Categorieën
Fictie

Ingevingen

Je staat erop dat je me naar huis brengt, ook al woon ik links van het winkelcentrum en jij helemaal voorbij de kerktoren. Je gebaart naar de bagagedrager, ondanks dat daar in grote letters ‘’maximaal 20 kilo’’ staat. Ik ben niet zwaar, maar zeker wel zwaarder dan twintig kilo. Jij bent immers maar een klein beetje langer dan ik. Behalve als ik mijn zwarte laarsjes met hakjes draag. Ik ga toch zitten. Ik moet mijn benen onderweg een klein stukje intrekken om ze niet over de grond te laten slepen.

Ik hield van feestjes. Van die feestjes waar er eigenlijk te veel mensen zijn voor slechts een huiskamer en een keuken van gezamenlijk respectievelijk dertig vierkante meter, maar waar iedereen elkaar toch te goed kent om zich zorgen te maken of je op elkaars tenen gaat staan. Maar een van de beste momenten van feestjes is, hoe erg ik ze ook waardeer, het einde. Het moment wanneer je na uren te dicht op elkaar hebben gezeten in een kleine ruimte, voor het eerst weer naar buiten gaat en de frisse nachtlucht inademt. Wanneer je de koelte tegen je huid voelt, en wanneer je naar huis fietst het verlaten wegdek helemaal voor jezelf alleen hebt.

Wanneer ik dan terug fiets naar huis denk ik na over wat er allemaal op het feestje is gebeurd. Of wat ik juist niet weet wat er is gebeurd. Iemand in de linkerhoek naast de koelkast heeft immers een totaal andere avond beleefd dan iemand op de bank in de huiskamer. En daarmee bedoel ik niet de typische roddelverhalen die je zou denken dat ik bedoel. Het zou me niet minder kunnen uitmaken dat X gevoelens heeft voor Y, A en B geen vrienden meer zijn of Z is vreemdgegaan.

Waar ik op hoop is een goed verhaal. Een verhaal dat net iets te persoonlijk is om zonder een paar shotjes wodka aan iemand zo irrelevant als ik te vertellen. Een verhaal waarmee ik thuis achter de computer kan gaan zitten en er in Microsoft Word zo veel aanpassingen aan kan maken dat het niet eens meer een klein beetje teruggevoerd zou kunnen worden op het origineel.

Maar nu was ik niet alleen. Ik vraag hem of we om moeten wisselen, maar hij weigert. Ik voel me schuldig, ondanks dat hij degene was die aandrong me achterop te nemen. Ik weet dat we nog minstens twintig minuten moeten fietsen voordat we thuis zijn, en ik hoor de krakkemikkige fiets piepen onder mijn gewicht. Het is zo’n oude fiets dat als je hem zelfs in Rotterdam Centraal zonder slot op het station zou laten staan, hij nog steeds niet meegenomen zou worden. Het zadel mist grote stukken leer, waardoor het gele schuim zichtbaar is, en het logo op de stang van de fiets is onleesbaar door de slijtage. De voorlamp is stuk.

‘’Dus. Hoe gaat het met de schrijfdingetjes waar je had laatst over had. Je gedichtjes.’’

Zijn vraag klonk te vlak om een vraagteken achter de zin te kunnen zetten. Het klonk meer alsof hij het vroeg om de stilte te kunnen vullen, in plaats van dat hij oprecht geïnteresseerd in het antwoord was. Ik had er al spijt van dat ik hem ooit over mijn voornaamste vrijetijdsbesteding had verteld.

‘’Ik schrijf geen gedichten. Alleen verhalen.’’

‘’Oh ja. Waarom eigenlijk?’’

‘’Ik vind gedichten te pretentieus. Pijn en verdriet worden altijd uitgemaakt als iets moois en kunstigs. Pijn is pijn en het doet pijn en het voelt klote. Daar is niets moois aan. Hoe veel dure woorden, metaforen en stijlfiguren je ook gebruikt verandert daar niets aan. In een verhaal gaat het tenminste ergens over. Niet dat ik in lange tijd ook maar iets geschreven heb. Dus om ook gelijk je eerste vraag te beantwoorden: het had beter gekund.’’

Hij vraagt waarom ik al een tijd niets meer geschreven heb. Ik antwoord simpelweg dat ik gewoon geen inspiratie heb. ‘’Ik weet hoe ik van een verhaal een heel ander verhaal kan maken, maar dan moet het eerste nog steeds wel interessant genoeg zijn. Ik heb simpelweg naar mijn verdriet de afgelopen weken niets interessants meegemaakt of geh-’’

Nog voordat ik uitgesproken ben stapt hij abrupt af van de fiets en ik moet mezelf snel corrigeren om niet met mijn zij op het wegdek te belanden. Wanneer ik opgestaan ben kijk ik hem geïrriteerd aan, afwachtend op een uitleg of een verontschuldiging. Hij staart alleen voort zich uit. Hij lijkt in shock. Ik volg een denkbeeldige stippellijn vanuit zijn ogen naar waar zijn blik eindigt. Ik zag het nu ook.

‘’Is dat een goed genoeg verhaal voor je?’’.