Categorieën
Fictie

Het Plan

Anton van Wamel belde een derde keer aan, zette een stap naar achter en stak zijn handen in de zakken van de zwarte spijkerbroek die rondom zijn middel een beetje knelde. Hij had zijn moeder willen verrassen, maar nu hij naar de dichte voordeur staarde, besefte hij dat een telefoontje vooraf verstandiger was geweest. Ze hadden elkaar alweer zo’n vier jaar niet gezien of gesproken.
Na een seconde of drie zette hij een stap naar links om via het rechthoekige raam een glimp van zijn mensenschuwe moeder op te vangen, maar het gordijn met jarenzeventigprint hing in de weg. Langs de gordijnranden zag hij geen licht ontsnappen. Zelfs niet het flikkerende bleke licht dat wijst op een televisie die aan stond. Anton was er niet helemaal gerust op en stak een sigaret aan om na te kunnen denken. Het was al donker, dan ging zijn moeder normaalgesproken de deur niet meer uit, te gevaarlijk, zei ze altijd. Misschien kon hij toch beter even achteromlopen? Hij pakte zijn weekendtas op en wandelde om de huizenrij heen naar het smalle gangpad dat achter langs de tuinen liep. Hopelijk stond er nog een raam op een kier, dacht hij. Hij was krap tien uur op vrije voeten – die hij grotendeels in de kroeg had doorgebracht – na een lange gevangenisstraf te hebben uitgezeten en dan direct bij je bejaarde moeder inbreken, dat was geen fraaie actie. En één ding wist Anton zeker: hij wilde niet meer de bak in. Na een bezoek van een paar dagen aan zijn moeder zou hij naar zijn nieuwe liefde, Irina Pawlowska, in Rusland reizen. Hij had haar tijdens zijn detentie via, via leren kennen en inmiddels wisselden ze onderling regelmatig brieven uit – zonder elkaar ooit in het echt, huid op huid, ontmoet te hebben.

Moeizaam klom Anton over de ruim anderhalf meter hoge, betonplaten schutting. Toen hij op de grond landde, schoot een scherpe pijnscheut door zijn rechterenkel. De gevangenisjaren hadden hun tol geëist. Anton hinkte door de onverlichte achtertuin naar de bijkeukendeur van zijn moeders socialehuurwoning. Daar aangekomen tastte hij met zijn blote hand de koude en vochtige tuinstenen onder de rubberen deurmat en dichtstbijzijnde bloempot af, maar hij vond geen reservesleutel. Opnieuw stak Anton een sigaret op.
Als hij voorheen op de luchtplaats een peuk rookte, vroeg altijd wel een van zijn medegedetineerden naar Irina. Vaak plagend, zoals laatst, toen een maat van hem zei: ‘Die Irina van jou ziet eruit als een knappe meid. Te mooi, eigenlijk, voor een man zoals jij. Weet wel zeker dat “ze” in werkelijkheid geen dikke Rus met een baard is?’
Eén keer twijfelde Anton. Irina vroeg hem in een brief om geld te storten. Er was iets met een zieke nicht, familieleden die geld bijlapten en salaris dat ze nog niet had. Anton had er geen goed gevoel bij en drong aan op een telefoongesprek – waar hij een bewaker voor had moeten omkopen. Toen hij eindelijk, en voor het eerst, Irina’s stem hoorde, wist Anton meteen weer dat het goed zat. Met haar wilde hij oud worden: huisje, boompje, beestje en eerlijk werk – hij wist nog niet wat, hij had nergens een diploma in.

Irina wist met wie ze van doen had. In zijn tweede brief schreef Anton al dat hij moeite had om op het rechte pad te blijven. Hij had haar ook direct verteld dat hij zich zorgen maakte over zijn moeder. Het nieuws over de jarenlange gevangenisstraf van haar lievelingszoon – en inmiddels haar enige nog levende kind – zou ze niet overleven, daar was Anton zeker van. Antons moeder had zich kapotgewerkt in een poging om haar kinderen een beter leven te geven dan ze zelf ooit had gehad. Hij kon haar gewoon niet teleurstellen. Niet weer.
Irina begreep dat. Zij was het die in haar derde brief met het ansichtkaartenplan kwam. ‘Write your mum a letter in which you explain her that you’ll work on a sea tanker and cann’t call or write her for a long time, but that you’ll send her a postcard regularly. I’ll make sure that the postcards – with a foreign postmark and your name on it – end up in your mother’s mailbox. As a flight attendant I travel often anyway. Tell me all about yourself and your mum, and I’ll write beautiful stories on the back of the postcards. Imitating someone else’s handwriting is one of my many talents ;)’

Anton vond het een briljant plan. Het leek wel of Irina andermans dromen feilloos aanvoelde. De afbeeldingen van de exotische steden en streken, die vond zijn moeder ongetwijfeld prachtig. Ze had altijd al verre reizen willen maken, maar het was haar nooit gelukt om voorbij haar geboortestad te komen. Hij stelde zich voor hoe hij over zijn zeereis zou vertellen zodra hij bij zijn moeder op de sofa zat. Over dagen aanhoudend noodweer dat de zeetanker onderweg overviel, oceaangolven die zijn moeders huis in één hap konden verslinden en havenkroegen waar vroeg of laat altijd knokpartijen uitbraken. Zijn moeder zou aan zijn lippen hangen. En hij zou haar eindelijk over Irina kunnen vertellen.

Zijn ogen waren voldoende aan de duisternis gewend geraakt om te zien dat zijn moeders kleine stadstuin er deze winter verwaarloosd bij lag. Eigenlijk had hij haar vaker moeten helpen, maar hij kwam niet graag op bezoek; hooguit als hij geld nodig had. Zijn moeder, het huis, alles herinnerde hem aan een leven vol geweld, armoede en verslaving. De link had hij in de gevangenis pas gelegd nadat hij een paar keer met Pieter Bellemans, een soort bajeshulpverlener, had gesproken. Die Pieter beweerde ook dat jeugdellende als een stug en onbreekbaar elastiek aan je blijft trekken. ‘Eén misstap, en floep, je bent terug bij af. Daarom moet je je vastgrijpen zodra je de kans krijgt, Anton. Als het je is gelukt om op te klimmen in het leven, grijp je dan ergens aan vast en laat niet meer los.’ Anton besloot toen om zich aan Irina vast te grijpen.
In de hoek, tussen de regenpijp en de muur, zag Anton een geschikte steen liggen om het kleine, vierkante tuinraam naast de bijkeukendeur mee in te slaan. Het gerinkel maakte meer herrie dan Anton verwachtte – misschien was hij in de gevangenis de vaardigheid verleerd. Hij stak zijn arm voorzichtig door het wakachtige, met scherpe glaspunten omlijste gat en al snel had hij de sleutel beet die zijn moeder permanent in het slot liet zitten. Anton draaide de sleutel om en stond binnen een paar seconden in zijn moeders bijkeuken.

In de donkere, onverwarmde gang rook Anton een onaangename geur die hem niet bekend voorkwam en die sterker werd naarmate hij verder liep richting de voorzijde van de woning.
Terwijl hij in de deuropening van de huiskamer stond, drukte hij de lichtschakelaar in. Na een korte hapering sprong de ronde plafondlamp zoemend aan. Anton zag meteen zijn moeder op de sofa liggen. Ze was dood, geen twijfel mogelijk. Hij had vaker een lijk gezien. Instinctief wendde hij zijn gezicht af, maar na paar diepe ademteugen liep hij – met zijn middelste wijsvingerkootje stevig tegen zijn neusgaten gedrukt – op haar af. Voor haar zielenrust, en zijn geweten, tekende hij met zijn andere hand een kruis in de lucht.

Anton wist niet wat hij nu moest doen. Zijn oog viel op briefgeld dat uit een witte envelop stak die op een aantal andere, slordig bijeengeveegde enveloppen op de hardhouten salontafel lag. Hij pakte de witte envelop: vijfhonderd euro in cash – een bedrag dat zijn moeder, voor zover Anton zich herinnerde, nooit in huis had – en een brief die dateerde van twee weken terug, gericht aan Irina. Kende zijn moeder Irina al? De andere brieven waren aan zijn moeder gericht. Het handschrift herkende hij meteen: Irina. Waarom lagen er brieven en geen ansichtkaarten? Zijn Engels had soms tot misverstanden geleid, maar Anton wist zeker dat ze ansichtkaarten hadden afgesproken. Ansichtkaarten met zijn naam eronder.
Tussen de enveloppen zat een foto. Anton keek naar de afbeelding: Irina stond gekleed in een geel zomerjurkje voor een rode auto en had een blonde, lachende peuter in haar armen. Dit beeld kende Anton niet. Hij draaide de foto om. Op de achterzijde las hij de handgeschreven tekst: ‘Kisses from your dear grandson Ivan, mummy Irina and daddy Anton (who is still at sea).’
Anton begreep het niet. Wie was die jongen? Waarom had Irina ‘Ivan’ nooit genoemd in de brieven die ze hem stuurde? Wat had ze hem nog meer niet verteld? Hij stompte twee keer hard met zijn rechtervuist tegen de huiskamerdeur om te voorkomen dat hij met zijn hoofd tegen de muur zou beuken. Die actie had in zekere zin effect, want heel even voelde hij alleen de scherpe pijn in zijn knokkels. Hij dacht aan zijn bajesmaten, en aan Pieter – ‘één misstap… floep…’.
Anton liep de huiskamer uit, de gang op en opende de voordeur. Hij moest even nadenken. Buiten stak hij een sigaret aan, en tegelijk met het klikgeluid van de aansteker hoorde hij hoe achter hem de voordeur in het slot viel.