Categorieën
Fictie

Hier ben ik

Hoofdstuk 1

Ik moest voor haar zorgen. Zodra ik haar zag wist ik het.
Ik kwam haar voor het eerst tegen tussen de mango’s. Met haar vingers duwde ze voorzichtig in het overrijpe gebutste vruchtvlees. Even keek ze mij van opzij aan. Een zucht ontsnapte uit haar mond, of was dat mijn verbeelding? Uit haar gezichtsuitdrukking kon ik niet opmaken of ze vrolijk, verdrietig of boos was. Twijfelend gleed ze met haar vingers over het fruit. Nog eenmaal bekeek ze de uitgestalde vruchten, toen verdween ze tussen de winkelende mensenmassa. Twee uitstekende preien en een rode sjaal.
De tweede keer dat ik haar tegenkwam was een paar weken later. Met ferme pas liep ze over het modderige paadje rondom het bouwterrein naast de sportschool. De rode sjaal trok mijn aandacht. Het hondje dat luid blaffend langs haar voorbij rende leek ze niet op te merken. Ik wilde naar haar toe lopen, een arm om haar heen slaan, wijzen op de meeuwen in de lucht. Haar lange haren zwierden heen en weer met elke stap die ze zette. De modder legde haar voetspoor vast. Samen waren we getuigen van haar aanwezigheid.
Op een donderdagmiddag raakten we aan de praat. Normaal gesproken ging ik nooit in mijn eentje ergens koffiedrinken. De kapotte verwarming dreef me op een dag toch naar het café waar ik elke dag langskwam. Met mijn laptop en notitieblok installeerde ik me onwennig aan een van de tafels achterin. Gelukkig was ik niet de enige die daar alleen zat te werken. Ik ontspande me een beetje.
Rond lunchtijd stroomde het café vol. De ober kwam naar me toe, en leidde me naar een kleinere tafel bij het raam om plek te maken voor de vijf giebelende meisjes die stonden te wachten. Onhandig propte ik me tussen het tafeltje en het raam. Vanuit mijn ooghoeken zag ik de man in pak naast me geconcentreerd de krant lezen. Het tafeltje links van mij was nog leeg. De ober kwam weer terug en ik bestelde nog een cappuccino.
Toen was ze daar opeens. Ik herkende haar meteen. Met een groot dienblad in de hand kwam de ober terug met het meisje in zijn kielzog. Behendig manoeuvreerde hij zich tussen de tafeltjes en wees haar het enige vrije plekje aan. De stoel naast mij. Ik probeerde haar blik te vangen, maar ze keek met gefronste wenkbrauwen naar de menukaart. Haar rode sjaal raakte bijna mijn koffie.
“De tosti’s hier zijn wel een aanrader heb ik gehoord” zei ik.
Ze richtte haar hoofd op en keek me aan. Verontschuldigd glimlachte ik naar haar, en vertelde over mijn kapotte verwarming. Zij vertelde over het laboratorium waar ze werkte, maar haar blauwe ogen waren onbewoond. Haar lippen spraken eenzaamheid.
Haar afwezigheid fascineerde me. Zonder dat we het af hadden gesproken zag ik haar elke donderdagmiddag in het café. Steevast bij het raam. Nog nooit had ik zo vaak tosti met geitenkaas gegeten. Het viel me op dat zij bijna nooit wat at. Alleen koffie, of thee. Het koekje liet ze liggen.
Voordat we aan de praat waren geraakt was ik haar nog eenmaal tegengekomen. Eerst herkende ik haar niet. Lachend liep ze naast een grote man in het stadspark. Haar rode sjaal had ze vervangen door een bloemige omslagdoek die ze over haar schouders had gedrapeerd. Onwillekeurig glimlachte ik toen we elkaar passeerde. De twee leken me niet op te merken. Hun vrolijkheid was aanstekelijk en neuriënd liep ik langs hen heen.
We praatten over van alles. Of we zaten stilletjes naast elkaar. Ze liet niet zo veel los over het laboratorium waarin ze werkte. Liever luisterde ze naar mijn verhalen. Soms was het alsof ze er niet helemaal bij was. Dan wilde ik haar omarmen, knuffelen, en zeggen dat het goed zou komen. Ik wilde haar helpen, zeggen dat het veilig was. Ik wilde haar hand vastpakken en mee naar buiten nemen. Op zoek naar de vogels en de torretjes. Liggen in het gras, de zon op de huid voelen.
Na een kort protest had ze uiteindelijk ingestemd dat ik voor haar zou koken. Vanavond hadden we afgesproken om samen te eten.

Hoofdstuk 2

Mensen waren onbegrijpelijk. De man van wie ze hield, had zich van haar afgekeerd, en de man naar wie ze verlangde streelde met zijn grote sterke handen de huid van een ander. Ze lag in bed en voelde een windvlaag over haar gezicht, die door een kiertje van het raam naar binnen was gekomen. Ze kon in bed blijven liggen. De hele dag, en niemand zou het merken. Toch stond ze op, ze bestond toch zeker ook zonder dat iemand anders het zag? Ze nam een warme douche en zette koffie.
Ze werd opgeschrikt door een berichtje. De woorden op het beeldscherm deden haar hart even bonzen. Ze voelde zich trots.
“Ik verlang naar je”
Ze glimlachte in zichzelf. Blijkbaar vonden zijn handen de huid van dat meisje toch niet zo lekker als die van haar. Zonder te antwoorden legde ze haar telefoon weg. Hij kon maar even blijven hangen in zijn verlangen. Ze wilde de spanning nog niet doorbreken. De wind om het huis klonk opeens anders. Vrolijker.
Aan het einde van de dag veranderde de spanning die ze tussen hen had gecreëerd in haar hoofd om in twijfel. Ze zag hen weer samenlopen in het park. Hand in hand, haar negerend. Ze wilde niet zijn muze zijn. Of misschien toch wel, was dat hoe het zou moeten zijn, wat zij kon zijn.
Midden in de nacht schrok ze op. Het was nog donker in haar kamer, en het duurde even voordat ze doorhad wat er aan de hand was. Toen hoorde ze het scherpe geluid nogmaals. Het was de bel. Lang en doordringend. Versteend lag ze daar, tussen haar blauw geblokte dekens.
Het is hem, flitste het door haar hoofd. Haar verlangen.
Voor een moment hoopte ze echt dat hij het was, net als toen. De bel ging nogmaals, het klonk nog luider. Ze keek op haar mobiel, het was 2 uur ‘s nachts. In haar pyjama liep ze naar de gang en keek op het schermpje die in verbinding stond met de camera bij de voordeur. Ondanks het vage licht van de lantaarn herkende ze direct dat het niet de brede schouders waren die ze zo miste. Opeens voelde ze de koude vloer onder haar voeten. Teleurgesteld liep ze terug naar bed en liet de onbekende gestalte buiten in de nacht staan. Het kwam niet bij haar op om de deur te openen of hem door de intercom te vragen wie hij was.
Zodra ze weer terug in haar warme bed lag ging de bel opnieuw. Alsof hij het wist. Speelde hij soms een spelletje met haar? Ze keek nogmaals op haar mobiel, of er iemand haar een bericht had gestuurd. Niets. Behalve met het scherpe geluid van de deurbel had de gedaante zich niet kenbaar gemaakt. Ze zag wel dat hij nog wakker was, tien minuten geleden was hij nog online geweest. Maar hij was het niet, daar buiten voor de deur. Niet zoals toen, toen hij haar midden in de nacht had willen zien, onaangekondigd uit haar bed had gebeld en voor de deur had gestaan. Ze had zich vereerd gevoeld, opgewonden.
Trillend lag ze in haar bed. Haar hart bonsde. Het beeld van de vreemde gestalte, buiten in de nacht, die haar riep. Misschien had hij wel hulp nodig? Of kende ze hem echt? Hij leek zo vastberaden te zijn. Waarom belde hij juist bij haar aan? Was het toeval? Ze probeerde haar lichaam en gedachten onder controle te krijgen, maar ze leken niet te willen luisteren naar haar wil. Ze waren onafhankelijk een eigen weg op gegaan.
Toen bleef het stil, en viel ze uiteindelijk in slaap, met een bonzend hart.
De volgende dag herinnerde ze zich als in een droom wat er was gebeurd. Moe stond ze op en zette koffie. Ze begon te twijfelen aan wat er was gebeurd vannacht. Had er wel echt iemand bij haar aangebeld? Ze voelde een onbestemde woede in haar opkomen.
‘s Avonds sloeg haar humeur om. Ze zat aan tafel, te wachten tot het water kookte voor de pasta. Haar gedachtes zweefden door de lucht over de tafel heen. Haar verlangen had een ander. Ze had hem gezien, een paar dagen nadat hij midden in de nacht bij haar voor de deur had gestaan. Hand in hand, met een meisje in het park. Even hadden ze oogcontact gehad. Maar het leek alsof hij haar niet herkende. Zonder van pas te veranderen was ze langs hen heen gelopen, terug naar haar fiets. Ze had haar zakken doorzocht op zoek naar haar sleutel. Papierenzakdoekjes, bonnetjes en een potlood vielen op de grond. Maar ze had geen moeite gedaan om het op te rapen. Tranen welden op in haar ogen. Alles was troebel geworden. De fiets had ze achtergelaten, en ze was het hele eind terug naar huis gelopen.
Ze hoorde het water borrelen. Haar gedachtes kwamen terug naar haar lichaam. Haar lichaam ving haar gedachtes. Ze had toch mooi weerstand geboden tegen haar verlangen. Tevreden gooide ze de fusilli in het kokende water.

Hoofdstuk 3

Het was even na twaalven ‘s nachts, en ze kon niet slapen. Besluiteloos stond ze voor haar koelkast. Haar maag rommelde, maar behalve een paar eieren en de pasta van gisteren was er niet echt iets eetbaars voor handen. Ze had opeens heel veel zin in chocoladevla, morgen zou ze naar de supermarkt gaan. Ze deed de koelkast dicht, kroop terug in bed en viel in slaap met koude voeten.
De volgende dag voelde ze zich futloos. Ze was al vroeg wakker, maar had geen zin om de deur uit te gaan. Stilletjes kroop ze op de bank, en zette een serie op. Ze voelde zich vol, opgezet en moe.
Een klein beestje. Ze had hem eerder gevoeld dan dat ze hem zag. Zijn pootjes lieten een kleine afdruk achter op haar huid. Geërgerd keek ze hem aan.
De ergernis was geheel wederzijds. Al dagen was hij op zoek naar een weg uit deze kleine ruimte. Hij miste de buitenlucht, de zon en zijn vrijheid. Radeloos vloog hij naar haar toe. Eerst inspecteerde hij haar lange blonde haren, maar ze merkte hem niet op en bleef geconcentreerd naar de bewegende mensen op het grote beeldscherm turen. Toen ging hij op haar hand zitten.
Kijk dan! dacht hij,
Hier ben ik!
Geïrriteerd zwaaide ze met haar hand door de lucht. Het beestje vloog op, maar al snel voelde ze weer een kriebel op haar hand. Nogmaals wuivende ze haar hand alle kanten op in een poging hem eraf te krijgen.
Eindelijk, dacht hij, Ze heeft me gezien!
Hij vloog op van haar hand en vloog rondom haar heen. De twee ogen waren nu niet meer op het beeldscherm gericht, maar volgden hem door de kamer.
Eerst probeerde ze hem nog weg te krijgen, maar al gauw hield ze ermee op toen ze zag dat het weinig uithaalde. Toen kreeg ze een beter idee, ze stond op van de bank en zette de deur naar het balkon wagenwijd open. Ze keek om zich heen waar het beestje gebleven was.
Hij voelde een frisse luchtstroom, Eindelijk! Toch twijfelde hij heel eventjes, hij voelde een beetje medelijdend. Maar het briesje lokte hem. Hij was het spelletje zat, en vloog door de deur naar buiten, de wereld in.
Hij zag niet dat het meisje het beeldscherm uitzette, in de deuropening ging staan en het balkon scande of ze het wezentje nog ergens zag. Ze voelde het briesje, en deed haar schoenen aan.