Categorieën
Fictie

Het wapen van Mokum

Je wandelt over de Nieuwmarkt en wordt bekeken door de majestueuze Waag, die al zo veel gezien heeft. Je gaat de Zeedijk op, waar alleen de bochtige bouw en de op elkaar gepakte, verzakte pakhuizen je eraan doen herinneren dat dit deel van de stad het oudst is. Je voelt je betrapt als je naar binnen kijkt bij de rode gordijnen en de winkels die toevallig heel veel langwerpige voorwerpen in hun assortiment hebben, raakt verblind door de felverlichte borden die ijs, pizza en wafels in je gezicht duwen. Ieder moment kun je bestraffend worden toegesproken door de figuren die in de gevels gemetseld staan, omdat je kijkt naar alles wat God verboden had, en het is alleen door namen als ‘Old Church’ en ‘Kerkzicht’ dat je beseft dat dit ooit de bakermat was van het Amsterdamse geloofsleven. Op een bankje aan de Singel ga je zitten, nee, je kiest voor de rand van de gracht, waar je je laat meevoeren in de rustiek van de golfjes op het water en de grachtenpanden, met hun verlichte ramen al oogjes die je aankijken en zeggen: hoe scheef we ook staan, we zijn hier nog wel even.

Ahmet Yalçin vertegenwoordigde ‘het Amsterdam van de toekomst’, zoals hijzelf altijd zei. Hij was met vijfendertig jaar de jongste burgermeester ooit, en de eerste met een migratieachtergrond. Tegelijkertijd straalde hij iets vertrouwds uit, als telg uit een gezin met Turkse achtergrond, die altijd PvdA gestemd had en nu namens NieuwSociaal, een fusie van die partij met GroenLinks, de stad leidde. ‘De Amsterdamse Sadiq Khan’, zo noemden sommige media hem al, maar Ahmet zelf vond het maar onzin. ‘Dat ik ook een burgermeester van een grote stad ben met een migratieachtergrond maakt mij toch niet meteen Sadiq Khan? Als ik goed kon schrijven, was ik dan de Amsterdamse Orhan Pamuk geweest? Laten we nou toch even gewoon doen.’ Liever besteedde Ahmet aandacht aan dat andere opvallende aspect van zijn identiteit: zijn leeftijd. Hij vond het geweldig dat Amsterdam, ‘na eindelijk een vrouw, nu ook een jong persoon als burgermeester heeft. Ja, eigenlijk voel ik mij nog een jongere, en ik wil er dan ook echt voor al die jeugdige Amsterdammers zijn.’
‘Heftiger dan Halsema’, had de Telegraaf gekopt bij zijn inauguratie. ‘Yalçin is niet alleen net zo links als de politica van GroenLinks, hij is ook nog eens een stuk radicaler en schuwt taboes niet. Als het aan de NieuwSociaal-burgermeester ligt, verdwijnt Schiphol binnen vijf jaar. Ook gaat de kersverse burgervader doodleuk koffiedrinken met krakers. Halsema dreigde tenminste nog met actie.’ Herstel Amsterdam, een conservatieve fusiepartij opgericht door ex-FvD’ers, vond Yalçin maar politiek correct en veel te mild voor radicale imams in de stad. Nu ze echter daadwerkelijk een burgermeester met Turkse roots tegenover zich hadden, bleek het een stuk moeilijker om hem op zijn deugen aan te vallen dan bij de roomblanke, naïeve landverraders van GroenLinks die de stad ten grabbel hadden gegooid. Ze hielden het daarom vooral maar bij mopperen vanuit de oppositie, vonden dat het hoog tijd was dat de burgemeester wat naar rechts bijstuurde na jarenlang links beleid. BIJ1 vond juist weer dat hij te weinig oog had voor de sekswerkers en migranten.
DENK was nog steeds teleurgesteld dat hij niet voor hun partij had gekozen en vond dat hij veel meer kon doen voor de acceptatie van moslims in de stad. Ja, of hij moslim was, daar bleven ze maar naar vragen, van collega’s tot journalisten. ‘Hebt u een koran thuis? Gebruikt u de pauzes van de raadsvergaderingen om te bidden?’ Na een tijdje was ‘Waar ik in geloof? Ik geloof in Amsterdam’ het standaardantwoord van Ahmet Yalçin geworden. Een schot in de roos. De zin werd nog vaker gequote dan de oproep van wijlen burgermeester Van der Laan om lief voor elkaar en de stad te zijn. ‘Ik geloof in Amsterdam’ verscheen in graffittiletters op een gebouw naast het Muiderpoortstation, waar vroeger een beeltenis van voetbalheld Matthijs de Ligt te zien was. De burgemeesterr zelf vond het wel best. ‘Dat die tekst van mij overal te zien is, is mooi, maar het gaat niet om mij. Het doet me ook niet zo veel wat er de Telegraaf over me schrijft. Wat die alleenstaande moeder uit Nieuw-West, de ambitieuze jonge vrouw uit de Bijlmer of de dakloze man bij de opvang van mijn harde werk voor deze stad merkt, dáár gaat het mij om. Ik slaap niet tot zij rustig en zorgeloos kunnen slapen, werken, leven.’
De persen bleven draaien; rustig werken kon Ahmet zelf in ieder geval niet, maar hij had niet anders verwacht. Al in een van zijn eerste weken als burgemeester werd een demonstratie vlak voor de Stopera aangemeld, omdat was uitgelekt dat hij door wilde gaan met het project biomassa, ondanks de vele regionale en landelijke kritiek. Hij lag niet wakker van demonstraties of kritische vragen en vond het prima. Er stond iets veel groters te gebeuren.

Op de pleintjes in de Indische buurt had hij geleerd te voetballen, maar hij was niet de meest technische van het stel. Ook met de bal was hij een strateeg, een planner; hij bleef meestal achterin en gaf dan splijtende passes naar voren.
Of hij er als kind ooit van had gedroomd om burgemeester van Amsterdam te worden? Nee, dat niet. Hij had er ook nooit bij stilgestaan dat hij dat zou kunnen bereiken. Ja, je had Aboutaleb, maar die was oud. In hem kon hij zich niet herkennen.
Wel was hij altijd aangetrokken door de ritmiek van grote steden. Het familiebezoek op het platteland van Turkije vond hij maar niks. Met de basisschool voor het eerst naar het Rijksmuseum, dat was nog eens een belevenis. Het museum zelf had hem niet zo veel geïnteresseerd, maar een dag later tijdens rekenen begon hij te schetsen in zijn schrift. De juf dacht dat hij geïnspireerd was geraakt door Rembrandt, maar hij tekende het Rijksmuseum na. In Istanbul had hij hetzelfde gehad. Terwijl zijn ouders de Sülemaniye moskee al hadden betreden, keek hij nog nieuwsgierig naar alle patroontjes, ontelbare bogen en minaretten.
Het waren wel de uitjes naar de binnenstad van Amsterdam geweest die hem ook later in zijn leven nooit hadden losgelaten. Het was door school dat hij kennis maakte met het roerige centrum, want verder had hij niet echt een reden om er te komen. Bij een stadswandeling op de middelbare school zag Ahmet voor het eerst de Wallen. Dat zou hij maar niet vertellen aan zijn ouders; hoewel ze niet strenggelovig waren, ging al die drugs en seks toch te ver. Hij kon maar moeilijk bevatten dat dit dezelfde stad was, zijn stad. Tussen de huizen aan de Bonistraat voetbalden hij en zijn vrienden en waren zij de baas; de pannakooi voelde als hun tempel. Hij kende sommige marktkoopmannen van de Dappermarkt en kreeg wel eens een gratis sinaasappel mee. Maar hier in het centrum, tijdens de stadswandeling, verdwaalde hij tussen de steegjes, slingerde richtingloos langs de toeristen die er zelfs op dinsdagochtend waren en zag nauwelijks een winkel die hij herkende.
Hij had een man, die tegen zo’n oud pand op de Kloveniersburgwal aan leunde en stond te roken, de weg gevraagd naar de Dam. ‘The Red Light District is that way’, had de man gezegd, en hij wees met zijn sigaret, die toch een joint bleek, richting de Nieuwmarkt. Dat hem zoiets in eigen stad kon overkomen, was Ahmet nooit vergeten.

Je vraagt je wel eens af of dit de enige plek op de wereldbol is waar een coffeeshop een gevelsteen draagt. Je ziet een pand, ‘Anno 1741’, en mijmert verder. Zou de oorspronkelijke bewoner ooit hebben kunnen bedenken wat er nu zit: een winkeltje dat ‘laughing gas’ en ‘SIM Cards – for all of Europe!’ verkoopt?
Je ontdekt steeds maar weer nieuwe steegjes met de meest curieuze namen. Als je kijkt naar de dichtgemetselde gaten tussen de scheve gebouwen denk je dat het er nog wel honderd meer hadden kunnen zijn.
Je loopt over het bruggetje vanuit de Nieuwe Spiegelstraat en ziet het Rijksmuseum plots opdoemen; als een groot gebouw dat midden in een klein legodorp met miniatuurhuisjes geplaatst is. De zon schijnt door de onderdoorgang heen. Op het bruggetje neemt een jong koppel een foto met een selfiestick, daarna fotograferen ze ook de grachten. Ze lachen en kijken hun ogen uit, hebben een kaart in hun hand en zetten koers naar het Museumplein. Je zou willen dat je voor één dag in hun schoenen kon lopen en deze straten kon herontdekken, en zien wat er nou weer voor prachtigs zal opdoemen achter de volgende straathoek.