Categorieën
Fictie

Hoofdprijs

Vanaf het eerste moment dat Rowinda Daniël zag had ze een vonk gevoeld. Een bliksemschicht die haar hart doorboorde en haar weerloos maakte tegen alle argumenten die ze eerder aanvoerde om niet als een blok te vallen voor een man. Hij was zo anders dan andere mannen. Zo sprankelend en vrolijk en echt geïnteresseerd in haar en in de wereld om zich heen. Wat haar het eerst opviel toen zij in de lange rij voor de toonbank op haar beurt stond te wachten, was zijn welhaast engelengeduld; met de oudjes die iedere cent moesten omdraaien maar toch graag hun bezoek wilden fêteren op een van de mooie taartjes uit de etalage, met de om snoep jengelende kinderen en hun grenzeloze papa’s en mama’s, zelfs met de straathond die blijkbaar zijn dagelijkse broodkorst kwam halen.
Daniël was een opvallend grote man met een gebruind gezicht en een dikke bos golvend donker haar. Tussen zijn lachrimpeltjes glommen twee bruine ogen die helder de wereld in keken. Hij keek. Ze voelde hoe ze bloosde.
Vanaf toen was ze iedere dag even bij hem langsgelopen voor een broodje of iets anders ofschoon zijn winkel niet echt op de route van haar werk naar huis lag. Toevallig op haar pad gekomen, maar Daniël zou later zeggen dat toeval niet bestaat. De tram was een keer vast komen staan door een ongeval. Die dag had ze enkele haltes gelopen en een stukje afgesneden door een kleine tussenstraat in te slaan. Daar viel haar oog onmiddellijk op de bakkerij met de feestelijke taartjes in de etalage. Het was zo on-Nederlands, deze uitbundigheid kende ze alleen uit Toulouse waar ze een groot deel van de zomervakanties in haar jeugd doorbracht bij tante Anisé. De tartes fraises, de millefeuilles, de baba au rhum en zelfs de occitania. Alles met aandacht en liefde door Daniël zelf gemaakt. Ze vond hem creatief. Zijn kleurencombinaties waren fenomenaal en nooit doorsnee. Niet persé mooi maar wel consequent want zijn kleding en het interieur van de kleine woning boven de bakkerij hadden eenzelfde uitstraling. Die eerste keer daar had ze haar ogen uitgekeken. Het was duidelijk dat hij net als zij van felle kleuren hield. Hij sprak er niet over. Wel over de structuur van het textiel, hoe zacht iets voelde of droeg, wat het materiaal deed. En motiefjes, daar was hij dol op: Toile du Jouy met kopergravure motief, Gobelin en Jacquard, en de veelsoortige uitbundige patronen van de Afrikaanse Kitenge stoffen waar ze haar eigen jurken van maakte. Hij viel voor haar vanaf het moment dat ze de winkel in stapte. Nog dezelfde maand waren ze getrouwd. Geen groot feest, gewoon zij met zijn tweetjes en twee vrienden als getuigen. Hij noemde haar zijn hoofdprijs, het lot uit de loterij, zij hem de beloning, de ereprijs en ook wel de thuiskomst.
Hoe blij kun je zijn met iemand van wie je tot voor kort het bestaan niet wist, waar je niet naar op zoek was omdat alles oké was in je leven. Ze had het wel jammer gevonden dat er niet uitbundig gefeest werd want ze wilde haar geluk het liefst delen met haar grote talrijke familie en dierbaren. Dat hadden al haar broers, zussen, neven en nichten ook gedaan. Maar Daniël had geen familie en de disbalans zou te pijnlijk zijn. Bovendien hadden ze weinig geld. Heel erg was het ook niet. Ze waren samen dat was het allerbelangrijkst. En ooit, beloofde Daniël, zouden ze een supergroot feest geven voor iedereen. ‘Als we vijfentwintig jaar getrouwd zijn’, stelde Rowinda voor en beide hadden enorm moeten lachen om het vooruitzicht hoe oud ze dan al zouden zijn. Vanaf die tijd had Rowinda maandelijks vijfentwintig euro apart gelegd.
De jaren gingen voorbij. Jaren met blijde geboortes, slopende ziektes, voltijdse mantelzorgen, verwachte en onverwachte doden, en gesprekken samen: moeilijke gesprekken, vrolijke gesprekken, noodzakelijke gesprekken, werkverdelingsgesprekken, spijtgesprekken, rouw- en huilgesprekken, liefdesgesprekken. Ze waren elkaar niet kwijtgeraakt. Hun relatie had zich verdiept. Er waren geen addertjes onder het gras gebleken, geen schaduwzijden anders dan die zij van zichzelf kenden, geen geheimen voor elkaar. Alles was aangeraakt, had het daglicht mogen aanschouwen in elkaars aanwezigheid.
Het werd een grandioos feest. Vijfentwintig jaar mocht groot gevierd worden. Natuurlijk maakte Daniël zelf de feesttaart. Hij hield die tot het laatst verborgen. Pas toen iedereen aanwezig was onthulde hij het feestgebak. Het was een bijzondere taart met Afrikaanse motieven. De kleuren spetterden er vanaf.
‘Oh schat, wat mooi!’, fluisterde zijn vrouw. ‘Al die fantastische kleuren! En zo Afrikaans! Zo attent!’.
Daniël keek ineens een beetje beduusd. ‘Liefje, ik heb geen enkel geheim voor je dat weet je. Maar ineens besef ik dat ik je nog nooit heb verteld dat ik kleurenblind ben in de ergste vorm. Ik zie eigenlijk alleen maar grijstinten’.
Rowinda keek hem sprakeloos aan.
‘Ben je boos op me? Het is nooit opzet geweest het voor je achter te houden. Ik realiseer het me echt pas nu ineens’.
Ze wist niet wat te zeggen.
‘Hoe zit het dan met al die felle kleuren die je gebruikt?’, vroeg ze stomverbaasd.
‘Ik zie geen kleuren. Ik maak de taartjes op basis van de verschillende tinten grijs. Dat is de enige variatie die ik kan aanbrengen, los van de structuur en de figuurtjes. Geen flauw idee hoe iets er uit ziet als je kleuren kunt zien. Ik heb er gewoon geen enkele voorstelling van’.
‘Daniël’, stamelde ze, ‘het dringt nu pas tot me door dat ik ook iets heel wezenlijks van mezelf nog nooit met je heb gedeeld. Ook van mij is het geen kwade opzet geweest iets voor je achter te houden, dat weet je. Maar het was gewoon nooit onderwerp van gesprek, maar eigenlijk kom ik niet uit Gouda maar uit Ghana’.