Categorieën
Fictie

Ignatius

Ignatius

Heeroom was de oudste broer van mijn oma. Pas toen ik al op de middelbare school zat kwam ik erachter dat een heeroom de katholieke benaming is voor een oom die geestelijke is en dat hij eigenlijk Harrie heette. Hij was pastoor in het Vlaamse stadje Maaseik, net bij ons over de grens. Bijna iedere zondag toog hij na de kerkdienst naar Nederland, om daar bij de familie op de borrel te gaan. Mijn grootouders waren meestal het laatste adres. Heeroom kwam steevast laat in de middag aan en nam, in tegenstelling tot op de voorgaande adressen, niet de moeite meer om beleefdheidshalve eerst een kop koffie te drinken. Hij ging meteen aan de oude jenever. Na binnenkomst hing hij steevast zijn kreukloos gesteven colbert, over de leuning van zijn vaste zetel aan het hoofd van de tafel. Op winterse dagen weerkaatste het klein metalen kruisje op het revers het licht van de laagstaande zon. Ruim na het avondeten, als de vaat alweer schoon in de kast stond, reed hij terug naar de andere kant van de grens. Niemand vond het echt bezwaarlijk dat zijn alcoholpromillage ruim boven de toegestane grens lag.

Heeroom was altijd een stevige roker. Sigaren vond hij niets, maar zowel een pijp als sigaretten bekoorden hem zeer. Nadat hij last kreeg van zijn luchtwegen en de zondagse missen, begrafenissen, doopsels en communies niet meer kon verzorgen, verkaste hij naar een klooster in Genk. Eenmaal ben ik daar geweest. Ik zat toen in de derde van het atheneum en had er weinig zin in, maar er waren binnen mijn familie bepaalde plichten waaraan je voldeed. Bovendien had ik toch niets te doen. Met mijn slungelige lijf en mijn verlegen babyface maakte ik moeilijk vrienden.

In haar Opel Corsa reden tante Johanna in ik naar Vlaanderen. We passeerden het Nederlandse en daarna het Belgische grenswachtershuisje. Binnen enkele jaren zouden de grenzen definitief opengaan en het leek alsof de douaniers aan beide kanten van de grens daar al een voorschot op hadden genomen. Met een naar niets turende blik keken ze naar de omlaag vallende regendruppels en de voorbijrijdende auto’s. Nadat we de grens over waren reden we langs protserige villa’s en huizen die een zijgevel hadden van grijze ruitvormige bekleding. Ik woonde maar een kilometer of tien van de grens, maar kwam weinig in België en ervoer ik wat zag als onalledaags. Na bijna een uur rijden arriveerden we in Genk. Ik had mij vooraf geen enkele voorstelling gemaakt van hoe het klooster eruitzag, maar toch was ik hoogst verbaasd toen tante Johanna zei dat we er waren. Ze parkeerde de Corsa op een pleintje dat was omgeven met eenvoudige, uit rode of gele baksteen opgetrokken huizen. Het plein was geplaveid met kinderkopjes waar op sommige plekken een laag asfalt overheen lag, alsof de stratenmakers tijdens het asfalteren ruzie hadden en elkaar met klodders warm, stroperig asfalt waren gaan bekogelen.

Geen enkel gebouw leek op een klooster, dus liep ik achter mijn oudtante aan. Terwijl ze op de deurbel drukte, bekeek ik het gebouw van dichtbij. Het leek, met zijn roodbruine bakstenen en kleine stalen kozijnen waarin de stopverf het glas op zijn plaats hield, meer op een oude fabriek dan op een klooster. Het enige karakteristieke aan het gebouw was een ornament boven de voordeur. Vier uit steen gehouwen heiligen staarden de leegte in.
‘Het duurt soms even voor ze opendoen’, zei mijn oudtante. Na een periode die ellenlang leek te duren ging een luikje, dat op ooghoogte in de uit zware groen geverfde balken opgetrokken deur was aangebracht, open en twee spiedende ogen keken me aan. Het groene kolos ging langzaam open en voor ons stond een man van in de vijftig met een vooruitstekende buik en een hoornen bril.
‘Komt u verder’, zijn stem was zacht, alsof hij moeite had de lucht voorbij zijn strottenhoofd te krijgen, ‘Harrie is in zijn kamer.’

Zoals het gebouw er van buiten uitzag, oogde het ook van binnen. Alles was keurig schoon, maar over de betegelde muren, de kozijnen en de vloertegels leek een dof laagje slijtage te hangen. Het tegelwerk op de vloer, dat waarschijnlijk ooit bordeauxrood was, oogde nu bruin. Als schimmel leek zich er een witte waas op te vormen zoals bij door zon en regen verweerd terracotta. Op bepaalde plekken dichterbij de muren, daar waar de monniken minder liepen, hadden de tegels een kleur die meer richting een vaal soort oranje ging. Aan het einde van een gang bevond zich de kamer van Heeroom. Het kon blijkbaar erger. Alles in de kamer, het bureau, de stoelen en het bed, had hetzelfde laagje dofheid als de rest van het gebouw over zich, maar was tegelijkertijd bedekt met rondslingerende papieren, boeken en restjes pijptabak die in bruine sliertjes de hele kamer leken te versieren. De oude man nam niet meer de moeite om de boel nog proper te houden. Toch leek hij zich te schamen voor zijn situatie. Hij sloeg het tijdschrift dat hij las dicht, ik kon vanuit mijn ooghoek zien dat het ging over missiewerk in Afrika, en sommeerde ons met de woorden ‘ik heb geen koffie of thee meer hier’ om mee naar de televisiekamer te gaan.

Even later zaten we in een ruimte waarin enkele tafels in een U waren geplaatst. Sommigen waren van zwaar eikenhout, maar er stonden ook tafels die leken op de exemplaren die bij mij op school in de aula stonden. Eromheen stonden stoelen en natuurlijk een televisie. Het leek of de monniken hun best hadden gedaan om het gebouw binnen nog minder sfeer te geven dan buiten. Omdat ze geen cola hadden, dronk ik een kopje thee. Met genoeg suiker erin smaakte alles. Mijn iele, de hoogte ingeschoten lichaam kon bovendien best wat extra calorieën gebruiken. Tante Johanna en Heeroom waren aan het woord en ik deed vooral mijn best om het interessant te vinden. Ik probeerde me altijd te interesseren voor de verhalen van mijn gesprekspartners omdat ik het verschrikkelijk vond om anders te zijn dan de anderen. Ik wilde me graag met anderen verbonden voelen, zelfs met die oudjes waarvan hun wijsheden me als tiener onmogelijk konden boeien.

Intussen waren er nog twee monniken aan onze tafel aangeschoven. Een charmante en in het gezelschap jonge man stelde zich voor als Clemens. Hij zag er niet uit als een pater. Ik schatte hem voor in de veertig en met zijn haarscheiding die in een kuif omhoog stond kon hij zo door voor een verkoper in een elektronicazaak. De andere zei dat ze hem hier Ignatius noemden. Hij was graatmager en had een kleine stompe neus in een gezicht dat verder spits en hoekig was. Ignatius vroeg hoe ik heette. Zacht zei ik mijn naam. Hij zweeg en meteen had ik het gevoel dat het aan mij lag dat het gesprek stil viel. Ik probeerde iets te bedenken om aan hem te vragen, zo erg dat mij hoofd ervan tolde. Toen dat niet lukte probeerde ik aan het gesprek van de andere drie deel te nemen, maar ook daar wist ik niets in te brengen. Tenslotte gaf ik het op en bekeek de kale muren en de hoge plafonds. Veel leuks viel er niet te zien. Ik wist dat het monnikenleven een bestaan van eenvoud was, maar niet dat eenvoud zo troosteloos was. Hoe zou het zijn om hier te wonen? Iedere dag datzelfde ritme van opstaan, bidden, eten, weer bidden, weer eten en naar bed gaan. Volgens mijn geschiedenisleraar Herms bestond het kloosterleven vroeger vooral uit werken op het land en Bijbelstudie. Dat had tenminste nog iets romantisch, om met het zonnetje op je kaalgeschoren schedel de zomerprei uit de grond te trekken.

Ik hoorde mijn naam en realiseerde me dat ze het over mij hadden. De geestelijken vroegen mij waar ik woonde en van wie ik er een was.
‘Je bent een mooie jongen’, zei Ignatius, ‘ik denk dat dit de mooiste jongen is die ik ooit gezien heb.’ Een warme gloed maakte zich meester van mij. Eindelijk zei iemand iets positiefs over mij, eindelijk deed ik er een keer toe. Eindelijk, na al die keren dat de jongens zeiden dat ik nooit verkering zou kunnen krijgen en na al die meisjes die zich vlug en ongemakkelijk uit de voeten leken te maken als ze mij zagen.
‘Hij is nog slim ook, hoe zit op het atheneum’, zei mijn oudtante snel en het gesprek ging weer verder.

In de auto terug zeiden we weinig.
‘Die Ignatius is een beetje een vreemde’, zei tante Johanna, ‘dat is hij eigenlijk altijd al geweest’. Een steen van teleurstelling daalde vanuit mijn keel af naar mijn maag. De enige die mij een compliment gaf was blijkbaar een oude, wereldvreemde monnik. Toen we even later de grens passeerden vervolgde ze: ‘Zo, we zijn weer in Holland. Of eigenlijk moet ik zeggen Nederland, Holland ligt boven de rivieren.’