Categorieën
Fictie

Je bent er

Je bent er

De geur van chloor geeft me buikpijn. Nog steeds. Zodra de dampen mijn neus bereiken, krimpt achter mijn navel een ruimte ineen. Ik leg mijn vingertoppen op mijn buik en voel hoe het vel eromheen trekt als het rubber van een leeglopende ballon.
Ik hoef niet bang te zijn. Ik kan zwemmen en de badmeester is dood. Ik ben 43, maar het chloor. Mijn mond vult zich met speeksel als de bek van een Pavlovhond. Ik ga niet spugen. Door mijn neus in, door mijn mond uit. We zijn er bijna. (We zijn er bijna. Maar nog niet helemaal.)
Misschien komt het door de bus. Een tas op schoot, badpak alvast onder mijn kleren. Heb ik een onderbroek mee? Chloorlucht – minder erg dan vroeger, maar toch – zodra de wielen onder mij de parkeerplaats opdraaien. Naast me zit mijn moeder: ‘Heb je er zin in, mam?’ vraag ik met de opgewektheid die mij moeder dan mijn moeder maakt. Ze kijkt door me heen. ‘We gaan zwemmen. Da’s lang geleden hè?’ Mijn moeder lacht. Ook door me heen. Alsof er achter mij iets grappigs gebeurt.

Een veranderd gevoel voor humor kan wijzen op een slechte cognitieve gezondheid.

‘Zooo, we zijn er!’ roept een stem. ‘We stappen zo één voor één uit en we blijven zitten tot degene voor je is doorgelopen.’ De stem verzacht zich en richt zich tot een kortgeknipt mevrouwtje in een dikke winterjas. ‘Betsie, loop jij met mij mee? Geef me maar een arm.’ Betsie schuifelt tussen de banken vandaan. ‘Muizemuis’, zegt ze. Ik versta ‘rot op met je arm’, maar ik kan me vergissen en ik bied mijn moeder de mijne aan. Ze weigert. Voor haar uit loop ik het gangpad af tot ik het trappetje van de deur bereik. Ik moet wachten. Vóór mij trotseert Matthias de treden. Elk stapje een aanslag op zijn gewrichten, een bleke hand om de draaistang van de deur. Bij zijn laatste zuchtsteun kijk ik op zijn kruin. Witte haren in dunne baantjes. Matthias’ scheiding ligt perfect links van het midden en ik vraag me af of hij dat nog elke morgen zelf doet. Ik ruik Brylcreem en pepermunt. Eenmaal met beide benen op de grond, draait hij zich naar me toe en steekt zijn hand uit. Matthias is een heer.
Mijn hand ligt losjes tussen de droge vingers van een oude man. Zijn nagels schoon en het rozewit van spekvet. Schijnveilig daal ik af en probeer vooral voor hem te voorkomen dat ik val. Maar ik val niet. Een gouvernante uit een koetsje ben ik. ‘Dank u wel, meneer’, zeg ik hoffelijk. Matthias grijnst het soort te rechte tanden bloot die alleen van acryl worden gemaakt.
De kleedkamer is niet veranderd. Een groepskleedkamer met gele deuren, een bank en kapstok langs de volledige lengte van de muur. Nu sta ik er met oud geworden meisjes. Met afgebladderde gêne wachten ze in hun zonderbroek tot iemand ze komt helpen met hun sokken. Betsie is haar slippers kwijt. Een mevrouw met glazig grijs schaamhaar trekt haar zojuist afgegleden vestje ondersteboven weer aan.
Mijn moeder slaat het gade. ‘Trek je kleren maar uit, mam’, maan ik. Haar gezicht schiet van verbazing naar onbegrip naar belediging en dan in de lach. Ze heeft me door, ik maak een grap. ‘We gaan zwemmen, mama’, probeer ik opnieuw. ‘Kijk, iedereen kleedt zich uit.’ Als een Hollandse toerist in Benidorm spreek ik heel duidelijk in een taal die zij niet begrijpt en poog mijn woorden te ondersteunen door uit te beelden wat ik van haar wil. ‘Doe maar mama. Zo!’ Het is een circusact. In één beweging trek ik mijn trui uit over mijn hoofd en toon haar het wonderlijke resultaat van die handeling in de vorm van het bergje blauwe wol in mijn handen. De stilte die volgt zou zich uitstekend lenen voor applaus. In plaats daarvan krijg ik een klap in mijn gezicht.

Agressief gedrag is niet persoonlijk bedoeld, maar een symptoom van de ziekte.

‘Och Frea, wat doe je nu? Je dochter wil je helpen.’ Een groepsleidster neemt mijn moeder van me over. ‘Kom maar. Zullen we samen je blouse doen?’ Ik trek mijn schoenen uit, stop mijn sokken erin en laat mijn broek van mijn benen glijden. Mijn moeder heeft me nog nooit geslagen.
Matthias staat al onder de douche als ik aan kom lopen. Hij is lang. Een bast gebouwd op spiergeheugen. Hij draagt zijn zwembroek met korte pijpjes hoog om zijn buik. Bruin met een wit riempje, alsof hij al 60 jaar dezelfde draagt. Ik zie Matthias voor me in zwart wit. Een strand. Zijn witte haartjes pikzwart in het vet en zijn blik op het meisje dat op een dag zijn vrouw zal zijn. ‘Joosje’, zegt hij als ik naast hem sta. Hij kijkt zacht. Zijn ogen kleuren bij de natte, blauwe tegels. ‘Dag lieve Joosje.’

Tegenspraak kan onveilig voelen. Probeer een Alzheimerpatiënt niet te corrigeren.

Ik lach naar hem. ‘Dag Matthias.’
Mijn moeder draagt een badpak en laat zich het water in leiden. Ik ken haar niet. Ze is iemand anders. Niet eens de schim of het slappe aftreksel. Niet de buitenkant waarin diep van binnen heus mijn moeder nog zit. Ik heb alle folders gelezen, maar nergens staat wat ik met deze vrouw moet doen.
‘Zullen we een baantje trekken?’, vraag ik. ‘Leuk, Frea’, zegt de begeleidster. ‘Saar wil met je zwemmen.’ Mijn moeder staat rechtop in het water, haar armen naast haar lijf. Ik verwacht een watertaxi, maar niemand haalt haar op. ‘Weet je nog, mama? Ik maak een zwembeweging. ‘Armen, benen, sluit.’ Mijn moeder blijft staan. ‘Zal ik anders een handstand doen? Kijk mam!’ Ik neem een hap lucht en knijp met één hand mijn neus dicht. Onder water ben ik 8. Ogen open, de tegels wazig. Ik zet mijn ene hand neer, laat mijn neus los en vind stabiliteit met mijn tweede hand. Mijn benen steek ik recht omhoog als de meisjes met een neusklem op tv. Ik sta. Ik trek één knie naar me toe, terwijl ik de andere uitstrek met de tenen van een ballerina. Ik kan het nog. Als ik bovenkom staat mijn moeder met haar rug naar me toe.
‘Joosje!’ Matthias komt aangewaad. ‘Joosje, Joosje.’ Hij wandelt lange zware stappen tot een halve meter voor me en pakt mijn arm vast. ‘Lieve toch.’ De witte hand knijpt in mijn arm, zijn mond is bij mijn gezicht. Ik adem zijn adem. Pepermunt. ‘Je bent er.’

Behoefte aan veiligheid kan zich uiten in sterk aanhankelijk gedrag.

Ik wend mijn gezicht af en duw hem zachtjes weg. ‘Ik wil even zwemmen’, zeg ik. Maar Matthias probeert me te omhelzen. Zijn armen zijn plotseling overal. Het zachte van slap geworden armhuid tegen mijn schouders. Natgerimpelde vingertoppen. Hij is een octopus. Mijn wang glijdt langs zijn kale, gladde bast en ik voel hoe een zuignap aan mijn voorhoofd plakt. Ik wil onderduiken. Zijn kus afwassen. ‘Matthias!’ roept een begeleidster. Ze zet een onhandige borstcrawl in, terwijl ik onder zijn arm doorglip. Dan onder zijn andere. En dan nog één. ‘Matthias, laat los!’ De leidster pakt zijn beide handen en kijkt hem indringend aan. ‘Matthias, dat is Saar.’ Ze spreekt langzaam en duidelijk. ‘Saar is de dochter van Frea. Ze is niet Josephine.’ Op de rand van het bad schatert mijn moeder een klaterlach tegen de tegels.

Koffie. Natte haren, een kamer als een cel met de antieke meubels uit mijn jeugd. Onder mijn spijkerbroek draag ik niks. ‘Lekker, mams?’ Ze kijkt over de rand van haar kopje en geeft me een hint van een neiging tot een knikje. ‘Ik moet zo weer gaan. Vond je het zwemmen leuk?’ Mijn moeder geeft geen antwoord. ‘Was best gezellig toch?’ Als ik opsta, kijkt mijn moeder op van haar koffie en ik buig me naar haar toe. ‘Tot volgende week.’ Een kus eindigt luchtledig als mijn moeder zich woest van me wegdraait en met haar armen maait. ‘Weg!’, roept ze. De kamer ruikt naar chloor. ‘Ga weg!’ Ik draal onhandige danspasjes op het groene linoleum. ‘Weg!’
De deur van mijn moeders kamer opent geluidloos en valt met een zachte klik achter me dicht. Op de gang ben ik nergens. Mijn wangen zijn heet, ik hap naar adem, in mijn buik krimpt een ballon. Niet spugen. Door mijn neus in, door mijn mond uit. We zijn er bijna.
‘Joosje?’ Aan de overkant van de gang zit Matthias. ‘Joosje, toch.’ Zijn stem en ogen zijn zacht en vragend. Terwijl mijn benen mij richting het bankje dragen, zie ik hoe Matthias wazig wordt alsof ik onder water naar hem toe zwem. Zout nu, geen chloor. Ik druk mijn zwemtas tegen mijn borst en laat me naast hem neerzakken. Mijn hoofd past precies in het kommetje onder zijn schouder. ‘Ik weet het, meisje’, zegt Matthias. Pepermunt en Brylcreem. Een hand valt zachtjes op mijn knie. ‘Maar we hebben elkaar.’