Categorieën
Fictie

iemand zegt

Iemand zegt

Alles is rustig nu. Geluiden die eeuwig leken te blijven zijn verdwenen. Het hele plein is helemaal leeg en alles is nu stil. Een dunne zon begint te schijnen en de lucht klaart op. De doden kunnen komen.
Ze komen van ver, meestal alleen, soms met een paar tegelijk. Ze spreken niet veel. Iemand zegt: ‘Nou, dit jaar lieten de bloesems mij koud’. Iemand zegt: ‘Vergeet niet uw persoonlijke eigendommen en afval mee te nemen’. Iemand zegt: ‘Dus als je me ziet huilen, dan weet je, het komt daardoor’.
Aan de overkant, tussen vuile huizen, duikt mijn moeder op. Ze zegt dat ze naar huis moet, omdat de hond daar is. Dan loopt ze naar het midden van het plein en begint te schreeuwen. Ze roept dat we haar het bloed onder de nagels vandaan halen. Ik wil het bloed zien en ga naar haar toe. Ze pakt me bij mijn polsen en slingert me over de reling van een trap. Ze zegt dat ze me gaat laten vallen. Ik kijk naar haar en naar de lucht boven haar en ik kijk naar beneden, naar de overloop onder mij. Ik zie het bloed, mijn bloed.
Vandaag is het licht heel traag. Het neemt tijd voordat wat op het plein gebeurt mijn brein bereikt. Gewonde kinderen lopen over witte steentjes. Kleine, onnozele kraaien, prachtig van kleur, dansen tussen hun voeten heen en weer. De gewonde kinderen weten dat die vogels gegeten kunnen worden. Ze lopen door tot aan de trap en gaan dan naar beneden. Later hoor ik ze lopen over de tegels van de gang onder het plein.
Onder het plein staat het huis waarin ik wakker werd. Ik lag daar op bed en zag hoe de vijver de zon weerspiegelde op het plafond. Ik zag de vogels de kamer in komen. Kleine, onnozele kraaien, prachtig van kleur, vlogen geruisloos door de lucht. Ik voelde het gewicht van mijn lijf op het bed en viel bijna weer in slaap toen mijn moeder begon te schreeuwen. Ze riep dat we haar het bloed onder de nagels vandaan haalden. Ze gooide spullen kapot. Een van de gewonde kinderen ging op handen en knieën zitten en sloeg met zijn hoofd op de vloer. De vogels in de lucht veranderden in wolken van duister gruis. In die wolken meende ik engelen te zien. Een fijn grijs poeder bleef achter in de kamer. Ik liep naar de trap en ging naar boven. Nog net nam ik waar dat tussen het grijze gruis op bed de omtrek van mijn lichaam liggen bleef.
Op het plein proberen mensen hun verleden te slijten. Ze willen blijkbaar overal vanaf. Mooie meisjes vertellen er smerige verhalen, een spreker spreekt over sombere luchten en eeuwige trouw, iemand legt uit hoe de dode dieren dansen en een dikke man, jarenlang de enige klant van zijn eigen café, zegt dat de horeca dood is. Hij probeert zijn beschimmelde hersenstam te luchten, maar er valt bloesem op zijn hoofd en op zijn buik. Gewonde kinderen zitten heel voorzichtig vogels te pellen. Ze praten met die vogels. Ze zeggen: ‘Vogels, jullie zijn vogels, echte vogels…’ en dan halen ze het zilverpapier eraf. Ze scheuren de vellen zo min mogelijk en maken er mooie stapeltjes van. De dikke man zegt: ‘Zal ik jou eens op je bek slaan?’
Aan de overkant, tussen vuile huizen, duikt mijn moeder op. Ze meent dat wij haar het bloed onder de nagels vandaan halen. Een onafhankelijke commissie betreedt het plein. De commissie is ingesteld om het bestuur te ontlasten en van advies te voorzien. De dikke man zit op handen en knieën en slaat met zijn hoofd op de grond. Mijn moeder zit op een stoel. Ze zegt dat ze naar huis moet, omdat de hond daar is. Iemand zegt: ‘Er hangt nogal wat zonlicht in de lucht’. Iemand zegt: ‘En dat, terwijl je heel goed weet dat ik hartstikke bang ben voor vogels’. Iemand zegt: ‘Je zult het leven niet echt missen’.