Categorieën
Fictie

Hoogvlieger

‘Een beetje bezeten is hij wel hè!’ Steeds vaker denk ik de laatste tijd terug aan de reactie van mijn beste vriendin, toen ik haar vertelde over mijn nieuwe liefde. Nicholas. De lange, lenige cellist. Ooit één van Neerlands grootste muzikale talenten. Nu steady aanwezig op de kleinere Nederlandse concertpodia, hoewel de aanbiedingen teruglopen. Die bezetenheid vond ik juist zo aantrekkelijk aan hem. Dat hij helemaal in zijn muziek kon opgaan. Dronken van verliefdheid was ik. Op zijn bruine krullen, de donkere, melancholieke ogen. Op zijn liefde voor de muziek. Nog blind voor zijn gebreken, doof voor het hondenfluitje in de woorden van mijn vriendin. Met hem wilde ik samensmelten.
Nu sta ik voor de deur van zijn huis, waar we sinds twee jaar samenwonen. Met een lege rolkoffer en holle rugzak. Ik draag een oude spijkerbroek met sneakers, heb mijn haar strak opgestoken. De auto staat op de hoek geparkeerd. Als ik mijn belangrijkste bezittingen heb gepakt kan ik zo wegrijden, naar het huis van mijn vriendin.
We nemen afstand om dichter tot elkaar te komen. Zo hebben we het afgesproken. Niet dat hij het helemaal begrijpt. Hij heeft het ook niet zien aankomen, zei hij. Dat kan. Ik hou dingen heel lang binnen, tot ze er in één keer uitkomen. En ik een besluit neem.
Ik pak mijn sleutelbos. Met de grote open ik de zware deur, de kleinste die eraan hangt heb ik nog nooit gebruikt. Ik loop door de gang naar de keuken waar de geur van zalmpasta nog hangt. Op de houten tafel ligt een oude krant, opengeslagen op de cultuurpagina. Hardop lees ik de kop: ’De Stanislavksi van de muziekwereld laat Haydns tijd herleven’. De woorden smaken wrang. Met Haydn’s Rococo-variaties was Nicholas weken bezig geweest. Eindeloos oefenen, 18e eeuwse boeken lezend. In een opwelling was hij een lang weekend naar Italië vertrokken om barokke kerken te bezoeken. Ten slotte was hij met een witte pruik op aan tafel verschenen. Nauwelijks nog aanspreekbaar.

Ja, als het om de muziek ging, was hij grenzeloos. Hij had het me eens uitgelegd.
‘Ik wil met elk stuk dat ik speel uiteindelijk in een andere wereld terecht komen. En het publiek daarin meenemen. Daarin ga ik tot het uiterste.’
Dat het uiterste niet alleen scheppend maar ook destructief kon zijn, realiseerde ik me pas later. Hoe langer ik hem kende, hoe schaarser onze tijd samen en hoe schraler ons contact. In zijn poging zijn muziek te doorgronden leek hij mij steeds minder te kunnen verdragen. 

Ik loop de trap op naar de bibliotheek, de afgelopen maanden mijn studiedomein. Ik klap mijn standaard in en stop die met mijn muziekboeken in de koffer. Mijn fluit en laptop doe in de rugzak. Uit onze slaapkamer pak ik wat kleren. Ik kijk naar ons bed, het witte kussen met het rode hart op het voeteneinde. Nicholas gaf het me toen we een maand samen waren. Ik laat het liggen, ik denk hier immers nog terug te keren. Al moet er wel wat gebeuren. Ik loop de trap af met de rugzak, de gevulde koffer achter me aan hobbelend. Beneden ga ik de gang door naar buiten, de deur valt achter me in het slot. Dan blijf ik staan. Ik kijk naar de sleutelbos waarvan de kleinste me weer aanstaart. Ik aarzel. Loop weer naar binnen, laat de bagage achter in de gang. Ik loop verder. Omhoog. Niet één maar twee trappen op. Sneller dan eerst. Helemaal naar boven. Voor de deur van de torenkamer houd ik in.
‘Mijn domein’, had Nicholas erover gezegd toen hij mij voor het eerst het huis liet zien. ‘Alleen dáár, met niemand erbij, kan ik de wereld achter de noten binnen gaan.’ Hij wilde liever niet dat ik er zou komen, en ik had me eraan gehouden. Zelfs toen hij bezig was met zijn nieuwste stuk, zijn allergrootste uitdaging tot nu toe. En hij op het laatst nauwelijks nog van die kamer was afgekomen. Hij was er ook steeds magerder uit gaan zien. Holle ogen. Zijn neus steeds spichtiger. Tussen de celloklanken door had ik hem schrille, tsjirpachtige geluiden horen maken. Ook toen was ik de torenkamer niet binnengaan. Ik het wel gewild hoor: toen ik nauwelijks meer tot hem kon doordringen had ik de deur open willen duwen en hem toe willen schreeuwen: ‘Waar ben je in godsnaam mee bezig!’ Maar ik deed het niet. Uit respect voor hem. Voor zijn kunstenaarschap.

Buiten is het al donker, over tien minuten zal hij thuiskomen en wil ik bij mijn vriendin zijn. Toch steek ik het sleuteltje in het slot.
Ik open de deur en kijk een grote, holle ruimte in. De wanden, het 19e-eeuwse plafond, de planken vloer in visgraatmotief: bijna alles is roomwit. Middenin staat een grote bruinleren stoel. Ervoor is een lessenaar opgesteld, met bladmuziek erop. Om de stoel heen ligt een kring van stro. Ik ruik een onaangename lucht, die me naar de verste hoek van de kamer voert. Er staat een kooi. Ik loop erheen en huiver: er ligt een vogeltje in. Op zijn rug met de pootjes omhoog. Zijn drinkbakje en het schoteltje met voer zijn leeg. ‘Jou heeft hij kennelijk ook verwaarloosd’, zeg ik zacht tegen het dode dier. Ik loop naar de lessenaar met het muziekstuk en lees het titelblad. ‘Afgrond van vogels’, staat erop. Het verrast me. Ik gaf deze compositie aan Nicholas toen we een half jaar samen waren. De Franse componist had het in 1941 gecomponeerd, in krijgsgevangenschap van de nazi’s in Polen. Hij had erbij geschreven: ’De vogels zijn het tegenovergestelde van de Tijd: ze zijn ons verlangen naar licht, naar sterren, naar regenbogen en jubelende gezangen’. Nicholas had het na ontvangst in een la gestopt.
Ik kijkt naar het stro om mijn voeten, en ziet dat er in de kring rond de stoel ook takjes zitten, zelfs een paar veertjes. De haren op mijn arm gaan ervan overeind staan. ‘Een nest?’ Ik kijk op mijn horloge en schrik. De tien minuten zijn verstreken, het is tijd. Meteen hoor ik beneden een deur dichtslaan. Nicholas komt de trap op. Ik raak in paniek. Wat te doen nu? Verstoppen? Blijven staan? ‘Rustig blijven’, zeg ik tegen mezelf. Mijn hart blijft bonzen en ik loop vastberaden maar met onvaste knieën de trap af. In tegenovergestelde richting van degene die mij nadert.
Nicholas komt omhoog. Zijn haren slierten, zweetdruppels tekenen zijn voorhoofd. Een smoezelig gezicht, troebele ogen. Hij loopt gebogen, met de cello als een bochel op zijn rug. In één hand sleept hij ook nog een grote zak met zich mee. ‘Luxe vogelvoer’, staat erop. Mijn angst verdwijnt, in mijn hoofd begint het te bliksemen. Driftig wijs ik op de zak: ‘Je bent te laat, de vogel is dood’.
Verward kijkt hij me aan. ‘Het is ook niet voor hem’, murmelt hij, ‘het is voor mijzelf.’
Hij wil al doorlopen, maar stopt dan plotseling. Ook zijn ogen vonken nu. ‘Dus je bent er geweest?’
Ik kijk hem met een stalen gezicht aan: ’Ik wilde weten waaraan ik je dreig te verliezen!’
Ineens zucht hij: ’Ik probeer uit te stijgen boven de afgrond van de tijd, een tijd van vermoeidheid en verdriet. Mee omhoog vliegen met de vogels. Maar iets trekt me steeds naar de grond’.
Weer valt me op hoe mager hij in zijn gezicht hij is geworden: ’Volgens mij ben je al te hoog gevlogen’. Ik wil weg, naar beneden, het huis uit, spullen mee. Weg. Naar mijn vriendin.
Hij kijkt me vanuit zijn gebogen houding aan, tilt de zak zaad omhoog en vraagt: ‘Eet je nog wel even mee?’