nog knisperscherp door de gladde zijde, waardoor er twee helften overbleven van mijn ceintuur. Ik gooide de schaar op het dekbed en duwde dit prototype man, dat brok testosteron met zijn overall inmiddels op zijn enkels, met zijn rug op de matras en ging schrijlings over hem heen zitten. ‘Oh, kinky!’ riep hij toen ik zijn handen aan de spijlen van het hoofdeinde vastbond met een stevig geknoopt stuk kersenbloesemprint. ‘Kom op, laat die tieten zien!’
Nou héb ik hele goeie tieten. Als kind speelde ik vooral met de jongens; fikkie stoken, gevonden dode dieren begraven, knikkeren en hutten bouwen. Maar in groep acht kreeg ik al rap een kleine B-cup en toen schaamde ik me dood dat ze maar bleven groeien. Ineens keken mijn vrienden anders naar me, daar moest ik aan wennen. Eenmaal op de middelbare school kreeg ik door dat goeie borsten deuren kunnen openen. Als je niet alleen slim, maar ook lekker bent, dan hebben jongens en mannen je graag om zich heen. Daar kun je handig gebruik van maken bij een sollicitatiegesprek of als je op zoek bent naar een kamer. Neemt niet weg dat fijne boobies ook voor jezelf lekker zijn, zolang je ze in goede handen geeft, tenminste.
Toch hoef je het niet de hele dag te horen als je over straat loopt. ‘Zó hee, jij hebt lekkere memmen!’ Waarom geef je die informatie aan iemand die dat allang weet en bovendien op dat moment vooral bezig is met het halen van de tram?
Ik heb er weleens om gelachen met Maya en Glennis, toen we ons dat afvroegen: waarom? Wat heeft dat geroep voor zin? Alsof er ooit ook maar één meisje is geweest dat door zo’n groepje, hangend tegen de plantenbak voor de supermarkt, werd toegesist met ‘Hé, neuken?’ daarop blij verrast terugriep ‘Nou, wat een goed idee, lekker! Ik haal even een zak kattenvoer en een tros bananen voor mijn moeder, maar daarna zie ik jullie achter de glasbak.’
Maar goed, Kees, of Fred, kreeg mijn tieten helemaal niet te zien, want daarvoor waren we niet gekomen. We waren hier omdat hij gepijpt wilde worden. Dat hij daar trek in had was wel duidelijk; languit liggend op mijn bed barstte hij bijna uit zijn onderbroek.
Toen ik langs die bouwput liep en hij ‘Hallo mooierd!’ riep, vond ik dat eigenlijk wel lollig. Zoiets mag je best tegen me zeggen, daar word ik vrolijk van. Dus ik groette terug in het voorbijgaan. Maar daar bleef het niet bij, hij kwam achter me aan. ‘Blijf staan dan, kom terug!’ Ik begon sneller te lopen, maar toen gingen zijn collega’s meedoen. ‘Niet doorlopen, hoer!’ Ik besloot niet om te kijken, maar voelde aan de spanning in mijn schouderbladen dat ze dicht achter me zaten. ‘Hee, slet, terugkomen!’ ‘Pijp me dan!’
Ik ben al zo vaak sneller gaan lopen, of een willekeurige straat ingedoken waar ik helemaal niet moest wezen, of overgestoken naar de andere stoep. Om de confrontatie uit de weg te gaan. Om de kat niet op het spek te binden. Ik niet alleen, de andere meiden ook – Glennis, Maya. En mijn moeder en haar vriendinnen, vroeger, voor ze vormeloos werden. En ineens was ik het zat. Misschien omdat ik bijna ongesteld moet worden, dan zijn mijn grenzen wat sneller bereikt. In elk geval draaide ik me dit keer om en bleef staan. ‘Wil jij gepijpt worden? Kom mee dan.’ Even twijfelde hij, keek van mij naar zijn maten. Toen begon hij te grijnzen en maakte zich los uit de groep. Die andere kerels joelden ons na toen ik mijn arm door die van hem stak. Vanaf daar had ik de touwtjes in handen.

Meestal als Joker binnenkomt na zijn blokje om, wil hij zo snel mogelijk eten. Maar nu zit hij al een tijdje onder het bed te spelen. Hij heeft wat gevonden en met zijn pootje tikt hij ertegenaan, laat het onder het bed vandaan rollen, pakt het dan weer. Het is een beetje als toen hij nog wel muizen ving, dan kwam hij vaak thuis met zo’n beest in zijn bek, maar had nog niet helemaal doorgebeten. Dan spartelde zo’n diertje nog wat en bleef Joker een beetje treiteren voordat hij de muis echt opat. Maar deze piemel is natuurlijk allang dood. Of misschien ook niet, Lorena Bobbit uit Virginia in de VS had in de jaren negentig de lul van haar man John met een keukenmes eraf gesneden. Ze is daarna met dat geslachtsdeel in haar hand in de auto gestapt en weggereden. Ergens, onder het rijden, heeft ze John’s penis uit het raam gegooid en daarna heeft ze de politie gebeld om te vertellen wat er was gebeurd. Toen is er een heel team gaan zoeken in de berm en heeft die afgesneden lul gevonden. Die is er weer aangenaaid en daar is die John beroemd mee geworden, want zijn piemel deed het nog. Dat zit er voor Fred, of Kees, niet meer in, nu Joker toch in een paar happen zijn honger stilt. En ik ga natuurlijk ook niet de politie bellen, die zien me aankomen.
Wel zonde van mijn schaar, die is alleen nog goed voor in de keukenla. Maar ja, waar laat ik nu zo’n Kees? Of Fred.

Wolke Kluppell, 29 januari 2021