Categorieën
Fictie

Is dit het?

Krijsend vechten de zilvergrijze meeuwen om de meest malse worm van de net geploegde akker, terwijl de man naar de punten van zijn robuuste wandelschoenen kijkt die in het luchtledige over de rand van de brede sloot hangen. Vroeger vocht de man ook overal om, maar ergens gaandeweg is hij de vechtlust verloren. Ja en amen zegt hij des te meer. Van nee zeggen krijg je discussies en die kunnen urenlang duren. Nee zeggen betekent nog niet dat je je zin krijgt en het betekent zeker niet dat de ander het dan zonder tegenwoord accepteert. Vechten is niet meer aan hem besteed en waarom zou hij ook?
Met zijn schoenen half in de berm en half boven de sloot volgt hij de enthousiaste vogels in hun dans. Als je de man vroeger iets nieuws voorschotelde werd hij ook enthousiast. Alles was een kans en een uitdaging en zonder enige twijfel pakte hij alles aan. Nu is twijfel de vriend, of vijand, die altijd hand in hand met hem de wereld bewandeld. Wereld? Veel verder dan het dorp waar hij woont en de stad waar hij werkt komt hij niet, dus zoveel wereld bewandelt hij niet. Om hem heen vieren collega’s vakantie in Peru en Bali, terwijl hij ieder jaar naar dezelfde camping in Frankrijk reist. Natuurlijk geniet hij van die weken in de zon met vrouw en kinderen, maar toch vraagt hij zich af of dit het is. Vooral wat betreft zijn werk.
Inhoudelijk is hij een kei in zijn werk. Tenminste dat wordt hem altijd verteld. Als iemand hem vraagt een notitie te schrijven over de avonturen van Reserves en zijn bondgenoot Voorzieningen in de magische wereld van de lokale decentrale overheid pakt hij die kans met beide handen aan. Verwoed researcht hij zich in de rondte om alles te weten te komen over de twee vrienden. Gestructureerd noteert hij dan alle verhalen van dit olijke duo in zijn moderne notitie-app op zijn iPad. Niet op papier natuurlijk, want hij werkt papierloos. Vol trots vertelt hij zijn collega’s dat hij het afgelopen jaar minder dan tien vellen heeft geprint. Nee, met stapels papier van vergadering naar vergadering lopen, doet hij niet. Nee, hij heeft dat handig apparaatje dat je met één hand draagt en waarmee je overal en op elk moment alle informatie bij de hand hebt. Wat is hij modern, als hij alle informatie over held Reserves en zijn side-kick Voorzieningen overal oproept om te raadplegen. Overal en altijd kan hij het nalezen en gebruiken om zijn roman over de twee superhelden af te ronden. Natuurlijk leest hij het nooit na, maar het zou wel eventueel tot de mogelijkheden behoren.
‘Is dit het,’ fluistert hij. Is dit het wat hij altijd voor ogen had? Is dit wat hij altijd wilde bereiken? Waarom stelt hij zich überhaupt deze vraag? Er is daadwerkelijk niks in zijn leven om over te klagen. Hij woont in een prachtig huis met zijn lieve vrouw en jonge kinderen. Het is een oud huis en er moet nog veel aan gedaan worden. Veel dingen om voor te sparen. Maar het is wel een fijn huis op een plek waar natuur gecombineerd wordt met de gemakken van winkels en horeca om de hoek. School om de hoek, vriendinnetjes om me te spelen voor de dochters. Allebei hebben ze een goede baan. Hij mag niet klagen. Nee, dat mag dan niet.
Met een halve glimlach kijkt hij naar zijn modderige schoenen. Groene blaadjes kroos drijven ontspannen onder hem door. Af en toe ziet hij een visje zwemmen in het pikzwarte water dat onverstoorbaar onder hem voort kabbelt. Voorntjes, constateert hij als een volleerd visser. Hij heeft er dan ook veel gevangen. Zijn fanatiek vissende vrienden vonden het een goed idee dat hij het ook maar eens moest proberen en zijn lieve vrouw deed geen enkele moeite om ze tegen te spreken. Het zou hem rust geven, na al die onrustige jaren met verkeerde carrièrestappen. Zelf sprak hij het idee ook niet tegen en kocht diezelfde week nog een hengel. Hij was de auto nog niet uitgestapt of de dop die de hengeldelen als een matroesjka draagbaar moest maken, verzuimde zijn taak en alle delen schoven over straat. Het carbon was het niet eens met deze actie en uit protest vertoonde het verschillende scheuren in één van de hengeldelen. Nog geen minuut gevist en de hengel was kapot. Hij wist wel dat dit een slecht idee was.
‘Geen probleem,’ verzekerde zijn al jaren vissende vriend hem, ‘dit kan gewoon gemaakt worden.’ Waar de man net een vorm van enthousiasme voor de edele hengelsport had ontwikkeld, werd hij verplicht tot een week wachten om zijn nieuwe hengel voor het eerst te testen in de omvangrijke vijver waar zijn nieuwe huis aan lag. Gelukkig ging die week, net als iedere week, snel voorbij en dat weekend besloot hij zijn net gerepareerde nieuwe lat uit te werpen. Voordat hij de haak door de kronkelende made prikte, vroeg hij zich nog af of het een insteek- of uitschuifhengel was. Hij wist het niet meer, maar dat zal wel niet zoveel kwaad kunnen, dacht hij toen hij zijn hengel uitschoof. Hij vond het zelfs handig dat de laatste stukken in elkaar geschoven waren en begon aan zijn hengelavontuur. Tientallen voorntjes en een enkele baars maakten de tocht van het water naar de hand van de hengelaar om vervolgens na wat gepruts onthaakt te worden, soms bloedend meestal niet, en weer teruggegooid te worden om hun vissenleventjes te vervolgen. Vissen is fijn, dacht de man nog. Tot het tijd was om de hengel af te tuigen en huiswaarts te keren voor een welverdiende maaltijd bereidt door zijn mooie vrouw. Zonder enig probleem schoven de grote stukken van elkaar en lukte het ook nog om zonder onoverkomelijkheden de stukken weer in elkaar te schuiven, zodat hij dadelijk enkel het grootste stuk hoefde te versjouwen. Tot de laatste en kleinste stukken. Met geen mogelijkheid kreeg hij ze van elkaar. Dat was ook logisch, omdat het bovenste stuk in het lagere stuk zat in plaats van erover heen geschoven. Het was een insteekhengel, wist de man zich weer te herinneren. Met geen mogelijkheid waren de stukken uit elkaar te krijgen, waardoor de onrust, frustratie en irritatie het begonnen te winnen van de rust en ontspannenheid die hem beloofd waren als gevolg van het zitten aan de waterkant met een hengel in je hand. Maar ja, weer had hij geen nee durven zeggen en hier stond hij nu.
Zonder twijfel en moeite was hij vroeger over de sloot gesprongen. Nu twijfelt hij al bij de keuze of hij een pot boontjes of doperwten opent voor het avondeten. God, wat baalt de man van zichzelf. Waar is de sterke persoonlijkheid gebleven die hij volgens het assessment is? Waarom is het zo spannend en moeilijk om die volgende carrièrestap te maken? Waarom hecht hij zoveel waarde aan de werkplek die hij achterlaat, terwijl ze hem niets meer kunnen bieden? Alle opties voor handen en hij kan kiezen wat hij wil. Wat heeft hij nog meer nodig om die keuze te maken? Kom op zeg, alle ervaring is aanwezig en toch is de stap sprong te groot! Niet in het diepe, maar vooruit. Of omhoog, omhoog naar de volgende trede op zijn carrièreladder. Neem hem gewoon of blijf stil staan.
Aarzelend zet hij een stap naar achteren. Natuurlijk kan hij de sloot nog steeds overbruggen. Vroeger was hij kleiner en onervarener en sprong hij gewoon. Zelfs toen haalde hij de overkant en liep hij de akker over om bij de volgende sloot opnieuw te springen. En bij de volgende opnieuw en opnieuw en opnieuw. Zonder twijfel, gewoon doen. Een paar snelle, grote stappen en op het juiste moment timen en je bent weer aan de overkant. Klaar voor het volgende avontuur. Net als vroeger alleen met meer ervaring. Hij zucht diep en staart naar de meeuwen. Als een dolle vliegen ze op en neer om iedere worm die uit de donkerbruine modder omhoog kruipt bij zijn lurven te pakken. De meest onmogelijke capriolen halen ze zonder angst en twijfel uit voor dat ene doel. Hij mag niet twijfelen, gewoon doen wat goed voelt. Wat kan hem gebeuren. Maar ik durf het niet, denkt hij. Dit is het voor mij. Niet meer en niet minder. Dit is het voor de rest van mijn leven. Ik durf het gewoon niet. Hier blijf ik staan. Voor altijd.
‘Hoi papa.’
‘Hoi meisje.’ Zachtjes streelt de man met zijn rechterhand over het zijdezachte haar van zijn dochter. Grote, grijsblauwe ogen kijken hem aan.
‘Waar denk je aan,’ vraagt ze.
‘Of ik zal springen.’
‘Waarom zou je het niet doen?’
‘Misschien word ik nat.’
Even kijkt ze de akker over. Zelfverzekerd kijkt ze weer op naar haar papa. Met de allermooiste glimlach zegt ze: ‘ Maar dan ga je toch weer naar huis om te drogen en probeer je het later opnieuw.’
Even is het stil. De man streelt zijn dochter over haar haar en begint zijn aanloop.