Categorieën
Fictie

Ik droomde dat Roos er niet meer was

Afgelopen nacht droomde ik dat ze dood was. Mijn Roosje. Ik heb dat soort dromen wel vaker, nare dromen over de dood en eenzaamheid. Deze voelde weer zo echt. Een angstwekkende leegte die zich meester maakt van je buik, je hart dreunt in je bast. De radeloze hoop dat het slechts een droom is. Even de twijfel, en dan een soort besluit, opluchting; het was een droom. Godzijdank. Maar de rest van de dag draag je het mee. Sinds we hierheen verhuisd zijn, komen ze steeds terug. Omdat ze zo heftig zijn en Laure ook niet wist wat ze ermee aan moest, ben ik bij een psycholoog geweest. Die kwam niet verder dan platitudes over dromensymboliek en emoties die zo pijnlijk zijn dat ze in het onderbewuste worden geschoven, waar dan de dromen uit voortkomen. Maar ik heb geen trauma’s en droom niet in symbolen. De beelden vervagen snel, ze zijn te scherp. Wat veel langer blijft is het gevoel, toen het in mijn droom tot me doordrong dat Roosje er niet meer was. Als een zich terugtrekkende golf op een kiezelstrand.

Die koude kiezels zijn er nog als ik de steile trap naar de woonkamer afdaal. Het huis is stil. Mijn buik verkrampt. Mijn adem stokt, mijn hoofd vult zich met een alomvattende angst. Het zal toch niet…dan zie ik haar zitten, in haar hoekje van de bank. Ze leest een van Nijntje’s avonturen. ‘Goedemorgen liefie.’
Ze kijkt even op en glimlacht naar me.
‘Papa is even buiten.’ Ik open de voordeur en stap vanuit de woonkamer de buitenlucht in, de overgang is direct en rauw. De wind die over duizenden kilometers koude, zwarte golven aan komt waaien, slaat met een zoute hand in mijn gezicht. De kou van de winter zit er al in. Ik kijk uit over groen en grijs; het grasveld voor het huis, voorbij het hekje de heideplanten op de heuvel die afloopt naar de rand. De zee ver beneden, ik hoor het. De Atlantische Oceaan die onvermoeibaar tegen het graniet beukt. Sinds we hier wonen begrijp ik volkeren die geesten, zielen en godheden in natuurverschijnselen zien. In het grijs van dit soort landschappen vervagen de grenzen tussen hier en daar, tussen leven en dood.

Het parkeerplaatsje is leeg. Laure is naar haar werk en twee oudsten zijn op school. Roosje blijft altijd bij mij. Als ik bij het raam met uitzicht op zee zit te werken, voel ik haar nabijheid. Zij zit meestal te tekenen maar ik lees haar ook vaak voor. Ze geniet van de klank van taal en gaat door waar het verhaal stopt. Ik kan er alleen maar naar raden wat al die woorden en zinnen in haar hoofdje doen. Maar ik vermoed verre werelden en sprookjesdieren. Fantasieën waarin dat wat niet bestaat, echt wordt.

Binnen is het weer warm, direct mis ik de ruimte van zojuist. En mijn droom, zo echt, met details als bloed op gedeukt aluminium en een motor die blijft loeien, heeft me nog niet losgelaten. Dat de menselijke geest in staat is telkens zulke dingen te verzinnen. Ik knijp hard in mijn handen, haal diep adem. Normaliter praat Laure de rust in mijn hoofd.
‘Kom we gaan een stukje wandelen.’ Roosje kijkt op. ‘Het is droog, en dan lopen we naar Neist Point.’ Ze knikt enthousiast en even later staan we buiten klaar. Zij met paarse winterjas en wandelschoenen. Stoer meisje. Ik controleer dat haar jas dicht en mutsje goed zit.
‘Als je het koud krijgt is het te laat.’
‘Dat zeg je altijd hè, Papa?’ zegt ze en pakt mijn hand vast. Door onze handschoenen voel ik de kleine vingers knijpen.
‘Dat klopt lieverd.’

Buurvrouw Hannigan zwaait van een afstandje naar ons. Ik zwaai terug en roep:
‘Me and Rose or going for a walk.’ Ze kijkt me meewarig aan.
‘Of course you are dear.’

De wandeling naar Neist Point is redelijk kort dus we kunnen het rustig aan doen. Heuvel af richting zee, naar de rand van de wereld. Op de horizon ik het silhouet van de Outer Hebrides eilanden achter een grijs gordijn dat glinstert in het ochtendlicht. Dichterbij valt het licht op de massieve rotswanden die naar Neist Point leiden. Aalscholvers zitten als potloodventers op de rotsen en proberen de ochtendzon in hun vleugels te vangen. Jan-van-Genten zijn in gevecht met de wind. Een aantal keer kan ik Roos wijzen op zeehonden in het water ver beneden ons. Ademloos kijkt ze dan toe. De wereld is leeg van mensen, en vol van al het andere.

Bij de vuurtoren loopt Roos direct naar het veldje waar cairns staan die wandelaars hier hebben gestapeld. Volgens haar zijn het grafzerken van elfjes, of faeries, zoals ze hier heten. Voorzichtig loopt ze er dan ook doorheen. Ik groet een stel toeristen en als ze naar ons kijken, zwaait Roos vrolijk naar hen. Ze lopen door alsof Roos niet bestaat. Klootzakken. Mensen weten wel vaker niet om te gaan met onbevangenheid en ik maak me zorgen dat zij zich rot voelt omdat ze dan genegeerd wordt. Maar het lijkt dwars door haar heen te gaan. Nu ook, zij heeft niks gemerkt, is al weer met de faeries bezig. Mij laat het niet los, misschien vanwege de droom, maar ook omdat ik het zo oneerlijk vind. Roos verdiend het chagrijn waarmee die types op haar levenslust reageren niet. Beneden hoor ik de golven als een zware trom op de rotsen beuken.

Als we thuis komen, zijn Laure en de kinderen terug. Ik geef ze knuffels en kussen waarbij ik mijn koude wang warm tegen die van hen voel. Roos duikt haar hoekje weer in en pakt haar boek. Zoals zo vaak wordt ze door haar oudere broer en zus genegeerd. Op hun smartphones appen met vriendjes is belangrijker. Ik slik mijn irritatie in, ga bij Laure aan tafel zitten en vertel uitgebreid over onze wandeling, de wolken en het licht, de grappige vogels en de toeristen die niks terug zeiden. Ze kijkt me met haar vriendelijke somberheid aan. Met medelijden, als je niet beter zou weten.
‘Misschien verstonden ze je niet,’ probeert Laure.
‘Ach, wie verstaat nou geen Engels? Dat ze mij negeren is één ding, maar Roos, zo’n vrolijk meisje!’ Ik kijk naar Roos en zie ook de ogen van haar broer en zus op mij. Alsof ze iets bekends zien waar ze toch bang voor zijn.
‘Wat, ze is toch ook vrolijk? Waarom zou je haar negeren,…?’
‘Schat,…’ sust Laure.
‘Wat nu schat? Dat is toch niet normaal? Of vinden jullie dat wel normaal?’ Ik kijk de andere twee boos aan. Roos kijkt niet op, ze zit heerlijk te lezen.
‘Zij doet toch niemand kwaad!’ Ik voel de droom van vanochtend weer. De wandeling heeft weinig geholpen, ze zitten er nog, de kiezels. Een boze angst schiet van mijn buik naar mijn keel. Ik wijs van Roos naar de andere twee, hun gezichten belicht door hun schermen.
‘Jullie hebben niet eens hallo tegen Roosje gezegd!’
‘Maar zij,…’ begint haar zus.
‘Jullie zijn zussen, maar een keertje met haar spelen, hó maar, dat is teveel gevraagd.’ Ik zie tranen in haar ogen. Goed zo, voel maar een keer dat het niet okay is. En dan hij. Ik zie hem naar zijn moeder kijken.
‘Heb jij nog wat te zeggen? Waarom kijk je naar haar? Weet zij soms waarom jij Roos nooit een keertje ergens mee helpt?!’ Hij slaat zijn ogen neer. Kijkt naar zijn telefoon die hij langzaam laat zakken.
‘Je kunt niet met Roos,…’
‘Wat kun je niet met Roos, je kunt alles met Roos,’ ik schreeuw zo hard dat het mijn keel pijn doet. Ik zie wat mijn woede met hen doet, maar kan het niet tegenhouden. Hij staat op, hij wil de trap op naar zijn kamer, vluchten, zoals zo vaak.
‘Rotkinderen, dat zijn jullie. Haar zo dood te zwijgen! Wat heeft ze jullie ooit gedaan?’ Schreeuw ik mijn zoon toe. Hij kijkt met grote ogen terug, zijn mond zie ik worstelen om woorden te vormen. Hij is niet boos op mij, dat zie ik ook, maar toch, en dan.
‘Ze is doodgegaan!! Ze is dood, papa!’ Zijn gezicht breekt, zijn mond verwijdt zich, hij knijpt zijn ogen samen. Hij staat alleen in het midden van de vloer, zijn schouders opgetrokken, armen langs zijn zij, zijn lichaam schokt. Hij staat alleen te huilen. Ik stuif op, maar weet dan niet wat te doen. Een pak slaag wil ik hem geven om wat hij zegt over Roos. Maar zie hoe klein hij eigenlijk is. Zijn zus rent naar Laure toe, kruipt bij haar op schoot. Laura kijkt me aan. Tot mijn verbazing lijkt ze niet boos. Ik zie wel vocht op haar ogen, daarachter leegte. Ze houdt haar arm open voor mijn zoon, die er heen loopt en zijn gezicht in haar nek verbergt. Ik zoek Roosje. Om haar te laten weten dat het goed is, dat haar broertje het niet zo meende…hoe kon hij dat nou zeggen?