Categorieën
Fictie

Hvalbiff

‘Kutzooi!’ Hij draait de warmwaterkraan snel een beetje terug en zeept zich in met het hotelzeepje uit een of ander flesje. Iets wat hij zo vaak heeft gedaan, in zoveel douches op zovéél plekken ter wereld. Gisteren had hij verder niet veel uitgevoerd. Het sneeuwde hevig, de excursie ging niet door, laat staan noorderlicht hunting. Na een saunaatje, een copieuze lunch en een heet bad, was hij wat gaan lezen op bed. Hij zat midden in een boek dat hem moeilijk losliet, al kwam hij er net zo moeilijk door heen. Ingewikkelde shit. Het Heelal, de bestseller van Stephen Hawking, waarin de geleerde, de briljantste sinds Einstein vermelde de achterflap, in heldere taal het ontstaan en de ontwikkeling van het heelal beschreef. Het leek hem wel een toepasselijk boek in deze setting. Hij had al een Instagram fotootje gepost, waarop het boek nonchalant op zijn nachtkastje lag. Over de tekst had hij even zitten dubben, het was uiteindelijk geworden ‘tijd voor mezelf op spitsbergen #aurorahunting #eindelijktijdomtelezen #bestdonkerhier’. Aan het eind moest altijd iets grappigs staan, het moest natuurlijk allemaal niet te serieus lijken.
Ondanks de beloofde heldere taal was hij weer in slaap gevallen en pas tegen een uur of vijf wakker geworden. Hij had heftig liggen dromen, al wist hij niet meer precies waarover. Het was iets met mist en de weg terug niet kunnen vinden. Er had iemand hulp nodig, er kwamen vrienden en familie in voor, maar hoe en wat? Net als de mist was het vrij snel weer opgetrokken, en had hij zijn telefoon gepakt. Zijn ‘heelal-post’ had zevenentwintig like-jes, maar dat kon nog oplopen natuurlijk, en een paar comments in de trant van ‘dimi, zit je nou weer op spitsbergen? Respect’, ‘#livingthelife ouwe ijsbeer’ en ‘cool :-)’. Ja koud en donker. Sneeuw all over the place, noorderlicht ho maar.

Hoewel hij zich had voorgenomen een dag niet te drinken, had hij een paar wijntjes genomen voor en bij het eten, misschien bij de lunch ook een of twee. En Hvalbiff, walvisbiefstuk. Met aardappelen en vossenbessenjam, een lokale klapper. Hij wist niet of hij zich moest schamen of niet. Waar hij in ieder geval wel trots op was, was dat hij tegen negen uur met slechts één fles wijn, een soepele Viognier, achter zijn kiezen naar bed was gegaan. Naast een digestiefje dan, maar dat mocht geen naam hebben. Nou goed Cointreau.
Terug op zijn kamer had hij met een licht knagend geweten opgezocht hoe het zat met de walvisjacht. Noorwegen zag er geen kwaad in, omdat het blijkbaar goed ging met de dwergvinvissen in de noordelijke Atlantische Oceaan, het waren er naar schatting zo’n honderdvijftigduizend, méér dan voor het tijdperk van de commerciële walvisvaart. Dus zo’n vierhonderd van die walvisjes minder, de jaarlijkse vangst van het land, moest kunnen. Het gaf hem een goed gevoel, ze hadden een beter leven gehad dan een gemiddeld varken, hij kon met een gerust hart gaan slapen.
Maar hij had doorgeklikt, onverzadigbaar als hij was. Willem Barentsz had op zijn zoektocht naar de noordoostelijke handelsroute ontdekt dat het in de wateren rond Spitsbergen wemelde van de walvissen. Voornamelijk Groenlandse. Right whales noemden de Engelse walvisvaarders ze, omdat ze niet alleen heel groot, maar ook nagenoeg compleet bruikbaar waren, én relatief langzaam zwommen én niet zonken nadat ze geharpoeneerd waren. Ja, die moet je hebben. Je kon ze zo opvissen. Right here right now.
Klik. De Nederlandse Noordsche Compagnie had met vijftien boten het alleenrecht op de jacht verworven. Sure. Op een klein eilandje in het noorden van Spitsbergen, werd de nederzetting Smeerenburg gevestigd, waar steden als Enkhuizen, Middelburg, De fucking Rijp en natuurlijk Amsterdam, die posh grachtenpandjes moesten toch ergens van betaald worden, eigen traankokerijen hadden. De walvissen werden er het land opgesleept en in stukken gehakt, om in de kokerijen tot traan te worden verwerkt. Fucking hell, traan! Het was inderdaad om te huilen. Uitgekookte walvisspek, mijn god je moet er maar trek in hebben, hij hield het liever bij een dozijntje Atlantische oestertjes, liefst N0 5, minimaal 4. Maar hoewel ook gegeten, door arme sloebers, werd het voornamelijk verwerkt tot stopverf, leer- en lampolie én zeep. Mijn god, miljoenen jaren evolutie om zeep geholpen voor een beetje hygiëne, inderdaad een smerig zaakje, dacht hij. Later kwam het vooral in de margarine en smeerde je dus een walvis op je brood. Niet iets om trots op te zijn als walvis, maar ze leverden nog wel enige omlijsting van de kunst: de baleinen, de gigantische hoornplaten waarmee ze dagelijks tonnen kril naar binnen zeefden, werden verhit en geperst tot schilderijlijsten. Ook andere kunstige voorwerpen als mesheften, hoepelrokken, rijzwepen en snuifdoosjes konden dankzij de walvis het licht zien. Snuifdoosjes! Misschien had hij er op Ibiza ook wel een. In ieder geval had hij een van zijn vriendinnen wel eens zo genoemd. Klik – volgens een recent onderzoek werden er in de twintigste eeuw alleen al drie miljoen afgeslacht, de grootse jacht uit de geschiedenis. Rond Spitsbergen zwommen er na de slachtpartij nog maar een stuk of vijf.
Zijn ogen waren bijna dicht gevallen, maar als zo vaak had zijn nieuwsgierigheid het gewonnen van de slaap. Klik- enkele honderden zwemmen er weer, langs de randen van het pakijs. Ijswalvissen. Twintig meter kunnen ze worden, dat was wel iets anders dan zo’n dwergvinvisje, die hij op zijn bord had. Maar daarmee nog lang niet het grootst, las hij nog één doorklik later, dat is de bloody blauwe vinvis met drieëndertig meter. Holey smoke. Honderdtwintig ton kilo! Een tong zo groot als een olifant, Jesus Christ, wat zullen die wal-wijfies daar blij van worden. Nog één laatste opmerkelijk feitje had hem wakker weten te houden, het dier had namelijk ook nog eens de grootste penis ter wereld, tot wel drie meter lang, die met één ejaculatie twintig liter zaad kon spuiten. Een lul groter dan hijzelf, had hij gedacht toen hij eindelijk met een glimlach in slaap viel.