Categorieën
Fictie

Hoi jongetje

Karin Kraakman stoot haar koffie van het aanrecht. De theedoek, die als een prop in de vensterbank ligt, gooit ze op de vloer. Iedere dag ziet ze de trouwcollage aan de muur hangen. Iedere dag bedenkt ze dat dat ding echt de vliering op moet. Vroeger ging Hans altijd de vlizotrap op. In de weerspiegeling van het glas ziet ze haar geelgrijze uitgroei. In de afgelopen maanden heeft ze ontdekt goed te kunnen leven van de voorraden die ze vroeger zo netjes bijhield. Ze kan nog drie dagen door. Eén pak crackers en een pot mayonaise. Ze sleept zichzelf door de donkere hal naar de woonkamer en ziet door het streepje licht dat de bank beschijnt dat het buiten mooi weer is. Karin doet het gordijn dicht.
‘Laat nou maar open,’ Een stemmetje.
Karin schrikt.
Op de bank ziet ze twee kapotte knietjes. Gauw sluit ze het gordijn.
Ze ziet twee groenblauwe ogen die haar van onderaf aanstaren.
‘Je kan toch gewoon “hoi” zeggen?’ Een eigenwijs jongensgezicht met sproeten en pluizig, rood haar kijkt haar afwachtend aan.
‘Hoi jongetje…’ stamelt Karin.
‘Sjimon’ zegt hij.
‘Wat?’
‘Zo heet ik.’
‘Simon?’
‘Sji-mon. Sjimon.’
Hij rent, maakt een salto en komt in kleermakerszit op de bank terecht.
‘Zo,’ roept hij, ‘Krijg ik iets te drinken?’
‘Ja, natuurlijk.’ zegt Karin beduusd.
‘Thee graag.’
‘Thee…’
‘In een glas.’
‘Ik heb alleen mokken.’
‘Doe maar water dan.’
Het valt Karin op dat Sjimon een kostuum draagt. Op zijn zwarte jasje ziet ze witte vegen. Hij oogt verwaarloosd maar niet verdrietig. Integendeel. Als Karin opstaat om het glaasje van Sjimon weer bij te vullen, ziet ze op zijn achterhoofd, een fluwelen keppeltje. Ze moet een beetje glimlachen als ze denkt aan Hans. Hij begon zijn keppel weer te dragen omdat, grapte hij, niemand dan zijn kruin zag. Haar gezicht betrekt. Toen wist ze nog niet dat hij een paar maanden later met Mirjam zou vertrekken naar Parijs.
Net als Karin wil vragen of Sjimons moeder niet ongerust is, roept hij haar: ‘Mama?’
‘Ja, schat?’ roept Karin terug.
‘Hebben we koekjes?’
‘Nee, lieverd.’
Hij slaakt een zucht. ‘Wat ben jij voor moeder?’
‘Ik ben geen moeder.’
Er valt een stilte.
Karin ziet het vuurrode haar van Sjimon hangen op zijn magere schoudertjes.
‘Sjimon,’ Karin hurkt en steekt haar hand uit, ‘wat denk je van een warm bad?’
Hij pakt haar hand vast. Ze lopen samen naar boven.
‘Kleed je maar uit. Ik ben zo terug,’ zegt Karin.
Ze vliegt, blij als een kind, van de trap af naar beneden en rent naar boven met de collage. Ze trekt de vlizotrap naar beneden en klimt omhoog. Sjimon kijkt onderaan het trapgat naar haar. Hij heeft alleen zijn witte onderbroek nog aan en staat met zijn blote voetjes op de koude vloer. Karin klautert naar beneden en houdt trots een zak vol badeendjes omhoog.
Eenmaal in de badkamer draait Sjimon zich om naar Karin.
‘Jij ruikt niet zo lekker.’ zegt hij.
Karin moet lachen.
‘Je mag best zeggen dat ik stink hoor.’ Ze knipoogt en draait aan de knoppen van de kraan.
‘Ga je mee in bad?’ vraagt Sjimon, nu helemaal bloot.
Hij trekt Karin aan haar badjas. Het beeld van het magere, blote jongetje, ontroert haar. Ze ziet hoe hij zijn smalle voetje over de badrand tilt, schrikt als hij de temperatuur voelt en zich vervolgens in het water laat zakken.
‘Je hebt ook gelijk,’ zucht Karin glimlachend, ‘ik stink.’.
Twijfelachtig maakt ze de band van haar badjas los. Ze schaamt zich voor haar blote, 45-jarige lijf. Maar als ze in de spiegel kijkt ziet ze het lichaam van een moeder. Borsten die hebben gevoed en overtollige huid rond haar navel. Ze glimlacht naar zichzelf en leegt een fles badschuim. Sjimon verdwijnt tussen witte bergen.
‘Sjimon,’ zegt Karin, ‘waar kom jij vandaan?’
Hij neemt een hap lucht en laat zich achterover in het water plonzen.
Als hij boven komt, heeft hij een schuimbaard en roept hij: ‘Uit het water. Ik kom uit het water.’.
Hij plukt ernstig aan zijn baard: ‘Als ik niet voor mijzelf ben, wie is voor mij? En als ik er alleen voor mezelf ben, wat ben ik? En als niet nu, wanneer dan?’
Mijn zoon, denkt Karin.
Sjimon pakt met zijn kleine handjes het gezicht van Karin vast. Hun neuzen raken elkaar.
‘Sjimon, hoe kom je zo mager?’
‘Hoe kom jij zo nìet mager?’ antwoordt hij.
Karin begint te giechelen. Al gauw buldert ze het uit. Sjimon lacht mee. Ze knippen elkaars nagels en wassen elkaars haar.
Als Sjimon uit bad stapt, bibbert hij. Karin was vaak vertederd geweest bij het zien van bibberende kindjes op het strand. Toen was vertedering nog pijnlijk. Ze wikkelt een handdoek om Sjimon heen en kamt zijn haar. Ze hult hem in oude kleding van Hans. Sjimon loopt naar de spiegel in de slaapkamer. Als Karin met haar handdoek om zich heen naar de hal loopt, ziet ze hem in de deuropening staan. Hij draagt een stropdas om zijn nek en in zijn hand: Karins rode galajurk.
Haar heupen passen er nog in. Sjimon ritst de jurk dicht en maakt haar lippen rood. Dat hij uitschiet kan Karin niet schelen. Hand in hand staan ze voor de hoge spiegel.
‘Zijn we niet prachtig?’. Karin geeft Sjimon een por. Hij knikt en kijkt omhoog.
Vervolgens rent hij naar de trapleuning en roetsjt naar beneden.
‘Wat eten we?’ vraagt hij terwijl hij de koelkast opent.
‘Ik uh… had nog geen boodschappen gehaald.’ Karin kijkt, uit angst betrapt te worden op deze leugen, naar beneden.
‘Als we nog boodschappen moeten halen,’ Sjimons ogen twinkelen, ‘betekent dat, dat we alles nog kunnen kiezen.’
Hij begint aan zijn kin te krabben met zijn wijsvinger en ijsbeert, zoals volwassenen dat doen.
‘Ja!’ fluistert hij, ‘Ik heb het.’
Hij loopt naar de voordeur. ‘Kom je?’
Karin aarzelt maar verlangt naar zijn hand. Ze zet haar voet over de drempel, voelt de zachtheid van zijn huid en de warmte van de zon.

‘Ka! Lang geleden!’
Karin herkent de stem van Bianca direct. Oh nee, niet zij, denkt Karin. Vroeger kwamen Bianca en haar ex-man Bob wel eens bij Karin en Hans eten. Bianca en Karin hadden nooit echt iets gedeeld maar toen Karin ook ging scheiden, zag Bianca in haar een lotgenoot.
‘Ga je me nog uitnodigen?’ roept Bianca uitgelaten. ‘Jij hebt de wisselwijn.’
Karin glimlacht weifelachtig.
‘Ka,’ probeert Bianca, ‘gaat het wel?’
Karin reageert niet. Ik hoef geen gescheiden-vrouwen-clubje, denkt ze. Ze geeft Sjimon en kus en loopt door.
Sjimon loodst Karin naar de aardappels, de uien, eieren.
‘Mama,’ vraagt hij zangerig, ‘mag ik ijs?’.
‘Vooruit,’ geeft Karin toe, ‘alleen waterijs.’
Sjimon pakt een pot caramel-ijs.
‘Nee, Sjimon.’
Van het moederschap heeft ze niet alleen het knuffelen gemist. Ook kon ze smachten naar het verliezen van haar geduld in de supermarkt, zoals andere moeders dat konden. Sjimon lijkt precies te begrijpen waar Karin zo naar verlangt en zet het op een brullen.
‘Sjimon,’ waarschuwt Karin, ‘ik ga tellen tot drie.’ Intens geluk borrelt in haar buik. ‘Als je dan niet staat, ga ik alleen naar huis.’
Ze telt tot drie en loopt weg van Sjimon.
Als ze uit zijn blikveld is verdwenen en wil zien hoe hij reageert, gluurt ze, met een ingehouden glimlach op haar gezicht, tussen de ontbijtgranen door. Het gangpad is leeg. Is Sjimon nou weg? Karin laat haar karretje achter.
Terwijl ze in het middenpad gaat staan en alle gangen scant, voelt ze haar adem hoger in haar keel. Het besef daalt in. Te vroeg, denkt ze, dit is te vroeg.
Ze versnelt haar tred. Tegenliggers duwt ze aan de kant.
Een medewerker hurkt bij de wijn. ‘Mijn zoontje, ik ben mijn zoontje kwijt!’ hijgt Karin.
Gejaagd beent ze langs de schappen, naar de groente-afdeling. Ze ziet tomaten bewegen. Huilend begint Karin ze uit het schap te gooien. Ze draait zich om, struikelt en hinkt naar de entree-poortjes. Overal handen. Ogen. Druk op de borst. Pijn. Schoenen. Voetstappen. Woorden.
Bij het verliezen van haar bewustzijn, hoort Karin een stem: ‘Hè lieverd toch.’ Een engel, denkt ze.
Alles draait. Zwart.

Karins lijf is moe en haar hart klopt snel. Op de vensterbank branden chanoeka-kaarsjes. Hans? Sjimon? Ze hoort een zacht geneurie. Karin sloft draaierig naar de keuken. Ze ziet een rug. Blonde krullen met een zilveren gloed. Een engel, denkt ze.
Het haast lichtgevende wezen draait zich om. ‘Ah, daar ben je.’
‘Bianca?’ Karin fluistert. ‘Jij hier?’
‘Ja,’ ze komt op Karin af, ‘ik hier.’
Karin ziet de rimpels rond haar ogen en de grijze haren bij haar slapen. Ze is anders. Karin ziet dat haar handen trillen. Ze heeft een Tupperware bakje vast.
‘Ja,’ zucht Bianca, ‘het recept stond open op je computer en ik dacht, ik ken toch de weg. Asjeblieft.’
Karin neemt het bakje aan. ‘Dankjewel.’ Latkes, denkt Karin, ze heeft latkes voor me gebakken. Een aangename brok in haar keel.
‘Ka?’ vraagt Bianca.
‘Ja?’
‘Bij mij was het een meisje.’