Categorieën
Fictie

Het rode licht

Het rode licht
Door: Rosemarie van Diepen

Vlak voordat hij de hoek om gaat, pakt hij de familiefoto uit zijn leren portemonnee. Hij aait er zachtjes op, voordat hij het verkreukelt in zijn gebalde vuist. Met één ruk trekt hij het zilveren kruisje van zijn hals en slingert die van zich af.
Hierna moet hij verdwijnen, dat weet hij zeker. Hij trekt zijn gerafelde krantenjongenspet recht en hij loopt door.
De zomerlucht hangt als een warme deken over de stad. De avond kleurt rood met een laaghangende zon. De hitte weerkaatst op het stenen trottoir. Hij voelt zich loom, alsof er zandzakjes aan zijn kuiten hangen. Met elke voetstap stiefelt hij dieper het drijfzand in. Toch is dat geen reden voor hem om niet te gaan. Hij moet dit doen.
Hij stopt aan het begin van een achterafsteeg. De beruchte steeg waar de meeste mensen voorbij lopen, maar hij niet.

Soort van bestemmingsverkeer.

De diesellucht van langzaam rijdende auto’s en zoete aroma’s van goedkope parfum, bedwelmen zijn geest. Hij zucht. Ragfijne pareltjes zweet druppelen langs zijn scherpe kaaklijn. Hij pakt zijn zakdoek en dept deze schroomvallig tegen zijn gezicht. Hij haalt een voorgedraaid shaggie uit zijn broekzak. Zijn handen trillen, met moeite krijgt hij hem aan.
Een terugkerend beeld wordt dieper in zijn netvlies gekerfd. Een flikkerende diavoorstelling met telkens dezelfde foto. Hij schudt zijn hoofd. Vervolgens stapt hij, zo zelfverzekerd als hij kan, het aanlokkelijke straatje der zeden in. Elk raam is gevuld met wat lekkers om naar te verlangen.

Naamloos.

Nog geen fruitig, exotisch koosnaampje wat iets van identiteit kan onthullen. De rode neon lichten trekken de aandacht van hongerige roofdieren. Als een snoepwinkel die de meest zoete en glanzende lolly’s aanbiedt. In alle soorten en maten verkrijgbaar. Allemaal even bereikbaar en gewillig.

‘Neem zoveel u wilt. De één is nog zoeter dan de andere.’

Wat ze er alleen niet bij vertellen is dat door te veel zoetigheid je gebit zal wegrotten. Van binnenuit wordt je glazuren beschermlaag uitgehold. Maar wat niet mag, proeft nog verrukkelijker. Zijn smaakpapillen verheugen zich op de zoete wraak. Ook al weet hij dat een zinderende smaak in zijn mond zal muteren in as en braaksel.
Hij is zich niet bewust van het promiscue gedrag van de wellustige vrouwen. Wil hij ook niet. Hij stopt halverwege de steeg. Twee grijze ratten knabbelen aan een aangekoekte kliko. De geur van lekkende vuilniszakken vult zijn longen. Als zijn wangen op knappen staan, blaast hij krachtig uit. Met respect voor de andere sekse en een galante benadering, probeert hij er nog een zeker cachet aan te geven. Alleen maar zodat hij niet daarna hoeft te zwelgen in verdriet en zich realiseert hoe verrot hij al van binnen is.
Als hij maar een bos rode rozen kon brengen naar één van de gelukkige dames. Of zijn glimmende buishoed met een knikje kon afzetten. Dan zou de hele omstandigheid al een ander aangezicht hebben. Alsof zij bij je hoort. Alsof ze je verwacht. Kom maar binnen, het diner wordt zo opgediend, stelt hij zich voor.

Vanavond niet.

Nu zijn alle filters en vormen van valse bescheidenheid in rook opgegaan. De beschaafde passanten van de maatschappij zijn allang uit het straatbeeld verdwenen. Nu is het moment aangebroken dat de bezoedelde zielen uit de krochten van de stad verschijnen. De grande opening van de Tempel van Hedonisme. Met als enige scheiding, de rode mist wat als giftige dampen om de onweerstaanbare schepsels heen hangt. Om de prijs te claimen, zal hij eerst de obstakels moeten overwinnen.
Hij stopt nog even. Neemt een diepe hijs. De verschroeide tabak, wat als een vuurlinie op zijn mond komt afstormen, doet zijn ogen oplichten. Hij krabt aan zijn ruwe baardstoppeltjes. Hij denkt na. Hierna zal zijn leven niet meer hetzelfde zijn. Vanuit de diepste spelonk van zijn ziel, borrelt zijn geweten omhoog als een pruttelend, gistend vat. Een herinnering beklemt zijn psyche. Wat als een knoop in zijn hersenen zit en met geen enkele hoeveelheid drank gelost kan worden, maar juist strakker wordt aangesnoerd.

Huis en haard.

Met zijn rechter hand grijpt hij naar zijn linkerborst, alsof hij zijn eigen bloedend hart wil troosten. Met zijn linkerhand geeft hij een pets op zijn rechterschouder, alsof hij het krekeltje erop moest vermorzelen. Net goed. Ze moeten niet denken dat ze zijn leven kunnen bepalen.
Met zijn houten zwaard, lijkt hij de test hebben doorstaan. Het toegangskaartje is verdiend. Betalen komt straks wel. Eén keer mag hij gaan. Daarna zal hij voorgoed zijn genotzucht achter zich laten. Op één voorwaarde, dat zijn verloren ziel nooit meer hoeft te zoeken naar een passende huls.
De man knielt op de warme straatstenen. De laatste zonnestraal van de dag schijnt brutaal en ongepast op zijn lamlendige lijf. Zijn gestalte verkeert nu op dezelfde hoogte als een loslopende zwerfhond die voorbij slentert. De man ziet een overeenkomst. Ineens wordt hij overmand door een diep gevoel van schaamte dat als brandend maagzuur door zijn slokdarm boort. Nog even volhouden.
Hij staat op en buigt zijn hoofd. Hij trekt een laatste hijs, wat zijn zwart geblakerde duim en wijsvinger verbrandt. Hij trapt hem definitief uit met zijn schoen.
Een weeïge rozenaroma walmt langs zijn gezicht. Niet één keer had hij opzijgekeken naar de raampartijen, al weet hij wat er tentoongespreid wordt. Hij stopt voor de laatste portiek. Hij pakt zijn klamme zakdoek en haalt die met een daadkrachtige veeg over zijn gezicht. Hij kijkt om zich heen en verstopt zijn ogen onder zijn krantenjongenspet.
Boven de steeg cirkelt een kraai, die elk moment zijn prooi kan aanvliegen. Daar boven draaien wolken warm voor de storm, die al dagen beloofd is. De eerste bliksemschicht staat in de startblokken om gelanceerd te worden. Met één mikpunt. Maar niet voordat er duizenden regeldruppeltjes naar beneden kletteren en verdampen op de gloeiende straatstenen. Lage stoomwolkjes krullen om de schoenen van de man, die nog eenmaal zucht.
De man stapt naar het rode licht. Hij speelt met de sleutels in zijn broekzak, alsof hij zijn eigen woning gaat betreden. Gewapend met een flinke dosis moed en charmante glimlach loopt hij de troostkamer binnen, als een ontdekkingsreiziger door een gouden poort op weg naar de verborgen schat. Hij zet zijn hoofddeksel af en gaat op de fluwelen chaise longue zitten. Scharlaken rood met goud geverfde pootjes. Op het felrode, hoogpolige tapijt, waar de voetstappen van haar stiletto hakken als zachte kussentjes worden gedempt.

Net als de week ervoor en de week daarvoor. Voor dezelfde prijs. Met dezelfde vrouw, met een andere pruik. En hij verdween.