Categorieën
Fictie

Humeursensoren

“Ga nou rijden!”, schreeuwde Joris vanaf de achterbank. Met de rug van zijn goede hand duwde hij het brilletje omhoog, wat niet nodig was omdat aan de metalen pootjes een boogje zat dat precies achter zijn oren klemde. De glazen had ik tijdens de voetbalwedstrijd regelmatig drooggewreven terwijl Joris op de reservebank wachtte op een wissel, die zólang werd uitgesteld dat zijn entree op het veld vrijwel samenviel met het eindsignaal van de scheidsrechter.
“Fijn dat jullie gewonnen hebben, hè?”, probeerde ik enthousiast.
“Kutcoach”, zei Joris terwijl hij naar het beslagen raam staarde. “Hij wil alleen maar winnen met zijn stomme geschreeuw. Waarom mag ik niet gewoon meespelen? Je moet daar eens wat van zeggen!”
“Ja weet je. Die coach bepaalt wie er wordt opgesteld? Toch?”
“Komt alleen maar door mijn hand. Gaan we nou nog? Ik wil nu wel weg!”
Joris vouwde de mouw van het doorweekte, veel te grote blauw-wit gestreepte voetbalshirt over het stompje aan het uiteinde van zijn rechterarm en veegde de beslagen achterruit schoon. Demonstratief keek hij naar buiten.
“Ik kan zo niet gaan rijden”, zei ik terwijl ik de binnenspiegel op Joris richtte. Het zorgvuldig met gifgele gel geboetseerde dakje op zijn hoofd was compleet platgeslagen.
“Wat dan?”, vroeg Joris. Hij keek voor het eerst sinds het instappen voorzichtig mijn kant op.
“Ik heb vorige week humeursensoren in de auto gezet.”
“Ja en?”
“Dus….. als iemand in de auto boos of opgefokt is dan wordt dat doorgegeven.”
“Aan wie?”
“Aan die humeursensoren.”
“Ja vast. En waar zitten die dingen dan?”
“In de rugleuning van de stoelen. Je kunt ze niet zien hoor. Maar als ik gas geef als jij nog boos bent kunnen we alleen achteruit rijden.”
Joris tekende een gezicht op het inmiddels weer beslagen raam. Hij leek te twijfelen of hij het al tijd vond om zijn woede plaats te laten maken voor nieuwsgierigheid.
“En dat moet ik geloven.” Bijna uitnodigend zei hij: “Laat maar zien dan!”
Na een rondje over de parkeerplaats van de voetbalclub riep Joris triomfantelijk: “Je hebt ‘m gewoon in z’n achteruit!”
Ik zette de auto stil aan de rand van de parkeerplaats en draaide me om naar Joris. Hij haalde rozijntjes uit het plastic tasje met proviand. Met het stompje, waar kleine bobbeltjes met minuscule nageltjes de plaats aangaven waar nooit vingers uit zouden groeien, klemde hij het doosje tegen zijn buik en haalde er steeds één rozijntje uit.
“Je gelooft me niet hè?”, zei ik tegen Joris. “Maar dat maakt niet uit. Ik denk dat we nu wel weer gewoon vooruit kunnen rijden.”
“Je denkt echt dat je grappig bent, hè?”, zei Joris. “Die humeurdingen bestaan helemaal niet.”
Hij bleef in de spiegel kijken of er iets aan mijn gezicht viel af te lezen dat hem dichter bij de waarheid zou kunnen brengen.
“Wil je nog iets doen of ga je gelijk naar huis?”, vroeg ik, hoewel ik uit ervaring wist dat Joris niet zelf met ideeën zou komen.
“Waar kunnen we heen dan?”
“Nou ja, zeg maar. Naar de speeltuin?”
Joris trok een gezicht alsof hij net had besloten dat rozijntjes toch eigenlijk vreselijk smerig waren.
“Dat zeg je altijd! Dat is toch saai, man! Ik ben geen baby!”
Zoals iedere zaterdag als ik met hem naar een wedstrijd ging werkte ik het gebruikelijke lijstje af met suggesties die allemaal door Joris werden afgewezen omdat ze niet onderhoudend genoeg of kinderachtig waren zodat “naar huis” de enige optie was.
Uiteindelijk stelde ik voor om een supermarkt te overvallen. Er was nogal wat overredingskracht nodig om Joris ervan te overtuigen dat ik het echt meende.
“Heb jij dat weleens gedaan dan?”, vroeg hij.
“Nee, nog nooit. Maar we kunnen gewoon iets lekkers pakken en dan snel weglopen.”
“En als we gepakt worden? Dan ga ik toch naar de gevangenis?”
“Nee joh. Kinderen gaan niet naar de gevangenis. We moeten gewoon een goed plan bedenken.”
Ik parkeerde op enige afstand van een grote supermarkt, vlak achter een zebrapad. Joris kwam voorin zitten en keek me verwachtingsvol aan.
“Hoe denk je dat we het beste ongemerkt weg kunnen komen als we iets stelen?”, vroeg ik.
“Door heel stiekem weg te lopen?”, fluisterde Joris, nadat hij diep had nagedacht.
“Dat zou kunnen. Maar misschien heb ik een beter idee.”

Enigszins nerveus liepen we de winkel binnen. Op weg naar ons doel pakte Joris mijn hand vast. Toen er even geen klanten in het gangpad waren greep Joris een grote zak naturelchips van het schap en gaf het aan mij. Ik stopte het tussen mijn jas en kordaat maar beheerst liepen we naar de uitgang.
Vlakbij de kassa’s begon Joris te schreeuwen.
“Kijk mensen! Kijk allemaal! Ik heb maar één hand! Heb je ooit zoiets gezien? Kijk dan!”
Hij stak beide armen in de lucht en bleef roepen.
“Aan de ene kant een hand en aan de andere kant dit! Komt dat zien!”
Terwijl ik achter Joris aan langs de kassa liep leek de hele supermarkt stilgevallen. Niemand bewoog en alleen Joris en de achtergrondmuziek waren nog te horen.
“Joris, stop daarmee!”, riep ik. “Kom nou hier! We moeten nog boodschappen doen!”
Buiten pakte ik Joris bij zijn arm alsof ik hem terug naar binnen wilde slepen terwijl hij weg liep. Vlakbij de auto liet ik hem los. We stapten in, ik haalde de buit uit mijn jas en gaf hem aan Joris.
Ik startte de auto, gaf gas en reed in volle vaart achteruit over het zebrapad.
Joris staarde naar de zak chips op zijn schoot. In de stilte voordat buiten het rumoer zou losbarsten zei hij zacht: “Ik denk dat je opgefokt bent.”
Ondanks de klap zat het brilletje nog keurig op zijn plek.