Categorieën
Fictie

Hittealarm

Aan de kristallen schittering in de lucht kon je al zien dat het zo’n verschrikkelijke dag ging worden. Als fonkelend stoom dreven de dauwdruppels boven de stad. De ochtendzon liet haar licht erin uiteenvallen en vormde een regenboog boven Jodhpur. Ishani hield haar hand boven haar ogen en tuurde langs de mistige horizon. De stad was al vroeg ontwaakt. Honderden brommers en fietsen kronkelden langs de azuurblauwe huisjes. Iedereen maakte zich klaar voor wat komen ging. Winkeliers trokken de zware reflectorluiken dicht, scholen sloten de deuren en overal zochten mensen onverhoopt naar een plek om te schuilen. Als je thuis kon koelen, dan bleef je, als je familie had waar je terecht kon, dan ging je, en als je niemand had die je ziel kon redden, dan zocht je toevlucht in de overvolle ziekenhuizen en regeringsgebouwen. Je moest op tijd zijn, want vol was ook echt vol.
Soms klopten arme shudras zonder schuilplaats in hun wanhoop aan bij de hogere klassen. Eerst rustig en beleefd, maar dan steeds harder. Smekend en tierend tot hun gekerm door de hitte werd gesmoord.
Ishani trok aan de stof van haar oranje kameez. Het katoen plakte tegen haar rug. Ze wierp een blik op haar horloge – 36 graden – en trok de reflector van het dakraam dicht. Ze wreef met haar vingers over de boog van haar wenkbrauwen. Er kroop een nare droefheid achter vandaan. Even zag ze het vriendelijke gezicht van haar broer. Goden wat was ze blij dat Vikas na het hittealarm meteen in de auto was gesprongen. Ze kon haar moeder en Rahini niet ook nog verliezen. Snel klom ze langs de trap naar beneden en trok de deur met de dubbele sloten achter zich dicht. Een verademende koelte stroomde langs haar gezicht. In de enige koele ruimte van het huis had ze alle vensters afgesloten. Speciale reflectoren beschermden hen tegen de snijdende zonnestralen. Snel trok ze de kameez over haar hoofd en zakte tegen de muur omlaag. Zweet druppelde langs haar schouderbladen. Ze wist nog steeds niet hoe Vikas het apparaat te pakken had gekregen. Na de hittesmoor van eind april was hij er ineens mee binnen gelopen. Geld had hij er zeker niet voor gehad. Ishani schudde de gedachte van zich af. Ze moest blij zijn dat ze niet meer op zoek hoefde naar een schuilplaats.
Ze legde haar hoofd in haar handen en wachtte, denkend aan de voorgaande hittesmoren. De eerste in 2032 had iedereen overvallen, honderdduizend mensen waren letterlijk door de hitte gekookt. In de krottenwijken, op de straten, maar vooral op het platteland, waar niemand de bescherming van airconditioning bezat. De jaren daarna volgden de ondragelijke dagen elkaar steeds sneller op. Dit was al de derde van het jaar. Ishani dacht aan al het verlies, aan de steden die langzaam leegliepen, aan de honger die dagelijks groter werd, aan de dorst die steeds moeilijker te stillen leek, en aan Vikas, die haar door alles heen hielp. Op de achtergrond loeide de oude airconditioner als een containerschip. Het ding kon het koelen van de ruimte nog net verdragen.
Opnieuw keek ze op haar horloge. Vikas moest voor tien uur terug zijn. Ze drukten haar wijsvingers tegen haar slapen. Als hij dat maar haalde. Auto’s konden niet tegen een hittesmoor op koelen, zeker hun oude Toyota niet. Het was een eind rijden naar Gotan. Ze tikte tegen het schermpje om haar pols en verzond een bericht.
Hoe ver ben je, Ish.
Starend naar het beeld wachtte ze op een reactie; het schermpje bleef leeg. Zuchtend concentreerde ze zich op de frisse golven. Bij elke stroom telde ze tot de volgende kwam. Soms hoefde ze maar twintig seconden geduld te hebben, soms duurde het bijna een minuut. Ishani voelde zich steeds minder onderdeel van de wereld, de geluiden van buiten vervaagden en het geronk van de koeler bracht haar in een bijzondere trance.
Het was een hard gebonk dat haar terugbracht in de werkelijkheid. Iemand sloeg vol overgave tegen het voordeur.
Vikas! Mama!
Ze drukte zich langs de muur omhoog en stapte door de kamer. Met twee vingers tikte ze tegen het belscherm. Ze had al bijna open gedaan; maar het was niet haar familie die in het beeld oplichtte. Op de stoep zat een jonge vrouw, gehurkt en druipend van het zweet. Ze probeerde zichzelf te beschermen tegen de zon met een wit laken. In haar schoot lag het slappe lichaam van een jong kind. Het was buiten al bijna ondragelijk.
Ishani hield haar vinger tegen de knop.
‘Verderop is een ziekenhuis,’ ze gebaarde naar links ‘twee straten die kant op.’
‘Krpya, Alsjeblieft,’ De vrouw hield haar handen smekend in de lucht en schudde haar hoofd.
Het was een shudra, dat zag je meteen. Om deze tijd zouden alle deuren voor haar gesloten blijven.
‘Krpya, mijn kind’ de vrouw huilde zonder tranen.
Ishani voelde de knoop in haar maag strak trekken. Ze keek weer op haar horloge – 9:35, 44 graden – en voelde paniek in haar keel omhoog komen. Vikas had nog zo weinig tijd. Wat als hij het niet haalde? Dan had ze ook nog de dood van dit kind op haar geweten. Ze staarde naar de smekende gebaren. Zou zij de lichamen dan moeten opruimen? Er kroop een naar gevoel langs haar ruggengraat.
Goden wat moest ze!
Langzaam tikten de minuten voorbij en liepen de graden op.
Zou ze haar binnenlaten? De kans dat Vikas het ging halen werd steeds kleiner. Ishani voelde de tranen achter haar oogleden. De aanblik van het kind deed pijn op haar netvlies. Even twijfelde ze nog, toen tikte ze opnieuw tegen de knop.
‘Ben je alleen?’
De shudra knikte vol overgave. Ze had geen kracht meer om iets te zeggen.
Met tranen in haar ogen schoof Ishani de sloten van de deur en trok hem open. Even keek ze de vrouw recht aan, maar de shudra kneep haar ogen stijfdicht. Een hittegolf stroomde de ruimte binnen. Hetzelfde ogenblik verschenen er twee mannen met geweren.
Ze had het kunnen weten.
Een van hen hield haar onder schot, terwijl de ander haar naar buiten sleurde. In het volle licht van de zon gooide hij haar tegen het tuinpad. De jonge vrouw huilde op de achtergrond. Binnen een minuut waren ze binnen, de deur met de dubbele sloten achter zich dichtgetrokken.
Daar lag ze dan, in haar ondergoed op de brandende tegels. De geur van smeltend asfalt drong haar neus binnen. Het geronk van de airconditioner klonk nog steeds op de achtergrond. Verslagen sloot Ishani haar ogen en dacht aan alles en aan niets. De stralen deden pijn op haar huid.
‘Ish, goden waarom lig je hier?’
Ze keek niet op, het was Vikas. Opnieuw vroeg ze zich af wat hij had gedaan om aan het apparaat te komen. Hij had het nooit willen zeggen.
‘Ishani wat is er gebeurd?’
Vikas viel op zijn knieën naast haar neer. Ishani keek op haar horloge. Het was 10:02, 47 graden.
‘Hebben we dit verdient Vikas?’ Even keek ze hem aan. ‘Is er iemand dood omdat jij die airco hebt meegenomen?’
Vikas gaf geen antwoord, maar de blik in zijn ogen zei genoeg. Dit wel precies wat ze verdienden. Tranen en zweet liepen gezamenlijk langs haar wangen. Wat konden ze nu nog doen? Ze konden op de deur slaan. Ze konden gillen en tieren. Maar niemand achter de muren zou naar hen luisteren. De shudra zou zingend haar oren bedekken, tot hun gekerm door de hitte werd gesmoord.