Categorieën
Fictie

Het spleetje tussen haar tanden

HET SPLEETJE TUSSEN HAAR TANDEN

De binnentuin van het klooster ademt ijskoude stilte. Het is kerstochtend en de sneeuwklokjes lijken minder wit tussen het bevroren gras. Johannes, blauwgeaderde handen diep in de mouwen van zijn donkerbruine pij gestoken, loopt stram naar het bankje waar hij zich moeizaam op laat zakken. ‘Ave Maria’. De sneeuwklokjes zijn al jaren zo geplant dat je dat kan lezen en ze bloeien altijd met kerst.
Ieder jaar weer had hij daar als klein jongetje staan kijken wanneer hij met zijn ouders op kerstavond naar de nachtmis ging om dit samen met vrienden en familie van de monniken te vieren. Zijn vader was bevriend met pater Mauritius. Nog slaperig en rillerig na de de rit in de warme auto liep hij aan de hand van zijn vader naar de kerststal waar Jezus nog niet in lag omdat hij natuurlijk pas om twaalf uur geboren werd en dat was het dan nog niet. Gedurende de mis gebeurden er spannende dingen. Het machtige geluid van de klokken hoog boven in de toren als Jezus werd geboren. De monnik die door de lucht zwierde aan het klokkentouw. De monnik met de hazenlip die een stuk uit de bijbel moest lezen. Je kon hem nauwelijks verstaan.
De meeste monniken waren ouder maar er zaten ook een paar jonge tussen. Hoe zou dat zijn, dacht hij als klein jongetje. Bijna nooit mogen praten en nauwelijks je familie meer zien. Hij was toen nog zo jong dat hij niet aan het gemis van trouwen en kinderen dacht. Dat kwam later pas.
Meer dan vijftig jaar. Zolang is hij hier nu al en hij weet inmiddels hoe die eenzaamheid waar hij vroeger over nadacht voelt. Een moeizaam en pijnlijk gevecht en nooit af. De wanhoop van de eindeloze zoektocht naar God. Eerlijk gezegd heeft hij ook helemaal niet zo goed gezocht.
En hij vraagt zich soms af wat, net als bij hem, de werkelijke reden van zijn collega-monniken is om hun leven hier in stilte en gebed door te brengen. Was voor sommigen het klooster soms de enige oplossing omdat zij in hun jeugd al bang waren gemaakt voor hun ‘anderszijn’. Hij kan de angst en wroeging haast op die gezichten lezen. Het maakt hem boos. Als er een God is dan kan hij het toch niet zo bedoeld hebben. Dat hun tijd hier op aarde een grote boetedoening is.
Er zijn er die het leven hier makkelijker af lijkt te gaan. Vooral de kok en de tuinman maken een tevreden indruk. En natuurlijk Vader Abt. Altijd dezelfde rustige glimlach op zijn lippen. Bij hemzelf is die rust nog steeds ver te zoeken. Alleen in de tuin en boomgaard kan hij zich even volledig ontspannen. Hij helpt de tuinman daarom zo nu en dan een beetje en heel soms maken zij achter bij de fruitbomen stiekem een praatje. Over niets, maar het is fijn om even een stem te horen, ook die van jezelf. En niet die stem als je bidt of zingt, maar gewoon je praatstem. Die is wel veranderd, door de jaren van zwijgen. Zachter. En hij moet soms naar woorden zoeken.
Zo zit de oude monnik daar in gedachten. Hij is nu op een leeftijd dat er niet veel meer dan de gebedstijden van hem verwacht wordt dus hij heeft veel tijd om na te denken en hoe ouder hij wordt hoe vaker hij teruggeslingerd wordt naar vroeger. Zijn lieve moeder die het verschrikkelijk vond dat hij het klooster in ging had misschien met haar moederinstinct meer begrepen dan hij dacht. Hij hoort het haar nog zeggen. ‘Jij loopt nergens naartoe. Nee, jij loopt ergens voor weg.’ Zijn rustige vader die zijn bedenkingen voor zich hield. Zijn zussen, vooral zijn jongste, die hij zo verschrikkelijk miste, nog steeds. Zij waren er weer vannacht. Nog steeds als ze elkaar na de mis even spreken ziet hij stil verdriet in hun ogen.
Ieder jaar zagen ze veel dezelfde families bij de kerstviering. Ook dat ene meisje was er altijd weer met haar vader en moeder. Zij kwamen voor de monnik met de hazenlip. Misschien was dat haar oom. Hij weet nog precies wat ze aan had die eerste keer dat hij haar zag staan bij de sneeuwklokjes. Ze droeg een rood jasje met een groen grofgebreid dasje en wanten in dezelfde kleur. Een wit maillootje en zwarte lakschoentjes. Met z’n zeven jaren kon hij z’n ogen niet van haar afhouden. Ze stond tussen haar vader en moeder in en haar stemmetje klonk als belletjes door de frisse nachtlucht. Ze had een spleetje tussen haar tanden wat hij leuk vond. In de kerk zaten ze schuin achter elkaar en hij bleef kijken naar die blonde krulletjes die rond haar hoofd dansten. Vanaf dat jaar zag hij haar ieder jaar weer. Ze had een keertje verlegen naar hem gelachen. Een keertje maar. En juist toen.
Hij weet het nog precies. Op school werd hij gepest door zijn vrienden omdat hij nog nooit een meisje had gezoend. Maar hij zou ze een poepje laten ruiken. Hij was zeventien en vastbesloten om zich deze kerst aan haar voor te stellen en te vragen of zij een keertje met hem uit wilde. Hij zou er op z’n brommer voor naar het einde van de wereld rijden.
En hij had op het leven van zijn moeder gezworen dat als ze hem niet wilde hij het klooster in zou gaan. Die kerstavond was hij stil geweest. Zijn moeder had hem een paar keer gevraagd of er iets was waarop hij ontkennend zijn hoofd had geschud. Onderweg in de auto voelde hij zijn hart soms als een gek tekeer gaan, zo zenuwachtig was hij.
Zijn vader parkeerde de auto langs het zandpad dat naar het klooster liep en samen wandelde de familie naar de poort die zoals ieder jaar weer gastvrij openstond. Ze liepen naar de sneeuwklokjes. Hij zag haar niet. Ze liepen door naar de ingang van de kerk en hij zag haar nog steeds niet. Misschien kwam ze wel helemaal niet. Dat kon ook nog. Ze liepen de kerk binnen en hij zag haar nergens. Ze kon nog komen natuurlijk. Ze liepen gewoontegetrouw naar de kerststal waar Jezus nog niet in z’n kribje lag. Ze gingen naar hun vaste plek. De mis begon. De monniken zongen. De klokken luidden. Hij zag haar nergens. Na afloop praatte zijn vader nog even met zijn vriend. En toen zag hij haar. De krullen heel volwassen opgestoken. En had ze nou een beetje lippenstift op? Ze zag er heel anders uit. Zo volwassen. En naast haar een knappe jongen wiens hand ze vasthield. Toen ze hem zag lachte ze haar mooiste lach en dat was het dan.
De oude monnik slaakt een diepe zucht. Het voelt als gisteren. Zijn leven kantelde op dat moment 180 graden. Nu moest hij wel. Stel je voor dat er wat met zijn moeder zou gebeuren. Dus vertrok hij in plaats van naar de universiteit meteen na de middelbare school naar het klooster waar hij zich op de geschiedenis van de bijbel gooide. De natuur en de geheimzinnige sfeer van de oude gebouwen die hem van jongs af had aangetrokken hielden hem op de been. De soberheid kon hem niet schelen. De regelmaat vond hij prima. Maar gedurende de gebedstijden voelde hij zich een charlatan. Dan dacht hij aan z’n moeder. Hij was hier inderdaad niet om God te vinden.
Die eerste kerstnacht in het klooster. Hij durfde nauwelijks naar z’n familie te kijken en na de mis spraken ze onwennig met elkaar. Net op het moment dat zij vertrokken zag hij haar. En dacht even dat zij hem herkende omdat er iets van verbazing over haar gezicht leek te trekken. Toen zij langs hem heen liep rook hij haar parfum.
Ze bleef komen samen met dezelfde vriend. Ieder jaar weer. Op een jaar zag hij de trouwringen aan hun vingers glinsteren. En in de jaren die volgden kwam er eerst een kindje mee, een meisje, en later ook een jongetje. En ieder jaar leek ze mooier te worden. Alleen de laatste keer dat ze kwam was ze anders. De roodbruine lippenstift die ze was blijven dragen leek ietsje feller en het inmiddels grijzende haar wat dof. Hij wilde naar haar toelopen, iets zeggen, maar hield zich in. Zij zag zijn weifeling en glimlachte naar hem. De tweede, dacht hij, terwijl hij haar nakeek, een beetje leunend op de arm van haar man door de kerkdeuren de winterse nacht in.
Dat was de laatste keer dat hij haar zag.
Tot vannacht na de kerstviering. Hij zag haar meteen. Dezelfde krullen. Hetzelfde spleetje tussen haar tanden. En roodbruine lippenstift. Alleen zo jong. Ze liep recht op hem af en vroeg of ze hem even mocht spreken. Ze vertelde hem dat haar moeder overleden was en dat ze haar op een van haar laatste dagen bij zich had geroepen. ‘Zij wilde dat ik u zou zeggen dat ze ooit heel verliefd op u was en u nooit is vergeten.’